Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9332

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-06-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-001737-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van doodslag, gevolgd en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer aan dat feit het bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren.

11 jaar gevangenisstraf + schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer :

rolnummer : 23-001737-02

datum uitspraak : 20 juni 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 26 april 2002 in de strafzaak onder parketnummer 15/035280-01 van het openbaar ministerie

tegen.

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting(en) in eerste aanleg van 16 april 2002 en in hoger beroep van 6 juni 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 april 2003 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Verdachte is op 8 juli 2001 in Spanje aangehouden en op 30 juli 2001 in het kader van een verkortte uitleveringsprocedure aan de Nederlandse autoriteiten uitgeleverd. Tijdens de uitleveringsprocedure heeft verdachte uitdrukkelijk verklaard dat zij geen afstand doet van de bescherming van het specialiteitsbeginsel.

Uit het door de advocaat-generaal overlegde vonnis van de centrale rechtbank van instructie te Madrid van 13 juli 2002 blijkt dat de uitlevering van verdachte is toegewezen voor doodslag, zoals vermeld in het internationale aanhoudingbevel. Het hof stelt vast dat de tenlastegelegde feiten blijven binnen het bestek van de feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan.

Bewijs

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Zij in de periode van 6 maart tot en met 15 maart 2001 te Zaandijk, in de gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en/of haar mededader met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een hamer en/of een bacosleutel tegen het hoofd geslagen en die [slachtoffer] met een touw/slang/kabel en met de handen gewurgd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een auto (merk: Citroen Berlingo) en bankpassen en overschrijvingskaarten en andere goederen toebehorende aan [slachtoffer], en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte] niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [medeverdachte] bij de eerste twee politieverhoren en de eerste verhoren door de Oostenrijkse rechter-commissaris geen bijstand heeft gehad van een advocaat, zodat zijn verklaringen op onrechtmatige wijze zijn verkregen.

Het hof overweegt daartoe dat van een schending zoals door de raadsman bedoeld reeds daarom geen sprake is, omdat [medeverdachte] tijdens zijn (latere) verhoren bij de rechter-commissaris heeft bevestigd dat hij bij zijn eerdere verklaringen blijft en hij deze verklaringen gedurende de daarop gevolgde ondervragingen wezenlijk heeft bevestigd.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

Medeplegen van doodslag, gevolgd en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en de andere deelnemer aan dat feit het bezit van het wederrechtelijke verkregene te verzekeren.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met haar mededader het plan opgevat om [slachtoffer], met wie verdachte toen samenleefde, te overvallen. Toen het slachtoffer tijdens de overval verzet bleek te bieden hebben verdachte en haar mededader hem van het leven beroofd door hem meermalen met zware voorwerpen hard op het hoofd te slaan en hem vervolgens te wurgen. Verdachte heeft zich voorafgaand aan de overval onder meer bankoverschrijvingskaarten van het slachtoffer toegeëigend. Na de overval heeft zij de auto, bankpassen en andere goederen van het slachtoffer meegenomen. Met behulp van de bankoverschrijvingskaarten en de bankpassen heeft zij in de weken daarna meermaals grote bedragen van de bankrekeningen van het slachtoffer opgenomen.

Bij de beoordeling van de ernst van dit feit heeft het hof tevens de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

[slachtoffer] had voor verdachte affectieve gevoelens opgevat en haar de helpende hand geboden in de weinig aangename levensomstandigheden waarin verdachte verkeerde toen zij hem voor het eerst ontmoette. Zij heeft bij hem de verwachting doen ontstaan dat zij een langdurige relatie met hem wilde, hem zelfs wilde huwen, terwijl zij in werkelijkheid plannen maakte om te verhuizen naar Spanje met haar werkelijke geliefde. Op het moment dat het vertrek naderbij kwam vatte zij het plan op om [slachtoffer] te overvallen. Na het overlijden van het slachtoffer heeft zij doelbewust dwaalsporen uitgezet om nasporing onmogelijk te maken. Daartoe heeft zij onder meer het lichaam van het slachtoffer in een sloot verborgen. Door het verbergen van het lichaam zijn de nabestaanden lang in onzekerheid gehouden over het lot van het slachtoffer en is het hen onmogelijk gemaakt op passende wijze van hem afscheid te nemen. Verdachte heeft met haar handelwijze de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed toegebracht.

Het hof rekent de verdachte haar geraffineerde manipulatie van eerst het slachtoffer en, na diens dood, diens familie en anderen die achter het werkelijk gebeurde zouden kunnen komen, bijzonder zwaar aan. Ook de onterende wijze waarop met het lichaam van het slachtoffer is omgegaan nadat verdachte hem (mede) van het leven had beroofd, wordt haar bijzonder zwaar aangerekend. Feiten als het onderhavige veroorzaken grote onrust in de samenleving en de rechtsorde wordt er in ernstige mate door geschokt.

Blijkens een haar betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 28 april 2003, is verdachte eerder ter zake van een andersoortig feit veroordeeld. Uit verdachte's verklaring ter terechtzitting is gebleken dat zij ook in Duitsland reeds eerder is veroordeeld en dat zij daar nog een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden heeft openstaan.

Het hof heeft mede acht geslagen op een voorlichtingsrapport, op 23 september 2002 opgesteld door T. Bos, reclasseringsmedewerker Afdeling Justitiële Verslavingszorg van het Centrum voor Alcohol- en Drugsverslaving Flevoland, Noordwest-Veluwe en Zwolle e.o.

Al deze feiten en omstandigheden afwegende acht het hof een langdurige gevangenisstraf, zoals hieronder vermeld, passend en geboden.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, [slachtoffer], heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade, in de vorm van kosten van de uitvaartverzorging en het rouwarrangement, heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot een bedrag van f 8137,33 (thans: € 3692,56) worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als aanvullende waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van € 3692,56 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [nabestaande], wonende op het adres [adres], op bankrekeningnummer [nummer] een bedrag van € 3.692,56 (drieduizend zeshonderdentweeennegentig euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds, groot € 3.692,56 (drieduizend zeshonderdentweeennegentig euro en zesenvijftig eurocent), zulks ten behoeve van [nabestaande] voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan een van de evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bestelauto van het merk en type Citroën Berlingo, met het kenteken [kenteken].

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Atteveld, Swart en Kleene-Eijk, in tegenwoordigheid van mr. Zoetekouw, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 juni 2003.

De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.