Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO0427

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2003
Datum publicatie
18-12-2003
Zaaknummer
23-000950-03
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2003:AF4665
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Verdachte in hoger beroep veroordeeld voor doodslag in een café in Hoorn"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000950-03

datum uitspraak 18 december 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van 18 februari 2003 in de strafzaak onder parketnummer 14/010378-02 van het openbaar ministerie tegen

N. J. V.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 4 februari 2003 en in hoger beroep van 17 juni 2003, 24 juni 2003, 26 juni 2003, 18 september 2003 en 4 december 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daar-door niet in de verdediging geschaad.

Beslissing naar aanleiding van een verzoek van de raadsman

De advocaat-generaal heeft vóór de terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2003 een proces-verbaal laten opmaken betreffende de gezondheidstoestand van de getuige M.E.C. M. door F.T.M. Bn., brigadier van regiopolitie Noord-Holland Noord. Afschriften van dit op 3 december 2003 opgemaakte proces-verbaal zijn aan het hof en aan de raadsman van de verdachte verstrekt. In dit proces-verbaal is onder meer, zakelijk weergegeven, de op 2 december 2003 door de getuige M. afgelegde verklaring opgenomen inhoudende dat zij ongeveer drie à vier weken daarvoor op straat is aangesproken door S. S. die haar zei dat zij tienduizend euro kon verdienen als zij haar verklaring zou intrekken. Op de terechtzitting van 4 december 2003 heeft de raadsman verzocht, indien het hof aanleiding zou zien conclusies te verbinden aan dit onderdeel van de verklaring van M., het onderzoek te heropenen en M. en S. als getuigen ter terechtzitting te horen.

Nu het hof de inhoud van voormeld proces-verbaal van 3 december 2003 niet bij de beoordeling van de onderhavige zaak zal betrekken, zal het hof het gesloten onderzoek niet heropenen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bespreking van de door de raadsman gevoerde verweren

De raadsman heeft betoogd dat bij de bewijsgaring zodanige bokken zijn geschoten dat het hof er niet op kan vertrouwen dat al hetgeen voor de waardering van de mogelijk voor verdachte belastende verklaringen van de getuigen van belang is onder zijn aandacht is gebracht. De politie is onzorgvuldig omgegaan met het verkrijgen van de getuigenverklaringen. Er is ontoelaatbare druk op de getuigen uitgeoefend. Er is niet adequaat verslag gedaan. Wezenlijke onderdelen van getuigenverklaringen zijn door de opsporende instanties weggehouden. Dit alles met de bedoeling de werkelijke gang van zaken aan het zicht van de verdediging en de rechter te onttrekken. Hierdoor is het voor het hof onmogelijk gemaakt te beoordelen of deze verklaringen tot het bewijs van het tenlastegelegde kunnen bijdragen.

Meer in het bijzonder heeft de raadsman betoogd dat de politie bij het opsporingsonderzoek vormen heeft verzuimd die ertoe hebben geleid dat de verklaringen van de getuige M.E.C. M. niet meer op hun waarde kunnen worden getoetst, dan wel dat deze onrechtmatig zijn verkregen en niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Deze vormverzuimen zijn, aldus de raadsman, onherstelbaar en moeten op zich al leiden tot vrijspraak. Daarenboven geldt dat mede gelet op deze fouten, maar zelfs los ervan, de verklaringen van de cruciale getuige M. niet als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Hij heeft daarbij gewezen op onregelmatigheden die hebben plaatsgevonden bij het opmaken van een proces-verbaal van verhoor van M. op 10 juni 2002 - met welke verklaring qua inhoud en dagte-kening/ondertekening is gemanipuleerd - de ontoelaatbare druk die door de politie is uitgeoefend op deze getuige in samenhang met haar psychische gesteldheid en haar medicijngebruik en de inadequate wijze waarop politiebeambten verslag hebben gedaan van het verhoor van de echtgenoot van M., J. B., op 27 september 2002. Met betrekking tot het verslag van laatstgenoemd verhoor stelt de raadsman dat de politiebeambten in strijd met de waarheid aanvankelijk hadden verklaard dat dit verhoor niet op video was opgenomen en relevante delen uit deze verklaring hebben weggelaten, dit alles met het opzet te beletten dat de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaringen van M. kon toetsen. Tenslotte wijst de raadsman erop dat de rechtbank gelet op de gemaakte vormfouten meer dan terecht artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering heeft toegepast, hetgeen het hof begrijpt als een subsidiair verzoek tot toepassing van dit artikel.

