Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9310

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2003
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
23-001902-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval op een geldtransport en strafbare voorbereiding van een soortgelijk delict.

Verwerping van verweren mbt onrechtmatig verkregen bewijs.

5 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrestnummer ...

rolnummer 23-001902-02

datum uitspraak 24 juni 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 16 mei 2002 in de strafzaak onder parketnummer 16/028576-01 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres]

thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens mededeling van de advocaat-generaal op de terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 mei 2002 en in hoger beroep van 10 juni 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voorzover thans nog aan de orde, ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 mei 2002 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Ter terechtzitting gevoerde verweren

1. De raadsman heeft -kort weergegeven- betoogd dat de door de rechter-commissaris op 13 augustus 2001 op vordering van de officier van justitie toegestane telefoontap op het GSM-nummer ([nummer]) van de verdachte -van wie op dat moment slechts bekend was dat hij een Surinaams/Antilliaans accent had en dat hij twee telefoongesprekken met na te noemen [naam] (die op dat moment was aangemerkt als verdachte in de zaak zoals in de tenlastelegging onder 1 omschreven) had gevoerd en die overigens op dat moment zelf in die zaak nog niet als verdachte in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafvordering was, noch kon worden aangemerkt- onrechtmatig is geweest. Dit, omdat niet zou zijn voldaan aan de in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering tot uiting gebrachte proportionaliteitseis die inhoudt dat het onderzoek het opnemen van telecommunicatie dringend vordert. De raadsman verbindt hieraan de conclusie dat de uit voormelde tap voortgekomen onderzoeksresultaten niet voor het bewijs mogen worden gebezigd en dat de naar aanleiding van die onderzoeksresultaten gevolgde aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het proces-verbaal van de verbalisanten C. de Jong en M. Vogel van 20 augustus 2001 blijkt ter zake van het opsporingsonderzoek met betrekking tot de overval op een geldtransportauto op 3 augustus 2001 te Utrecht -onder meer- dat voorafgaand aan de hiervoor bedoelde door de rechter-commissaris verleende machtiging:

- getuigen hadden verklaard dat een van de betrokkenen bij voormelde overval -te weten de bestuurder van de vluchtauto- een negroïde man was;

- kort na het plegen van de overval bij de Criminele Inlichtingen Eenheid van de regiopolitie Utrecht informatie was binnengekomen die inhield dat voormelde overval was gepleegd door -onder meer- [naam];

- op 9 en 10 augustus 2001 twee telefoongesprekken plaatsvonden tussen Celem voornoemd en een man met een Surinaams/Antilliaans accent die gebruik maakte van het GSM-nummer [nummer].

Naar het oordeel van het hof kan onder de hiervoor vermelde omstandigheden, mede in aanmerking genomen de ernst van het misdrijf en het in dit geval ontbreken van een adequaat alternatief voor de ingezette opsporingsmethode, niet worden gezegd dat deze is verleend met veronachtzaming van het proportionaliteitsvereiste. Ook overigens is niet gebleken van gebreken die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat voormelde machtiging op onrechtmatige wijze is verleend.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

2. De raadsman heeft voorts betoogd dat bij de zogeheten F-Oslo die is uitgevoerd met de getuige [getuige], gebruik is gemaakt van een foto van de verdachte die gemaakt moet zijn na diens inverzekeringstelling, doch zonder dat een daartoe strekkend bevel is gegeven door de officier van justitie of de rechter-commissaris. Derhalve is, aldus de raadsman, sprake van onrechtmatige toepassing van een dwangmiddel, hetgeen behoort te leiden tot uitsluiting voor het bewijs van de resultaten van voormelde F-Oslo.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De stelling van de raadsman dat de foto van de verdachte moet zijn gemaakt na diens inverzekeringstelling, doch zonder een daartoe strekkend bevel, is speculatief gebleven. Het lag op de weg van de verdachte, die bij uitstek weet of en zo ja wanneer, een foto van hem is gemaakt, hieromtrent mededeling te doen.

De verdachte heeft er evenwel voor gekozen zich op zijn zwijgrecht te beroepen. Dat is zijn recht.

Dat brengt evenwel in dit geval mee dat het betoog van de raadsman op dit punt als speculatief wordt gepasseerd. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit het aanvullend proces-verbaal van de verbalisant C. de Jong van 27 januari 2003 blijkt dat van de verdachte een drietal foto's uit drie verschillende politieregio's beschikbaar waren.

