Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9675

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
02/07368
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, aangezien de inspecteur de verplichting heeft om aan de gemachtigde mede te delen dat aan belanghebbende een aanslag is uitgereikt. Het Hof is van oordeel dat geen wettelijke bepaling verplichtte de inspecteur de aanslag uit te reiken of toe te zenden aan de gemachtigde, dan wel aan deze een afschrift van de aanslag toe te zenden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat door of namens belanghebbende is verzocht de aanslag of een afschrift daarvan aan de gemachtigde van de belanghebbende toe te zenden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/52.1.1
FutD 2003-2313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X N.V. te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 20 december 2002, ingediend door de gemachtigde van belanghebbende (hierna: de gemachtigde) en door de gemachtigde aangevuld bij brief van 21 februari 2003. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 29 november 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1998 (hierna: de aanslag).

1.2. De aanslag, gedagtekend 6 juli 2002, is opgelegd en berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 341.239, verhoogd met f 12.362 heffingsrente. Belang-hebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag. De inspecteur heeft het bezwaar bij de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur, tot het ontvankelijk verklaren van het bezwaar en tot vermindering van de aanslag naar een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 63.483, alsmede tot vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.5. Bij brief van 21 augustus 2003 heeft belanghebbende een nader stuk ingezonden.

1.6. Bij brief van 22 september 2003 heeft de inspecteur zijn pleitnota met bijlagen vooraf ingezonden.

1.7. Ter zitting van 24 september 2003 zijn verschenen de gemachtigde, alsmede namens de inspecteur Y, tot bijstand vergezeld van A.

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij van de pleitnota van de inspecteur

en de bijlagen kennis heeft kunnen nemen en zich daarover heeft kunnen uitlaten. Ook belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De pleitnota's (inclusief de bijlagen) worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Bij brief van 15 september 1989, door de inspecteur voor akkoord getekend op 20 september 1989, is een afspraak tot stand gekomen tussen belanghebbende en de inspecteur over onder meer een door een gelieerd, in België gevestigd lichaam aan belanghebbende door te belasten management- en marketing fee.

2.2. Bij brief van 8 december 1998 heeft de inspecteur de afspraak van 15 september 1989, voor wat betreft de management- en marketing fee, met ingang van 1 januari 1999 opgezegd en heeft hij een boekenonderzoek aangekondigd. In een controle-rapport van 23 november 1999, betreffende een deelcontrole in de vennootschaps-belasting over de periode 1994 tot en met 1997, is voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

"3.3. Management- en marketing fee en overige kosten (…)

Bij de controle van de management fee vallen de volgende punten op:

a. De berekening van de management fee wordt niet overeenkomstig het compromis uitgevoerd. (…)

b. De onderbouwing van de (forse) management-fee blijkt tamelijk mager te zijn. (…) "

2.3. Na tussen de inspecteur en belanghebbende gevoerde onderhandelingen heeft de inspecteur bij brief van 26 november 2001 de definitieve versie van een nieuwe afspraak (hierna: de vaststellingsovereenkomst) aan de gemachtigde verzonden. Een door belanghebbende getekende versie van de vaststellingsovereenkomst is bij fax van 17 januari 2002 en bij brief van 6 februari 2002 aan de inspecteur verzonden.

2.4. Bij brief van 11 juni 2002 heeft de inspecteur aan de gemachtigde te kennen gegeven dat hij de aangifte vennootschapsbelasting 1998 heeft afgehandeld. In deze brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

"Onlangs heb ik de aangifte vennootschapsbelasting 1998 van [belanghebbende] (…)afgehandeld. Hierover merk ik het volgende op.

Zoals overeengekomen in punt 5 van de op 17 januari 2002 gesloten vaststellingsovereenkomst tussen [belanghebbende] en de Belastingdienst P zal terzake van de management- en marketing fee een aftrekpost worden geaccepteerd van ƒ 700.000 (…). (…) [I]n de aangifte [is] een aftrekpost (…) opgenomen van f 977.756 (…). Het verschil van f 277.756 (…) heb ik derhalve bij het opleggen van de aanslag gecorrigeerd. (…)

Ten overvloede meld ik dat ik mij op het standpunt stel dat de tussen [belanghebbende] en de Belastingdienst P gemaakte afspraak van 15 september 1989 met ingang van 1 januari 1999 niet langer van toepassing is."

2.5. In een brief van 20 juni 2002 schrijft de gemachtigde aan de inspecteur, voor zover hier van belang, het volgende:

"Ik verwijs naar uw brief van d.d. 11 juni 2002. Namens [belanghebbende] deel ik u mede dat de belastingplichtige van mening is dat de overeenkomst van 15 september 1989 nog steeds van toepassing is, gezien het feit dat geen enkele wijziging is opgetreden in de grond van de overeenkomst. (…)".