Hetgeen de raadsman ter nadere adstructie van deze verweren heeft aangevoerd, staat verwoord in de door hem overgelegde pleitnotities, die aan het proces-verbaal van de zitting zullen worden gehecht en - voorzover relevant - als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

1. In het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de politie op ongeoorloofde wijze druk heeft uitgeoefend op de getuigen, onder wie de getuige M.. Ook is niet aannemelijk geworden dat de politie de werkelijke gang van zaken aan het zicht van de verdediging en de rechter heeft willen onttrekken. Ook van andere onregelmatigheden in de opsporing is met uitzondering van het navolgende niet gebleken

2. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de politie onzorgvuldig heeft gehandeld ten aanzien van het opmaken van het proces-verbaal van het verhoor van de getuige M. op 10 juni 2002 en ten aanzien van de verslaglegging van het videoverhoor van haar echtgenoot getuige J. B. op 27 september 2002.

3. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat het proces-verbaal van verhoor van M., anders dan daarin is vermeld, niet is gesloten op 10 juni 2002. Het proces-verbaal is niet gesloten die dag of kort daarna, omdat M. aangaf dat het moest worden gewijzigd, omdat zij niet wenste dat haar adres werd vermeld en zij aangaf dat een zin moest worden verwijderd. Omtrent de inhoud van de door M. afgelegde verklaring en strekking van de verwijderde zin is nader proces-verbaal opgemaakt door de verhorende verbalisanten A.G.J. P. (op 8 augustus 2002 en 20 november 2002) en E.N. G. (op 2 september 2002) en hun taktisch coördinator F.T.M. Bn.. A.G.J. P. en E.N. G. zijn voorts gehoord door de rechter-commissaris op 11 november 2002 en voorts, evenals F.T.M. Bn., ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft de getuige M. bevestigd dat de strekking van de verwijderde zin overeenkwam met hetgeen P. daarover heeft verklaard.

4. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is ook komen vast te staan dat de oorspronkelijke verslaglegging van het verhoor van J. B. op 27 september 2002 hiaten vertoont en dat de politie voor de verdediging relevante delen van dit verhoor aanvankelijk niet in deze verslaglegging heeft opgenomen. Tevens is komen vast te staan dat de politie bij proces-verbaal van 25 oktober 2002 in strijd met de waarheid heeft verklaard dat dit verhoor niet was opgenomen met audio-visuele apparatuur.

Op 27 september 2002 is proces-verbaal opgemaakt van het verhoor van J. B. door W.G.J. St. en A.C.M. G.. Op 24 oktober 2002 is B. onder meer met betrekking tot het verhoor van 27 september 2002 gehoord door de rechter-commissaris. Op 25 oktober 2002 hebben de politiebeambten A.C.M. G. en Bn. voornoemd een proces-verbaal opgemaakt, inhoudende dat B. op 27 september 2002 tijdens het verhoor met behulp van audio-visuele apparatuur is geobserveerd, doch dat daarvan geen opnames zijn gemaakt. Op 18 november 2002 heeft Bn. een proces-verbaal opgemaakt, onder meer inhoudende dat van het verhoor van B. op 27 september 2002 wel video-opnames zijn gemaakt. Zowel de rechtbank als het hof heeft de desbetreffende videoband bekeken. Het hof heeft vastgesteld dat een gedeelte van de verklaring van B. dat betrekking heeft op de betrouwbaarheid van de verklaringen van zijn echtgenote M. niet in het proces-verbaal van verhoor van B. op 27 september 2002 is opgenomen. Bn. is omtrent de gang van zaken bij het verhoor van B. gehoord op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep. De verhorende verbalisanten St. en A.C.M. G. zijn op verzoek van het hof door de rechter-commissaris respectievelijk op 17 en 18 november 2003 gehoord. Van het in het proces-verbaal ontbrekende gedeelte van het verhoor van 27 september 2002 is alsnog proces-verbaal opgemaakt op 28 november 2003 door L. d. B., brigadier van politie, district West Friesland.

5. Het hof is van oordeel dat bij het opmaken van beide genoemde processen-verbaal van 10 juni 2002 en 27 september 2002 beginselen van strafvordering zijn geschonden. In het Nederlandse systeem van strafvordering moet men erop kunnen vertrouwen dat een ambtsedig proces-verbaal naar waarheid wordt opgemaakt. Evenwel deze onzorgvuldigheden in de opsporing vormen op grond van het navolgende geen belemmering voor het hof de rechtmatigheid en/of betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen te toetsen.

Anders dan de raadsman en de rechtbank is het hof met betrekking tot de verslaggeving van het verhoor van B. op 27 september 2002 niet van oordeel dat verbalisanten welbewust hebben gepoogd de toetsing door de verdediging van verklaringen van de getuige M. op hun betrouwbaarheid te beletten. De gebreken die aan de processen-verbaal kleven zijn hersteld doordat ontbrekende informatie alsnog aan de rechter en de verdediging bekend is geworden door middel van aanvullende processen-verbaal en het verhoor van getuigen door de rechter-commissaris, de rechtbank en het hof.