3. De raadsman heeft ten slotte een verweer gevoerd met betrekking tot de met verdachte uitgevoerde geuridentificatieproef. Het hof zal de resultaten van deze proef niet voor het bewijs gebruiken. Het verweer behoeft derhalve geen bespreking.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 primair en 4 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijs

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

hij op 3 augustus 2001 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldkoffer en (daarin) een sealbag met geld (ongeveer ƒ 20.000,--) toebehorende aan Brinks Nederland BV, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s)

- hun gelaat (grotendeels) had(den) verhuld (met een donkere (bivak)muts) en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onverhoeds en/of abrupt hebben benaderd en (daarbij)

- een (automatisch) vuurwapen, althans een sterk op een (automatisch) vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben getoond aan en gericht en gericht gehouden op die [slachtoffer 2] en (daarbij) tegen/in de richting van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geroepen: "Openen, openen" en/of "Niet laten ploffen, als hij ploft schiet ik" en/of "Onmiddellijk en snel die koffer openmaken" en/of "Ik tel tot drie", althans woorden met een dergelijke (dreigende) aard en/of strekking en

- dat vuurwapen of dat op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden op en/of in de richting van die [slachtoffer 1] en daarbij in de richting van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gebaard/geduid dat hij, [slachtoffer 1], de verfbom in de geldkoffer niet moest activeren;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op 18 augustus 2001 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander ter voorbereiding van (een) met anderen of een ander te plegen misdrijf/misdrijven waarop (telkens) naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging, voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing in vereniging, te plegen tegen (een) onbekend gebleven slachtoffer(s) en/of object(en), als volgt heeft gehandeld: hebbende/zijnde hij, verdachte en/of (een van) zijn mededaders opzettelijk

- zich begeven naar een locatie in Utrecht waar een bromfiets/scooter gereed stond en

- zich gehuld in donkere kleding en/of

- (dunne) handschoenen aangedaan en/of

- uitgestapt en op een (gereed staande) bromfiets/scooter en/of in een andere (gestolen) auto (Opel Corsa) hun weg vervolgd en/of

- een machinepistool (merk Zastava, model 61), kaliber 7.65 mm, met houder en (7) bijbehorende patronen en

- een machinepsitool (merk CZ, model 61), kaliber 7.65 mm, met houder en (10) bijbehorende patronen en

- bivakmuts(en) en/of een gezichtsmasker en

- handschoenen en/of

- een van diefstal afkomstige personenauto (merk Opel, type Corsa, kenteken GV-PB-81) en/of

- een bromfiets of scooter zonder frame- en motornummer en een integraalhelm (met donker vizier) en een (grijze) motorhelm en

- een (liter)fles chloor en

- een (politie)scanner (merk GRE) en

- mobiele telefoon(s),

alles kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf/die misdrijven, voorhanden gehad;

- ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde -

hij in de periode van 12 juli 2001 tot en met 3 augustus 2001 te Utrecht een bestelbus (een witte Misubishi L300) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

- ten aanzien van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde -

hij in de periode van 14 juli 2001 tot en met 3 augustus 2001 te Utrecht een personenauto (Opel Kadett, kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezengeachte:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte

medeplegen van voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het misdrijf als bedoeld in artikel 312 en/of 317 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen en vervoermiddelen, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft;

ten aanzien van het onder 3 subsidiair en 4 subsidiair bewezengeachte:

opzetheling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 4 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een geldtransportauto, waarbij niet alleen de bemanning van de geldauto, maar ook een omstander met vuurwapens is bedreigd. Een dergelijk misdrijf veroorzaakt grote gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers, die bovendien, naar de ervaring leert, dikwijls langdurig kampen met de psychische nasleep daarvan. Verdachte heeft bovendien bestaande gevoelens van onveiligheid in de samenleving versterkt.

Verdachte heeft zich voorts kort na deze overval schuldig gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van een soortgelijk delict.

Gebleken is dat verdachte en zijn mededaders zich professioneel hebben voorbereid bij het plegen van deze feiten.

Op deze bijzonder ernstige feiten dient te worden gereageerd met een gevangenisstraf van

aanzienlijke duur, waarbij het hof van oordeel is dat de door de advocaat-generaal gevorderde

straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het bewezengeachte.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 25 april 2003, is verdachte eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder afpersing, poging daartoe, diefstal vergezeld van bedreiging met geweld en andere vermogensdelicten.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46 (oud), 47, 57, 317 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (VIJF) JAREN;

beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Veldhuisen, Scholten en Voncken, in tegenwoordigheid van mr. Heijermans , griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2003.