Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9676

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-11-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
03/00124
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat hij geen heffingsrente is verschuldigd, omdat hij geen liquide middelen ter beschikking gekregen die hij rentegevend heeft kunnen beleggen. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht. Belanghebbendes stelling doet daaraan niet af. Van een situatie dat de inspecteur het in rekening brengen van heffingsrente had moeten vermijden is geen sprake nu de inspecteur binnen een redelijke termijn na binnenkomst van de aangifte een voorlopige aanslag overeenkomstig die aangifte heeft opgelegd en belanghebbende ook nimmer om het opleggen van een hogere voorlopige aanslag heeft verzocht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30f
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30h
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 30j
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Zeventiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 3 januari 2003, betreffende een beschikking heffingsrente met dagtekening 20 november 2002.

Het beroep is behandeld ter zitting van 27 oktober 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende heeft over het jaar 2000 met dagtekening 22 juni 2001 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 469.561. De voorlopige aanslag, gedagtekend 26 oktober 2001, is opgelegd conform de aangifte. Aan belanghebbende is vervolgens de onderhavige aanslag, gedagtekend 20 november 2002, opgelegd naar een vastgesteld belastbaar inkomen van ƒ 996.711. De inspecteur heeft tegelijkertijd met het opleggen van de aanslag op de voet van artikel 30j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) ƒ 19.402 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehandhaafd.

2. In geschil is primair of belanghebbende heffingsrente is verschuldigd en, subsidiair, de hoogte van de verschuldigde heffingsrente. Tussen partijen is de hoogte van het vastgestelde belastbare inkomen niet in geschil.

3. Belanghebbende stelt dat hij geen heffingsrente is verschuldigd. De correctie op de aangifte is veroorzaakt doordat hij zijn onderneming in 2000 heeft gestaakt, waarbij hij het pand waarin hij samen met zijn zoons een slagerij exploiteerde, heeft overgebracht naar zijn privévermogen. Belanghebbende heeft aldus geen liquide middelen ter beschikking gekregen die hij rentegevend heeft kunnen beleggen. Hij neemt het standpunt in dat het daarom in strijd is met doel en strekking van artikel 30f, eerste lid, van de Awr, dat de inspecteur heffingsrente in rekening heeft gebracht. Belanghebbende stelt voorts dat de inspecteur de aanslag eerder had moeten opleggen dan is geschied, waardoor het bedrag aan verschuldigde heffingsrente dan lager zou zijn geweest. De inspecteur stelt dat de aanslag tijdig is opgelegd en dat een bedrag van ƒ 19.402 aan heffingsrente is verschuldigd.

4.1. Op grond van artikel 30f, eerste lid, Awr wordt met betrekking tot de inkomstenbelasting heffingsrente berekend ingeval een aanslag wordt vastgesteld. Op grond van artikel 30h, eerste lid, Awr wordt de heffingsrente in rekening gebracht over het positieve bedrag van de aanslag. Belanghebbende is volgens de aanslag een positief bedrag aan inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen verschuldigd, zodat bij de aanslag van belanghebbende terecht een bedrag aan heffingsrente in rekening is gebracht. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij geen heffingsrente is verschuldigd, omdat zulks in strijd is met doel en strekking van artikel 30f, eerste lid, van de Awr. Het Hof overweegt als volgt. Het berekenen van heffingsrente, zowel het in rekening brengen als het vergoeden van rente, is bedoeld als compensatie van niet genoten rente door de schatkist dan wel de belanghebbenden. Nu de definitieve aanslag 2000 gedagtekend is op 20 november 2002 is het in rekening brengen van heffingsrente overeenkomstig de bedoeling van de wetgever. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur terecht heffingsrente in rekening heeft gebracht. Belanghebbendes stelling dat hij geen rente heeft genoten omdat hij niet beschikte over liquide middelen doet daaraan niet af. Belanghebbende zou indien de aanslag eerder zou zijn opgelegd voor de betaling ervan middelen hebben moeten vrijmaken, hetgeen bij gebreke van liquide middelen gepaard zou zijn gegaan met het betalen aan rente of vergelijkbare gevolgen.

4.2. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Awr vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag door verloop van 3 jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan, zodat de inspecteur voor het jaar 2000 de aanslag kan opleggen tot en met uiterlijk 31 december 2003. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 ten name van belanghebbende is gedagtekend 20 november 2002. Dat is ruimschoots binnen de hiervoor bedoelde termijn. Het Hof is van oordeel dat nu de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 binnen de daarvoor geldende termijn is opgelegd het wettelijke regiem voor het in aanmerking nemen van heffingsrente geenszins inhoudt dat de ter zake van de aanslag berekende heffingsrente zou moeten worden verminderd, omdat de aanslag eerder had kunnen worden opgelegd. Van een situatie dat de inspecteur het in rekening brengen van heffingsrente had moeten vermijden is naar het oordeel van het Hof geen sprake nu de inspecteur binnen een redelijke termijn na binnenkomst van de aangifte een voorlopige aanslag overeenkomstig die aangifte heeft opgelegd en belanghebbende ook nimmer om het opleggen van een hogere voorlopige aanslag heeft verzocht.

4.3. Nu gesteld noch gebleken is dat de ter zake van het bedrag van de aanslag verschuldigde heffingsrente niet goed berekend zou zijn, is het Hof van oordeel dat de hoogte van het bedrag aan heffingsrente correct is.

5. Gezien het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur.

Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen tot vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 10 november 2003 door mr. Slijpen, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.