Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AO0260

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
02/06974
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu de wet daarin niet voorziet wordt ter zake van een middelingsteruggaaf geen heffingsrente vergoed.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30j
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 24
FutD 2003-2365
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, hierna de inspecteur, gedagtekend 7 november 2002, betreffende de weigering een beschikking te nemen omtrent de vergoeding van heffingsrente over een teruggaaf van belasting ex artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 over het tijdvak 1997 tot en met 1999.

Het beroep is ter zitting behandeld op 6 juni 2003.

Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk, en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende had in de jaren 1997, 1998 en 1999 een belastbare som van onderscheidenlijk fl. 86.730, fl. 66.785 en fl. 14.341. De van belanghebbende feitelijk geheven inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen belopen

fl. 69.604.

2. Belanghebbende heeft op de voet van artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) aan de inspecteur verzocht teruggaaf van belasting te verlenen over het tijdvak 1997 tot en met 1999. Deze teruggaaf heeft de inspecteur berekend op fl. 3.190. Belanghebbende heeft op 14 oktober 2002 bezwaar gemaakt tegen het niet vergoeden van heffingsrente over deze teruggaaf. Tegen de op dit bezwaar gedane uitspraak is belanghebbende op 2 december 2002 in beroep gegaan.

3. In geschil is of in het onderhavige geval een beschikking omtrent het vergoeden van heffingsrente moet worden genomen, en, zo ja, over welke perioden en bedragen die heffingsrente alsdan dient te worden berekend. Belanghebbende stelt dat de wettelijke systematiek meebrengt dat dit dient te geschieden over de periode 1 januari 2000 tot en met de dag van dagtekening van de beschikking tot het verlenen van teruggaaf, de inspecteur stelt dat de wettelijke systematiek meebrengt dat dit dient te worden berekend over de periode vanaf het jaar waarop de belasting betrekking heeft.

4. Ingevolge de artikelen 23 en 30j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) stelt de inspecteur het bedrag van de heffingsrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. In het onderhavige geval heeft de inspecteur, gelet ook op het bepaalde in artikel VI, onderdeel A van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, op 18 oktober 2002 een beschikking middeling genomen als bedoeld in artikel 66a van de Wet. Bij het nemen van deze beschikking heeft de inspecteur ter zake van de toegekende middelingsteruggaaf geen beschikking genomen betreffende het vergoeden van heffingsrente. Bij bezwaar van 14 oktober 2002 tegen de middelingsbeschikking, welk bezwaar met toepassing van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor wat betreft het tijdstip van indiening ervan als een ontvankelijk bezwaar wordt aangemerkt, heeft belanghebbende verzocht om ter zake van de teruggaaf middeling €€ 1.448 als heffingsrente te vergoeden. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

5. In artikel 30f van de AWR is bepaald dat met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente wordt berekend ingeval een voorlopige aanslag, een aanslag of een navorderingsaanslag wordt vastgesteld. In het onderhavige geval is sprake van een bij beschikking vastgestelde teruggaaf zodat de tekst van de AWR reeds uitsluit dat in het onderhavige geval heffingsrente wordt vergoed en berekend. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat zulks ook uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest:

"Wat de middeling betreft zij opgemerkt dat hier niet kan worden aangesloten bij de voorgestelde regeling, daar in geval van middeling geen aanslagen van voorgaande jaren worden verminderd; er wordt een afzonderlijke beschikking genomen waarbij een terug te ontvangen bedrag wordt vastgesteld. Rentevergoeding zou hier op zijn plaats zijn wanneer belastingplichtigen te lang op een middelingsbeschikking zouden moeten wachten. Een afzonderlijke regeling, met een drempeltijdvak dat gerelateerd zou moeten zijn aan het tijdstip waarop het middelingsverzoek wordt ingediend, zou hiervoor nodig zijn. Nu uit de praktijk niet blijkt dat de termijn waarbinnen middelingsverzoeken worden afgedaan onredelijk lang is, is naar onze mening de reden voor extra regelgeving ter zake niet aanwezig. Dat het buiten aanmerking laten van verliescompensatie, WIR-verrekening en middeling in de renteregeling "te zeer in het nadeel van belastingplichtigen" zou werken, vermogen wij, gelet op het vorenstaande, niet in te zien."

MvA, Wet van 26 maart 1987, Stb. 120, Kamerstukken II 1986/87, 19 557, nr. 6, blz. 13.

6. Met ingang van 1 juli 1997 zijn de bepalingen van de AWR over de berekening van heffingsrente gewijzigd in die zin dat voor de verschuldigde inkomstenbelasting vanaf het tijdvak 1996 de heffingsrente anders dan voorheen niet meer eerst en vanaf vijftien maanden na afloop van het tijdvak doch direct na afloop van het tijdvak wordt berekend (Wet van 13 december 1996, Stb 655). De door de wetgever geopperde bezwaren voor zover die betrekking hadden op de vaststelling van het drempeltijdvak doen in zoverre geen opgeld meer. Niettemin heeft de wetgever hierin geen aanleiding gevonden de regeling van de heffingsrente in de AWR zodanig aan te passen dat ook ter zake van een middelingsteruggaaf heffingsrente wordt berekend en dat aldus berekende te vergoeden heffingsrente bij voor bezwaar vatbare beschikking wordt vastgesteld. Nu in een dergelijke regeling niet is voorzien, acht het Hof het vergoeden van heffingsrente in het onderhavige geval niet mogelijk. Voor het bewerkstelligen van een dergelijke vergoeding biedt de middelingsbeschikking overigens geen rechtsingang. Aangezien het bezwaar betrekking heeft op een beschikking die niet is genomen en die ook niet had kunnen worden genomen, had de inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn bezwaar. In zoverre is het beroep gegrond.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenvergoeding aangezien dergelijke kosten door belanghebbende niet zijn gesteld en ook niet aannemelijk zijn geworden.

De uitspraak is gedaan op 20 juni 2003 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt en door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.