2.6. In een brief aan de inspecteur van 18 november 2002 schrijft de gemachtigde, voor zover hier van belang, het volgende:

"Enkele dagen geleden is de aanslag vennootschapsbelasting 1998, aanslagnummer (…) in mijn bezit gekomen. Ik verzoek u voortaan alle aanslagen aan ons te sturen. Verder verzoeken wij u onze brief d.d. 20 juni als een bezwaarschrift te beschouwen en hierop uitspraak te doen."

3. Geschil

In geschil is, primair, of de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar en, subsidiair, de hoogte van het belastbare bedrag voor het jaar 1998 en het bedrag van de over dat jaar in rekening gebrachte heffingsrente.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4.2. Ter zitting is namens belanghebbende, kort en zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Ik bedoelde dat de bijlagen bij de pleitnota tardief waren, maar ik maak er geen punt meer van.

Begin april 2003 heb ik aan de inspecteur gevraagd wanneer de aanslag aan belanghebbende is verzonden. De inspecteur heeft mij bij brief van 8 april 2003 laten weten dat dit 3 juli 2002 is gebeurd. Ik meen dat de aanslag zo rond 3 juli 2002 bij belanghebbende is binnengekomen. Ik weet niet waarom de aanslag zo lang bij belanghebbende is blijven liggen.

Mijn brief van 20 juni 2002 is het bezwaarschrift. Ik heb toen aangegeven dat ik het niet met de inspecteur eens was. Als de brief van 11 juni 2002 niet zo duidelijk was dan had de inspecteur mij de aanslag toe moeten sturen, zodat ik daartegen bezwaar had kunnen maken. Ik heb in de bezwaarfase niet gevraagd om te worden gehoord.

Belanghebbende is nog steeds gerechtigd de management fee te bepalen op basis van de afspraak van 15 september 1989. Voor de jaren 1994 tot en met 1997 is een nieuwe vaststellingsovereenkomst gesloten, omdat er onenigheid was over de toepassing van de berekeningsmethode. Deze vaststellingovereenkomst is opgesteld onder voorbehoud dat zij conform het EG Arbitrageverdrag is. De verzoeken die zijn ingediend op grond van het EG Arbitrageverdrag lopen nog. In de onderhandelings-fase wilde de inspecteur nog niets regelen over 1998. Ik was verbaasd toen ik het compromis over 1998 zag, maar ik dacht: over ƒ 700.000 hebben we in ieder geval overeenstemming. Achteraf bezien had er in de vaststellingsovereenkomst onder 5 "ten minste" moeten worden ingevoegd.

4.3. Ter zitting is namens de inspecteur, kort en zakelijk weergegeven, nog het volgende toegevoegd:

Ik ben van mening dat mijn pleitnota met bijlagen niet tardief is, aangezien de gemachtigde heeft aangegeven dat hij de pleitnota heeft kunnen lezen.

De aanslag was op 11 juni 2002 nog niet vastgesteld. De aanslag was toen nog niet uitgeprint, maar ik had wel al de beslissing genomen. De aanslag is op 3 juli 2002 met 48-uurspost naar belanghebbende verzonden. Het is wel degelijk zo dat belang-hebbende vaak van adviseur wijzigt.

De afspraak van 15 september 1989 is opgezegd en op basis daarvan is de nieuwe vaststellingsovereenkomst opgesteld. Dat was de strekking van de vaststellings-overeenkomst. Ik bestrijd dat ik in de onderhandelingsfase van de vaststellings-overeenkomst niets wilde regelen over 1998.

Ik begrijp niet waarom de gemachtigde zegt dat hij niet begrijpt waarom er in de vaststellingsovereenkomst iets over 1998 staat. De vaststellingsovereenkomst is geaccordeerd door belanghebbende. Onmiskenbaar blijkt uit de stukken dat het bedrag van ƒ 700.000 een maximumbedrag is. Als in een later jaar aan de OESO maatstaven wordt voldaan, is een hoger bedrag dan ƒ 700.000 mogelijk, maar niet voor 1998. Voor de situatie zoals die op dat moment gold, kom ik niet op een hoger bedrag uit.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat haar brief van 20 juni 2002 dient te worden beschouwd als het bezwaarschrift. Belanghebbende stelt voorts dat dat bezwaarschrift ontvankelijk is, omdat de aanslag ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift reeds tot stand was gekomen dan wel omdat zij redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was. Belanghebbende stelt voorts dat indien het Hof van oordeel is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, aangezien de inspecteur de verplichting heeft om aan de gemachtigde mede te delen dat aan belanghebbende een aanslag is uitgereikt.

