Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN8176

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
02/06082
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesprekken over mogelijke directeursfunctie op onfatsoenlijke wijze beëindigd. Financiële genoegdoening van fl. 15.000 vormt geen loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-2189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achtste Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 11 oktober 2002, gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 12 september 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 1998.

De oorspronkelijke aanslag werd berekend naar een belastbaar inkomen van f 185.549. Bij de navorderingsaanslag is het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 200.549, waarvan ƒ 15.000 is belast naar het bijzondere tarief van 45%.

Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en van de navorderingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

Ter zitting (..)

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende was als adjunct-directeur in dienst van het (..)concern B. Na de benoeming van een nieuwe directeur medio 1995 heeft belanghebbende via bemiddelingsbureaus uitgezien naar een functie buiten B. Zijn leeftijd, toen 51 jaar, bleek daarbij een probleem.

2.2. In oktober 1996 is belanghebbende door een bemiddelingsbureau benaderd voor een functie bij C. Voor de vacatures op directieniveau was belanghebbendes leeftijd geen beletsel.

2.3. Kort daarop werd belanghebbende door een wederzijdse kennis benaderd over de functie van directeur bij het (..)bedrijf A B.V. te Q. Op 15 november en 10 december 1996 vonden gesprekken plaats met de directeur en (via een holding) aandeelhouder A, die zich uit het bedrijf wilde terugtrekken.

2.4. In een verklaring van 3 juni 2002 schrijft A: "(..) Naar het zich oorspronkelijk liet aanzien ontbrak het mijn neef D, werkzaam in de leiding van de onderneming, aan financiële middelen om het bedrijf over te kunnen nemen. Uw ambitie, leeftijd en ervaring sloten goed aan bij de vraag om de periode van 10 jaar te kunnen overbruggen totdat mijn zoon de leiding van het bedrijf op zich zou kunnen nemen. Over de beloning is slechts gesproken in de zin dat deze van dezelfde orde zou zijn als bij Uw toenmalige werkgever. Ik kan mij goed voorstellen dat de gevoerde gesprekken bij U het idee hebben gegeven dat wij tot overeenstemming zouden komen.

Na nader onderzoek bleek het voor mijn neef toch mogelijk om samen het de heer E het (..)bedrijf over te nemen en voort te zetten. (..)

Uit Uw directe reactie en bij latere contacten bleek dat U de kans om met ons over deze directeursfunctie tot overeenstemming te komen zo hoog had ingeschat dat U een andere gelijklopende sollicitatieprocedure voor een regionale directiefunctie bij een landelijk opererend (..)bedrijf had afgebroken. Gezien Uw leeftijd leek het U niet waarschijnlijk dat U opnieuw voor een soortgelijke functie zou worden benaderd ondanks Uw sterke wens om Uw loopbaan buiten B voort te zetten. Bovendien bleken in 1997/1998 de mogelijkheden om een vergelijkbare functie in eenzelfde woon-/leefomgeving te verwerven drastisch te zijn verkleind.

In het overleg van juni 1998 hebben wij U aangeboden een vergoeding te geven voor deze door U geleden immateriële schade welke door ons was veroorzaakt. U hebt daartoe op 22 juni 1998 een factuur ingediend voor een bedrag van fl. 15.000,= welk bedrag door ons betaald is."

2.5. Belanghebbende heeft A van zijn 'katterige' gevoel op de hoogte gesteld via de wederzijdse kennis en nogmaals in juni 1998 bij een vergadering van de stichting 'F', waarvan zij beiden lid waren. A heeft belanghebbende toen uitgenodigd een factuur aan A Holding te zenden. De inhoud daarvan luidt: 'Zoals overeengekomen breng ik u in rekening als vergoeding voor de sollicitatie in november 1996 een bedrag van f 15.000,-.'

2.6. In zijn aangifte over 1998 heeft belanghebbende, na anoniem telefonisch te hebben geïnformeerd bij twee inspecties, de vergoeding niet opgenomen.

De inspecteur heeft, na kennisname van het ontvangen bedrag, een navorderingsaanslag opgelegd waarbij het bedrag van ƒ 15.000 is belast naar het bijzondere tarief van 45%. Er is geen boete opgelegd.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het bedrag van ƒ 15.000 tot het belastbare inkomen moet worden gerekend, zoals de inspecteur stelt en belanghebbende bestrijdt.

4. Standpunten van partijen

Voor de motivering van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

Ter zitting is daaraan toegevoegd, zakelijk weergegeven:

4.1. door en namens belanghebbende:

De gesprekken met A vonden plaats op 15 november en 10 december 1996. Ik voelde mij door A 'gebruikt' om het management happiger te maken. Zonder bericht vooraf werd op 20 december 1996 plots de overname door het bestaande management aangekondigd.

