Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7539

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
03/00252 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Uitspraak op bezwaarschrift ten onrechte door inspecteur aangeduid als 'Beschikking'. Bezwaar tegen 'beschikking' terecht doorgezonden als onjuist geadresseerd beroep. In aangifte is de aflossing van een turbo-lening opgenomen als P.M. Bij boekenonderzoek is omvang van de aflossing gebleken. Dit levert nieuw feit op dat navordering rechtvaardigt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 8
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-2129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vijfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een beslissing van de inspecteur van de Belastingdienst/Ondernemingen P met dagtekening 3 december 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996.

Het Hof heeft het beroep behandeld ter zitting van 9 oktober 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. Belanghebbende was destijds, in 1996, gehuwd met Y; zij had in dat jaar het hoogste persoonlijke inkomen bestaande uit haar aandeel in de met haar echtegenoot gedreven vennootschap onder firma.

Inmiddels is belanghebbende gescheiden.

1.2. In het dossier van de gemachtigde waren een tweetal notities aanwezig van 14 april 1997 en 31 maart 1998 met de tekst "Y IB '96" "Aangifte laten liggen. er moet nog bij inkomsten Turbo BV afl. R/C schuld" "dividend aangeven P.M. en dan insturen". Voorts beschikte de gemachtigde medio 1997 over een brief van een derde over de "Turbo-problematiek" met de handgeschreven tekst "14/8/97 Let op bij IB 1996 Y!".

1.3. Belanghebbende heeft in april 1998 aangifte gedaan van een negatief inkomen over 1996 van f 13.482. Noch de gemachtigde, noch de inspecteur beschikken over een afschrift van deze aangifte. Tot de stukken behoort slechts een door de gemachtigde gemaakte uitdraai van een compilatie van de aangifte, gevoegd bij het originele aangiftebiljet, met de volgende tekst

INKOMSTEN UIT EFFECTEN

Dividenden waarop Nederlandse div. belasting is ingehouden

A B.V. dividend P.M.

Tussen partijen is niet in geschil dat de aanduiding P.M. ook voorkwam op het originele aangiftebiljet.

1.4. In april 2000 heeft de inspecteur een boekenonderzoek laten instellen naar de aanvaardbaarheid van de aangifte van belanghebbende. De controlemedewerker heeft zijn rapport uitgebracht in november 2001. In het rapport constateert de controlemedewerker dat belanghebbende in 1996 winst uit aanmerkelijk belang heeft genoten tot een bedrag van f 195.926.

1.5. Op 21 december 2001 heeft de inspecteur de in geschil zijnde navorderingsaanslag opgelegd, uitkomende op een te betalen belastingbedrag van f 43.019, nog verhoogd met een boete van f 21.509. De gemachtigde heeft tegen deze navorderingsaanslag tijdig bezwaar gemaakt.

1.6. Na een aantal contacten tussen de gemachtigde en de inspecteur, heeft de inspecteur op 22 november 2002 aan de gemachtigde een brief geschreven met de kop "Toelichting op UITSPRAAK Bezwaarschrift inkomstenbelasting 1996". De inspecteur heeft met dagtekening 3 december 2002 een beschikking genomen en daarbij het belastbaar inkomen nader vastgesteld op f 165.444; het bedrag van de enkelvoudige belasting heeft hij verlaagd tot f 39.619 en de boete tot f 4.400. De beschikking vermeldt in de kop het woord "Beschikking" en aan de onderzijde "Voor de toelichting op de uitspraak wordt verwezen naar de brief van 22 november 2002. Bezwaar is ontvankelijk.".

1.7. Op 6 januari 2003 heeft de gemachtigde per fax bezwaar gemaakt tegen de "beschikking". De inspecteur heeft dit stuk aangemerkt als een beroepschrift en doorgestuurd aan de griffie.

2.1. De gemachtigde heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en de opgelegde boete. De inspecteur heeft op het bezwaar een beschikking genomen die niet anders valt te duiden dan als een uitspraak op dat bezwaarschrift. Weliswaar bevat de koptekst de aanduiding "beschikking" doch naar het oordeel van het Hof is niet voor twijfel vatbaar dat de inspecteur een beslissing heeft genomen op het bezwaar, een beslissing die hij heeft aangekondigd op 22 november 2002 en die ook aan de onderzijde van het stuk is aangeduid als uitspraak.

De inspecteur heeft het faxbericht van 6 januari 2003 dan ook terecht doorgestuurd aan het Hof, zulks op grond van het bepaalde in artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2. Het Hof acht aannemelijk dat het ingediende aangiftebiljet niet meer gegevens bevatte dan zoals die voorkomen op de uitdraai, genoemd in onderdeel 1.3. Naar 's-Hofs oordeel heeft de inspecteur geen ambtelijk verzuim begaan door bij het opleggen van de aanslag geen nader onderzoek te doen naar de achtergronden van de vermelding P.M. in het aangiftebiljet. Daarbij acht het Hof van belang dat een dergelijke aanduiding veeleer de veronderstelling wettigt dat er sprake is van een voordeel van een onbetekenende omvang, dan dat er sprake zou moeten zijn van enig aanmerkelijk belang op de voet van het bepaalde in artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (tekst 1996 op grond van artikel XV, tweede lid, van Wet van 13 december 1996, Stb. 652 tot wijziging van enige belastingwetten (herziening regime ter zake van winst uit aanmerkelijk belang, consumptieve rente en vermogensbelasting)). Het eerste lid van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) vormt dan ook geen verhindering voor het opleggen van de in geschil zijnde navorderingsaanslag.

2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag qua omvang van de belastingschuld, juist is berekend. Het Hof ziet geen reden voor een ander oordeel.

2.4. Met betrekking tot de boete acht het Hof het volgende van belang:

- De wijze van aangifte doen met de aanduiding als verwoord onder 1.3 is in strijd met het bepaalde in artikel 8, eerste lid letter a, van de Awr. Nu de gemachtigde op de hoogte was van de belastbaarheid van het voordeel doch dit niet nader heeft geëxpliciteerd in de aangifte dan wel in een begeleidende brief, heeft deze gemachtigde willens en wetens het risico aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven en in zoverre is er sprake van het opzettelijk doen van een onjuiste, dan wel onvolledige aangifte met als mogelijk gevolg dat te weinig belasting zou worden geheven. Daarbij merkt het Hof nog op dat de gemachtigde niet gesteld heeft dat hij na het doen van aangifte enig initiatief heeft genomen om de inspecteur te verwittigen van het feit dat er sprake was van enig belastbaar voordeel.

- Belanghebbende heeft niet gesteld (laat staan aangetoond) dat zij in redelijkheid niet zou hoeven twijfelen aan de juistheid van het handelen van de gemachtigde. Het opzet van de gemachtigde is dan ook aan haar toe te rekenen. In beginsel is een boete van 50% dan ook op zijn plaats en daaraan doet niet af dat de gemachtigde uiteindelijk de inspecteur gewezen heeft op het feit dat de heffing zou moeten plaatsvinden bij belanghebbende en niet bij haar ex-echtgenoot.

- De inspecteur heeft de verhoging verminderd in verband met de behandelingsduur, de aard van de gedraging en de financiële situatie van belanghebbende.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur terecht met deze feiten en omstandigheden rekening gehouden en geven deze geen aanleiding tot een verdere matiging van de opgelegde boete.

3. Het hof acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende.

De uitspraak is gedaan op 23 oktober 2003 door mr. Boersma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Wier als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.