Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9357

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
02/06369
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende ontvangt in 2000 maandelijks bedragen van (het bedrijf van) haar ex-echtgenoot. In geschil is of die bedragen loon uit dienstbetrekking (belanghebbende) of alimentatie (inspecteur) vormen. Naar het oordeel van het Hof wordt niet voldaan aan de drie cumulatieve voorwaarden voor het bestaan van een dienstbetrekking. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2004, 74
FED 2003/661
V-N 2004/19.1.8
FutD 2003-2284
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P (voorheen de Belastingdienst Particulieren P), de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ingekomen op 31 oktober 2002, ingediend door haar gemachtigde, (…). Het beroepschrift is aangevuld bij schrijven van 5 december 2002. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 september 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

In het beroepschrift wordt het Hof verzocht het beroep gegrond te verklaren, de bestreden uitspraak te vernietigen en te bepalen dat belanghebbende geen belasting verschuldigd is.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting van 17 juni 2003 zijn verschenen (…) als gemachtigde van belanghebbende en, namens de inspecteur, (…).

Het Hof heeft mondeling uitspraak gedaan op 1 juli 2003. Het proces-verbaal van deze mondelinge uitspraak is op 3 juli 2003 aan partijen verzonden. Ter griffie is namens belanghebbende op 17 juli 2003 het verzoek ontvangen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. Het ter zake verschuldigde griffierecht is tijdig voldaan.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is op x januari 1996 duurzaam gescheiden van haar echtgenoot. De ontbinding van het huwelijk vond plaats in november 1998. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2000 ongehuwd. De ex-echtgenoot van belanghebbende bezit alle aandelen in een vennootschap die een y-bedrijf exploiteert, het y-bedrijf B.V. (hierna: de BV). Tot x januari 1996 verrichtte belanghebbende werkzaamheden voor de BV. Zij ontving destijds echter geen salaris van de BV.

2.2. In het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek strekkende tot het geven van voorlopige voorzieningen ter terechtzitting bij de arrondissementsrechtbank te Z op x januari 1996 van belanghebbende ("de vrouw") tegen B te Z ("de man") staat dat mr. D, de procureur van de man, - zakelijk weergegeven - het volgende heeft verklaard:

"Partijen hebben overeenstemming bereikt over de na te melden alimentatieregeling. Ik begrijp dat die regeling niet in een beschikking kan worden vastgelegd, zodat deze slechts in het proces-verbaal van de zitting zal worden vastgelegd.

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

- de vrouw ontvangt een salaris van het verhuisbedrijf van de man van f 2.500,- netto per maand, alsmede een vakantietoeslag van 8 %;

- zij is verzekerd bij het ziekenfonds;

- zij behoeft geen vergoeding aan de man te betalen voor het gebruik van de echtelijke woning, waarin zij thans woont;

- de man betaalt de kosten van gas, water en elektra van de echtelijke woning;

- als ingangsdatum moet gelden 1 januari 1996."

In datzelfde proces-verbaal staat dat mr. E, de procureur van belanghebbende, heeft verklaard dat de vrouw accoord gaat met bovenvermelde regeling.

2.3. Belanghebbende heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000 gedaan van een belastbaar inkomen van nihil. Op het aangiftebiljet heeft zij aangegeven dat "y-bedrijf" gedurende het gehele onderhavige jaar haar werkgever was. In een bijlage bij de aangifte schrijft belanghebbende onder meer het volgende:

"De enige bron van inkomen die ik geniet is het salaris dat ik via het bedrijf van mijn ex-echtgenoot ontvang. Hij moet mij maandelijks netto fl. 2.500,= (thans € 1134,45) betalen. Dit bedrag dient gebruteerd te worden. (…) In het jaar 2000 heb ik in totaal een netto-bedrag van f 27.500,= ontvangen. Daarin is geen vakantiegeld begrepen. Omdat ik geen jaaropgave over 2000 heb ontvangen (ondanks herhaalde verzoeken mijnerzijds en verzoeken van mijn advocaat), kan ik dan ook het aangiftebiljet 2000 niet met de juiste gegevens invullen."

De inspecteur heeft de aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 27.500 vastgesteld. In het bezwaarschrift heeft belanghebbende gesteld dat haar inkomsten (ƒ 27.500) uit loon bestaan. In zijn brief van 14 augustus 2002 aan belanghebbende schrijft de inspecteur:

"Uit mijn gegevens blijkt dat u geen looninkomsten, maar een alimentatie-uitkering heeft ontvangen. Als er sprake is van een alimentatie-uitkering, bent u zelf verantwoordelijk voor de te betalen belasting."

Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen omdat hij het bedrag van ƒ 27.500 als alimentatie beschouwt.

3. Geschil

In geschil is of het voornoemde bedrag van ƒ 27.500 netto-loon uit dienstbetrekking is, zoals belanghebbende stelt, dan wel alimentatie is, zoals de inspecteur voorstaat. Ter zitting is namens belanghebbende verklaard dat, indien het Hof van oordeel is dat de maandelijkse betalingen van ƒ 2.500 geen loon, maar alimentatie vormen, de onderhavige aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd verwijst het Hof naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat belanghebbende in 2000 geen werkzaamheden voor de BV heeft verricht, maar dat hij het bedrag van ƒ 27.500 ziet als nabetaald loon, dat wil zeggen als loon voor werkzaamheden die belanghebbende vroeger heeft verricht.

5.2. Het bedrag dat belanghebbende van de BV heeft ontvangen, is naar het oordeel van het Hof geen loon uit dienstbetrekking. Voor een dienstbetrekking in fiscale zin is namelijk vereist dat aan drie cumulatieve voorwaarden wordt voldaan: (1) er is een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer, (2) de werknemer heeft de verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende zekere tijd en (3) de werkgever heeft de verplichting loon te betalen. Nu vaststaat dat belanghebbende na 1996 geen arbeid meer voor de BV heeft verricht, is in 2000 geen sprake van een dienstbetrekking en dus evenmin van loon uit dienstbetrekking. Namens belanghebbende is nog gesteld dat het loon uit een vroegere dienstbetrekking is, maar naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dat tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Daar komt bij dat het Hof uit het onder 2.2 opgenomen citaat, waarin het woord alimentatieregeling voorkomt, afleidt dat belanghebbende en haar ex-echtgenoot de bedoeling hebben gehad om een alimentatieregeling overeen te komen, die zij hebben vormgegeven als beschreven onder 2.2. Dat de alimentatiebetalingen - om welke reden dan ook - formeel door de BV worden gedaan, doet daaraan niet af.

5.3. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de inspecteur.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig om een partij te veroordelen tot het vergoeden van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 22 augustus 2003 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier, ter vervanging van de voornoemde mondelinge uitspraak.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.