6. Het hof heeft op de terechtzittingen in hoger beroep een aantal getuigen gehoord, onder wie M.E.C. M., W. K., R. Ps., G.J. D., M.C.P. N. en R.S. v.d. V., en heeft zich ook op grond daarvan een oordeel kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de getuige M.. Voorts is in het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de verklaringen van de getuige M. als onbetrouwbaar moeten worden gewaardeerd op grond van haar psychische gesteldheid of medicijngebruik. Evenmin is aannemelijk geworden dat de politie op ongeoorloofde wijze druk heeft uitgeoefend op deze getuige teneinde haar te bewegen een voor de verdachte belastende verklaring af te leggen. De getuige M. heeft ter terechtzitting in hoger beroep een uiterst betrouwbare indruk gemaakt en beslist en gedetailleerd met betrekking tot het tenlastegegelegde feit verklaard.

Op essentiele onderdelen zijn de verklaringen van de getuige M. onderling consistent. Deze verklaringen worden op onderdelen bevestigd door de verklaring van de getuige W. K., terwijl andere bewijsmiddelen die betrekking hebben op de verklaringen en reacties van de getuige W. K., waaronder de verklaringen van de getuigen Ps., D., N. en V.d. V. op essentiele onderdelen de verklaringen van de getuige M. ondersteunen. Het hof acht haar verklaring, afgelegd op de zitting in hoger beroep van 17 juni 2003 dan ook betrouwbaar en is van oordeel dat niets in de weg staat aan het gebruik van haar verklaring tot bewijs van het tenlastegelegde. Gelet op vorenstaande acht het hof de verklaringen van de getuige M. betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

7. Rest de vraag of de reeds aangegeven onzorgvuldigheden in de opsporing dienen te leiden tot toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Deze vraag dient gelet op de aard van de gemaakte fouten en het hierboven onder 3, 4 en 5 overwogene ontkennend te worden beantwoord. Het hof volstaat met de vaststelling dat het opsporings-onderzoek op genoemde 2 punten onzorgvuldig is geweest.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijs

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij omstreeks 30 april 2002 in de gemeente Hoorn (NH) opzettelijk E. D. van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte op 30 april 2002 met dat opzet eenmaal met een vuurwapen in het hoofd van die D. geschoten, tengevolge waarvan voornoemde D. op 8 mei 2002 is overleden.

Door de nadere precisering van de tenlastelegging in die zin dat de datum waarop door verdachte is geschoten en de datum waarop D. is overleden worden toegevoegd, is verdachte blijkens het verhandelde ter terechtzitting niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf-baarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit straf-baar is.

Het bewezengeachte levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaar-heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met onttrekking aan het verkeer van een boksbeugel en teruggave aan de verdachte van de overige inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen. De officier van justitie en de verdachte hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaar met aftrek, met onttrekking aan het verkeer van alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zonder aanwijsbare reden E. D. een kogel in zijn hoofd geschoten, tengevolge waarvan deze is overleden. Aldus heeft de verdachte een ander van het leven beroofd en onherstelbaar leed toegebracht. De verdachte heeft het slachtoffer beschoten in een druk bezocht café en daardoor ook de andere bezoekers blootgesteld aan ernstig gevaar. Dit blijkt ook uit de verklaring van een van de getuigen, inhoudende dat zij de luchtdruk van de kogel heeft gevoeld. De verdachte heeft aldus de rechtsorde in ernstige mate geschokt. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof meegewogen dat uit het op naam van verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 7 november 2003 blijkt dat verdachte reeds eerder terzake van geweldsmisdrijven en vuurwapendelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. Het hof acht een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft overwogen dat ten aanzien van het opmaken van het proces-verbaal van verhoor van de getuige M.E.C. M. op 10 juni 2002 en ten aanzien van de verslaglegging van het videoverhoor van de getuige J. B. op 27 september 2002 onzorgvuldig is gehandeld. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien de oorspronkelijk overwogen straf met twee jaar te verminderen en een gevangenisstraf op te leggen van tien jaar. Als hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat verzuimen in het voorbereidend onderzoek tijdig zijn hersteld, zodat toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering niet in aanmerking komt. Het hof acht de oorspronkelijk door de rechtbank overwogen straf van twaalf jaar passend en geboden.

----------De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een kogelvrijvest, een holster, een boksbeugel, een zwaailamp en twee kogelvrije jassen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Zij behoren aan de verdachte toe en zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het bewezen geachte feit aangetroffen. De gezamenlijkheid van deze voorwerpen kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemene belang

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuit-voerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een kogelvrij vest, maat XL, zonder beplating,

- een holster,

- een boksbeugel,

- een zwaailamp en

- twee kogelvrije jassen.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Asperen, Houben en Van Breukelen-van Aarnhem, in tegenwoordigheid van Van Gorp als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 december 2003.