5.2. De inspecteur stelt dat het bezwaarschrift tegen de aanslag terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat ofwel de brief van 20 juni 2002 is ingediend voordat de aanslag tot stand is gekomen, ofwel de brief van 18 november 2002 is ingediend buiten de bezwaartermijn van 6 weken. De inspecteur stelt voorts dat, aangezien belanghebbende regelmatig van adviseur wijzigt, het niet altijd duidelijk is wie als adviseur van belanghebbende optreedt, waardoor het enige vaste contact dat voor de inspecteur bestaat belanghebbende zelf is en dat hij derhalve niet onzorgvuldig heeft gehandeld door aan de gemachtigde niet mede te delen dat aan belanghebbende een aanslag is uitgereikt.

5.3. Vaststaat dat de aanslag is gedagtekend 6 juli 2002 en dat hij tussen 3 en 6 juli 2002 door belanghebbende is ontvangen. Het Hof heeft geen reden om aan te nemen dat de dag van bekendmaking van de aanslag is gelegen ná de datum van dagtekening daarvan.

Vaststaat voorts dat de aanslag door belanghebbende enige dagen vóór 18 november 2002 aan de gemachtigde is doorgestuurd en dat de aanslag door hem is ontvangen.

5.4. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat de brief van 20 juni 2002 dient te worden beschouwd als het bezwaarschrift, overweegt het Hof dat het uit de tekst van die brief afleidt dat deze een reactie vormt op de onder 2.4. aangehaalde passage uit de brief van de inspecteur van 11 juni 2002 waarin de inspecteur zich op het standpunt stelt dat de tussen belanghebbende en hem gemaakte afspraak van 15 september 1989 met ingang van 1 januari 1999 niet langer van toepassing is. Dat deze reactie van de gemachtigde niet alleen betrekking heeft op de hiervoor vermelde opmerking van de inspecteur betreffende de beëindiging, met ingang van 1 januari 1999, van de afspraak van 15 september 1989, maar tevens op de aanslag voor het jaar 1998, valt daaruit niet op te maken.

Ook overigens heeft belanghebbende niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de brief van 20 juni 2002 redelijkerwijs kan zijn bedoeld als een bezwaarschrift tegen de aanslag dan wel als een voortijdig ingediend bezwaarschrift als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het Hof is mitsdien van oordeel dat de brief van 18 november 2002 als het bezwaarschrift dient te worden aangemerkt.

5.5. Belanghebbende had, gelet op het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb, binnen zes weken ofwel uiterlijk op maandag 19 augustus 2002 bezwaar tegen de aanslag moeten indienen. Nu het bezwaarschrift, gedagtekend 18 november 2002, door de inspecteur is ontvangen op 18 november 2002, is het Hof van oordeel dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, tenzij aannemelijk is te achten dat zich omstandigheden hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb, in welk geval de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is te achten.

5.6. Geen wettelijke bepaling verplichtte de inspecteur de aanslag uit te reiken of toe te zenden aan de gemachtigde, dan wel aan deze een afschrift van de aanslag toe te zenden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat door of namens belanghebbende is verzocht de aanslag of een afschrift daarvan aan de gemachtigde van de belang-hebbende toe te zenden. Eerst in de brief van 18 november 2002 heeft de gemachtigde verzocht alle aanslagen aan hem toe te zenden. De omstandigheid dat de inspecteur de aanslag uitsluitend aan belanghebbende heeft toegezonden kan naar het oordeel van het Hof niet als een omstandigheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb worden beschouwd. Zulks te minder, nu de inspecteur, door in zijn brief van 11 juni 2002 aan de gemachtigde mede te delen dat hij de aangifte van belanghebbende had afgehandeld, naar het oordeel van het Hof ruimschoots heeft voldaan aan de te dezen op hem rustende zorgplicht. Ook overigens zijn er geen omstandigheden als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb aannemelijk geworden. Het Hof is mitsdien van oordeel dat de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in verband met een overschrijding van de termijn voor het indienen van het bezwaar-schrift.

5.7. Gezien het voorgaande komt het Hof niet toe aan de behandeling van de materiële grieven van belanghebbende tegen de aanslag.

5.8. Met betrekking tot het beroep tegen de heffingsrente overweegt het Hof het volgende. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de heffingsrente en heeft dit punt voor het eerst in het beroepsprocedure aan de orde gesteld. Naar het oordeel van het Hof dient belanghebbende op dit punt dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen de beschikking vast-stelling heffingsrente, niet ontvankelijk en verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 26 november 2003 door mrs. Faase, voorzitter, Van der Ouderaa en Slijpen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Schiltkamp als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.