Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7513

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-10-2003
Datum publicatie
05-11-2003
Zaaknummer
02/04383
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AQ7394
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AQ7394
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof staan het systeem van de Wet en de bedoeling daarvan zoals deze in de parlementaire behandeling tot uiting komt niet toe dat tot de in artikel 38, zevende lid, van de Wet, bedoelde 'inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben' ook de winst uit aanmerkelijk belang kan worden gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2003/620
V-N 2004/22.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van de gemachtigde van belanghebbende, mr. A, is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 8 juli 2002, aangevuld bij schrijven van 27 augustus 2002. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 13 juni 2002, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999.

1.2. Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een negatief belastbaar inkomen van ¦ 128.220. De op 8 februari 2002 gedagtekende aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 is in afwijking daarvan opgelegd naar een belastbaar inkomen van ¦ 812.478. Het tegen deze aanslag ingediende bezwaarschrift is op 26 februari 2002 ingekomen ter inspectie. In zijn uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de aanslag gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot het verminderen van het belastbaar inkomen met ¦ 74.643 in verband met aftrekbare kosten. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.4. Het beroep is op 20 mei 2003 ter zitting behandeld. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.5. Op 3 juni 2003 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan waarvan het pro-ces-verbaal op 17 juni 2003 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief, ter griffie ontvangen op 24 juni 2003, is door belanghebbende verzocht de mon-delinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 43,50 is tijdig op de bankrekening van het Hof gestort.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1950, heeft een aandelenportefeuille verworven, is daarvoor een tweetal leningen aangegaan en was ter zake van die leningen in 1999 ¦ 128.662 rente verschuldigd. Belanghebbende genoot in 1999 ter zake van de aandelenportefeuille dividenden tot een totaal bedrag van ¦ 29.379 waaraan kosten waren verbonden van ¦ 315. Ook genoot belanghebbende ¦ 19.815 rente op banktegoeden. Belanghebbende is voorts aanmerkelijkbelanghouder van een aantal vennootschappen en genoot ter zake daarvan in 1999 ¦ 80.000 dividend als winst uit aanmerkelijk belang.

2.2. Van de in de aangifte verantwoorde rente van geldleningen ad ƒ 128.662 heeft de inspecteur met toepassing van artikel 38, zevende lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) ƒ 48.879 (= ƒ 29.379 + ƒ 315 + ƒ 19.815) in aftrek toegestaan. Van voornoemd bedrag ad ƒ 128.662 is derhalve ƒ 79.783 (= ƒ 128.662 -/- ƒ 48.879) niet in aftrek aanvaard. Voorts heeft de inspecteur van evenvermelde ƒ 79.783, op de voet van artikel 45, vierde lid, van de Wet en in afwijking van de aangifte, ƒ 5.202 als persoonlijke verplichting in aftrek toegestaan. In de aangifte was ter zake van rente van schulden een bedrag van ƒ 51 als aftrekpost in aanmerking genomen.

2.3. In zijn bezwaarschrift heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het belastbaar inkomen behoort te worden vastgesteld op ƒ 737.846 (= ƒ 812.478 -/- ƒ 79.783 + ƒ 5.202 -/- ƒ 51).

2.4. Bij de uitspraak op het bezwaarschrift is alsnog ƒ 4.583 als te verrekenen buitenlandse bronbelasting in aanmerking genomen, is de aanmerkelijkbelangwinst alsnog belast naar het bijzondere tarief van 25% en is het bij het opleggen van de aanslag vastgestelde belastbaar inkomen gehandhaafd op ƒ 812.478.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het onder 2.1 vermelde bedrag aan rente van ƒ 128.662 volledig voor aftrek in aanmerking komt, zoals belanghebbende stelt, dan wel of deze aftrek wordt beperkt door hetgeen met ingang van 1999 is bepaald in artikel 38, zevende lid, van de Wet.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In een brief aan de gemachtigde van belanghebbende van 7 januari 2002 heeft de inspecteur de opgelegde aanslag onder meer als volgt toegelicht:

"Bij deze bericht ik u over de afdoening van de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999 ten name van de heer X.

Wij kwamen reeds overeen, dat het belastbare inkomen moet worden verhoogd met een bedrag ad f 855 000 (€ 387 982), zijnde een dividenduitkering uit het aanmerkelijk belang in het aandelenkapitaal van B BV.