Het contact met A was gelopen via een wederzijdse kennis bij de stichting F. Aan hem heb ik mijn gevoelen gemeld en hij heeft het weer aan A doorgegeven.

De gesprekken met A waren nog niet in de fase dat ik op een aanstelling kon vertrouwen.

Aantasting van eer en goede naam speelt hier geen rol. Belanghebbende heeft ook geen enkele inkomensschade geleden. Het verband tussen de betaling en een toekomstige dienstbetrekking is in dit geval onvoldoende.

A is een fatsoenlijk mens die het er persoonlijk moeilijk mee had dat het zo gelopen was.

4.2. door de inspecteur:

Het arrest BNB 1986/354 is duidelijk. Van immateriële schade is geen sprake. Het is inherent aan een sollicitatie dat deze soms niet tot een aanstelling leidt.

Dat belanghebbende een andere sollicitatie heeft stopgezet, duidt erop dat er meer was dan enkel een oriënterend gesprek.

A Holding was in 1996 nog de aandeelhouder van het (..)bedrijf.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingeval vergevorderde onderhandelingen over de totstandkoming van een dienstbetrekking worden afgebroken en zulks aanleiding geeft tot een dading op grond waarvan de beoogde werkgever aan zijn tegenpartij een schadevergoeding uitkeert, moet, behoudens voor zover het tegendeel komt vast te staan, worden aangenomen dat deze vergoeding betrekking heeft op loon dat zou zijn genoten indien de dienstbetrekking wel zou zijn tot stand gekomen.

Alsdan dient de vergoeding te worden gerangschikt onder de inkomsten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wet IB 1964. Tot de in die bepaling bedoelde inkomsten behoren ook inkomsten uit een dienstbetrekking die niet tot stand is gekomen, doch waarop de belastingplichtige een zodanige aanspraak kon maken dat hem wegens het gemis daarvan een schadeloosstelling is toegekend.

5.2. Gelet op de geloofwaardige verklaringen van belanghebbende en van A in diens schrijven van 3 juni 2002 is het Hof van oordeel dat in het onderhavige geval nog geen sprake was van onderhandelingen over de totstandkoming van een dienstbetrekking die zich in een zo ver gevorderd stadium bevonden dat A, door de gesprekken met belanghebbende rauwelijks te beëindigen, onrechtmatig jegens belanghebbende heeft gehandeld.

Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende enige aanspraak kon maken op een schadeloosstelling wegens het plotseling afbreken van de gesprekken over een mogelijke functie bij het (..)bedrijf van A.

Ook is niet gesteld of gebleken dat belanghebbende ooit aanspraak heeft gemaakt op een geldelijke vergoeding voor geleden schade in materiële zin.

5.3. Wel acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich, zoals hij stelt, 'gebruikt' heeft gevoeld en zonder fatsoenlijke vooraankondiging overvallen werd door het bericht dat het bestaande management de zaak toch had overgenomen, en dat hij daarvan blijk heeft gegeven aan A toen hij deze na anderhalf jaar weer ontmoette in de setting van de stichting F, waarbij zij zich beiden betrokken voelden.

Ook hecht het Hof geloof aan belanghebbendes uitlating ter zitting dat A daar als fatsoenlijk mens moeite mee had en daarom voorstelde enige financiële genoegdoening te verstrekken.

5.4. Onder de hiervoor vastgestelde omstandigheden is naar 's Hofs oordeel voldoende komen vast te staan dat de vergoeding geen betrekking heeft op loon dat zou zijn genoten indien de dienstbetrekking wel tot stand zou zijn gekomen, zulks in de onder 5.1. bedoelde zin, en is de daar vermelde uitzondering ('behoudens voor zover het tegendeel komt vast te staan') hier van toepassing.

5.5. De slotsom luidt dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het gelijk is gesteld, acht het Hof termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de proceskosten gesteld op € 322 voor beroepsmatig verleende bijstand ter zitting (A.8. = 1 punt; C. factor 1 ; € 322 per punt).

Van andere ingevolge voormeld Besluit voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

7. Beslissing

Het Hof

n verklaart het beroep gegrond;

n vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

n vernietigt de navorderingslag;

n veroordeelt de inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van € 322 aan proceskosten en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;

n gelast de Staat het betaalde griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 14 november 2003 door mr. Schaap in tegenwoordigheid van mr. Rentenaar-Groot als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. *Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.