Daarnaast zal ik echter nog de volgende correcties toepassen:

1) beperking renteaftrek fl 79 783 (€ 35 663,58)

2) meer aftrek rente van schulden 5 202 (€ 2 360,56)

3) minder aftrek buitengewone lasten 11 066 (€ 5 021,53)

Toelichting

1) In artikel 38 lid 7 wet inkomstenbelasting 1964 (wet IB) is bepaald dat rente die is voldaan ter zake van schulden, aangegaan ter verwerving van rechten die niet op zaken betrekking hebben, slechts aftrekbaar zijn tot het bedrag aan inkomsten uit zulke rechten. In de telefonische en schriftelijke gedachtewisseling die wij hierover reeds hebben gevoerd is aan de orde gekomen dat het aandelenbezit dat kwalificeert als aanmerkelijk belang in de zin van artikel 20 wet IB ook moet worden gerekend tot de rechten die niet op zaken betrekking hebben. U trok daaruit de conclusie dat bij de saldering van artikel 38 lid 7 ook de voordelen uit aanmerkelijk belang zouden moeten worden meegenomen. Ik heb u toen medegedeeld dat dit niet de bedoeling van de wetgever was. (…)

2) De betaalde rente, die op grond van het voorgaande niet als bronrente in aftrek komt, wordt in aanmerking genomen als persoonlijke verplichtingen voorzover daardoor de maximale aftrek niet wordt overschreden.

3) Het onzuivere inkomen bedraagt, met inachtneming van al het voorafgaande: f 818 308 (€ 71 331,98). Het drempelbedrag voor de buitengewone lasten komt daarmee op f 12 578 (€ 5 708).

Het belastbare inkomen over 1999 wordt hierdoor vastgesteld op f 812 478 (€ 368 686, 64)"

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de door hem genoten winst uit aanmerkelijk belang ook tot de 'inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben' als bedoeld in artikel 38, zevende lid, van de Wet, moet worden gerekend. Het Hof oordeelt hierover als volgt.

5.2. In de artikelen 3 en 4 van de Wet is vastgelegd dat de inkomstenbelasting wordt geheven naar het belastbaar inkomen en dat dit inkomen onder meer bestaat uit het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige als winst uit onderneming, winst uit aanmerkelijk belang en zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen geniet.

5.3. In de artikelen 20a en 20h van de Wet (tekst 1999) is bepaald dat als winst uit aanmerkelijk belang wordt aangemerkt het gezamenlijke bedrag van de niet als winst uit onderneming aan te merken voordelen welke worden getrokken uit tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen verminderd met de aftrekbare kosten opgevat overeenkomstig artikel 35 en artikel 36 van de Wet, en dat die aftrekbare kosten in aanmerking worden genomen op het tijdstip bepaald overeenkomstig artikel 38, eerste tot en met zesde lid, van de Wet.

5.4. Ingevolge de artikelen 21 en 24 van de Wet worden als zuivere inkomsten uit vermogen aangemerkt alle niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken voordelen die worden getrokken uit onroerende en roerende zaken en uit rechten die niet op zaken betrekking hebben verminderd met de op die inkomsten drukkende aftrekbare kosten voor zover zij zijn gemaakt tot verwerving, inning en behoud van die inkomsten. Op grond van artikel 38, eerste lid, van de Wet, worden deze aftrekbare kosten in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden. Hierbij dient evenwel de onder 3 vermelde aftrekbeperking van art. 38, zevende lid, van de Wet, in aanmerking te worden genomen.

5.5. In de Memorie van Toelichting van de Wet van 17 december 1998, Stb. 725 (Kamerstukken II 1998-1999, 26 245, nr 3, blz. 26 en blz. 24), is over de invoering van de in artikel 38, zevende lid, van de Wet, opgenomen aftrekbeperking onder meer het volgende opgemerkt:

"Voor rechten die niet op zaken betrekking hebben - een fiscale term voor aandelen, obligaties, schuldvorderingen, etc. - worden (…) met ingang van 1999 de belastbare inkomsten enerzijds en de financieringsrenten anderzijds gesaldeerd. Aandelen die deel uitmaken van een aanmerkelijk belang worden overigens niet in de saldering betrokken."

en

"De wijziging van artikel 20h, tweede lid, is van technische aard en houdt verband met de toevoeging van een zevende lid aan artikel 38 dat geen toepassing vindt op winst uit aanmerkelijk belang."

5.6. Naar het oordeel van het Hof staan het systeem van de Wet en de bedoeling daarvan zoals deze in de parlementaire behandeling tot uiting komt niet toe dat tot de in artikel 38, zevende lid, van de Wet, bedoelde 'inkomsten uit rechten die niet op zaken betrekking hebben' ook de winst uit aanmerkelijk belang kan worden gerekend. De in 1999 door belanghebbende genoten winst uit aanmerkelijk belang kan derhalve niet aan de hiervoor bedoelde 'inkomsten uit rechten die op zaken betrekking hebben' worden toegerekend. Gelet hierop verklaart het Hof het beroep ongegrond.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 28 oktober 2003 ter vervanging van de mondelinge uitspraak door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van

mr. Couperus als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

a) Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

b) Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

c) Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.