Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7436

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2003
Datum publicatie
05-11-2003
Zaaknummer
02/01089
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling ex artikel 2, eerste lid, aanhef en sub d, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ. Nabij NS-station gelegen busstation heeft als openbare landweg te gelden in de zin van de vrijstellingsbepalingen nu aan het busstation, blijkens de wijze waarop het is ingericht en door de belanghebbende, de busmaatschappij, overeenkomstig de publieksrechtelijke bestemming wordt gebruikt, de bestemming van openbare weg is gegeven. Die inrichtings- en gebruikswijze zijn erop gericht op het busstation te doen functioneren ten behoeve van het openbaar vervoer en daarmee om het busstation in beginsel voor een ieder toegankelijk te doen zijn. Dat er verkeersbeperkende maatregelen gelden (alleen toegankelijk voor bussen en voetgangers) doet hieraan niet af omdat deze moeten worden geacht hun oorzaak te vinden in de vereisten van een goed functionerend openbaar vervoer.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 18
Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/143
V-N 2004/7.25 met annotatie van Redactie
FutD 2003-1923
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de naamloze vennootschap X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de teamleider van het team Belastingen van de gemeente Beverwijk, verweerder.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 30 januari 2002. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder van 21 december 2001, betreffende de ten name van belanghebbende genomen beschikking van 31 mei 2001, waarbij van het busstation op het Stationsplein te Beverwijk de waarde in de zin van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet woz) is vastgesteld op ƒ 356.000 (€ 161.545), zulks naar de waardepeildatum 1 januari 1999 en voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

1.2. Na bezwaar tegen de genoemde beschikking heeft verweerder de waarde gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en tot vernietiging van de door verweerder afgegeven waardebeschikking.

1.4. Verweerder heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. Het beroep is behandeld ter zitting van de Zestiende Enkelvoudige Belastingkamer van 12 maart 2003. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt dat tot de gedingstukken behoort. Het lid van die enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de Vierde Meervoudige Belastingkamer. Ter zitting van laatstgenoemde kamer van 20 juni 2003 zijn verschenen namens belanghebbende A, tot bijstand vergezeld van B en C, en namens verweerder D, tot bijstand vergezeld E.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende houdt zich onder meer bezig met openbaar personenvervoer per bus. Van het Regionaal Orgaan Amsterdam heeft zij een concessie verkregen om zodanig vervoer te verrichten in onder meer Noord-Holland. In dat kader verzorgt zij lijndiensten die het NS-station van Beverwijk aandoen. Haar concessie heeft in dat verband een exclusief karakter. Ten behoeve van de desbetreffende bussen is op het Stationsplein aldaar een busstation ingericht, zulks overeenkomstig de voor het desbetreffende perceel geldende bestemming. Het busstation (het perceel en de daarop aangebrachte voorzieningen) is eigendom van Y. De oppervlakte ervan bedraagt circa 2365 m².

2.2. Genoemd busstation fungeert als in- en uitstapplaats voor de door belanghebbende vervoerde passagiers. Het is niet ingericht op het gebruik door andere voertuigen dan belanghebbendes bussen, noch op het parkeren van enig voertuig. Het bestaat uit een rechthoekig gedeelte van het Stationsplein, gelegen naast de zuidelijke rijstrook van de openbare rijweg de Halve Maan. Voertuigen die over die rijstrook in noordoostelijke richting in de richting van het NS-station rijden, kunnen direct vóór het busstation rechtsaf slaan, het Stationsplein op. De weg waarover men aldus komt te rijden, is door een onderbroken-streepmarkering in tweeën gedeeld: de rechterweghelft (vanuit de beschreven, als enige toegestane, rijrichting gezien) staat open voor alle voertuigen. De linkerweghelft (op dezelfde wijze gezien) is een busbaan ten behoeve van belanghebbendes bussen. Dat dat weggedeelte als zodanig wordt gebruikt, wordt bevorderd doordat aan het begin ervan, links op het trottoir, een verkeersbord staat (rond met wit vlak en rode rand: verboden in te rijden), met een onderbord met de tekst "alleen voor lijnbussen". Belanghebbendes bussen die die weghelft volgen, slaan vervolgens linksaf, teneinde zich op te stellen bij één van de vijf in- en uitstapplaatsen op het busstation: langgerekte en parallelle trottoirverhogingen in de weg, elk onder meer voorzien van een aanduiding (bord met paal) van het desbetreffende busnummer en een vertrekstaat. Bij dat linksaf slaan overschrijden zij een ononderbroken-streepmarkering die op de weg is aangegeven ter afbakening van het rechthoekige weggedeelte waarop de in- en uitstapplaatsen zich bevinden. Wanneer de bussen bij die in- en uitstapplaatsen wegrijden, dienen zij wederom linksaf te slaan teneinde hun weg op de voornoemde weg de Halve Maan te vervolgen. Op de plaats waarop zij alsdan weer op de weg de Halve Maan komen, staat -in de richting gekeerd van het verkeer op die weg- soortgelijke bebording als hiervoor omschreven. De bestrating van de weghelft aan de ene zijde van de genoemde ononderbroken streep verschilt van de bestrating aan de andere zijde ervan; er is een andere klinkersoort gebruikt. Het busstation is vrij toegankelijk voor voetgangers, ook voor degenen die niet van het openbaar busvervoer gebruik wensen te maken.

2.3. Verweerder heeft belanghebbende aangemerkt als gebruiker van het busstation in de zin van de desbetreffende bepalingen in de Gemeentewet en de Wet woz en de waarde ervan als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet woz in een op haar naam gestelde beschikking vastgesteld als onder 1.1. omschreven. Hij heeft een taxatierapport overgelegd van de hand van taxateur F, die de waarde van het busstation taxeert op ƒ 368.000 (€ 167.038). Van dat taxatierapport maken deel uit een foto van het busstation en een plattegrond van de situatie op en rond het Stationsplein te Beverwijk, het gedeelte waarop het busstation ligt daaronder begrepen.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of het busstation een onroerende zaak is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en sub d, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Uitvoeringsregeling), te weten openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken, welke onroerende zaken bij de waardebepaling buiten aanmerking dienen te worden gelaten. Voorts is in geschil of belanghebbende terecht als gebruiker van het busstation is aangemerkt in de zin van het bepaalde in de Gemeentewet en de Wet woz. Ook is de waarde van het busstation in geding.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Ter zitting van 20 juni 2003 hebben partijen aan hun stellingen en de daartoe gebezigde argumenten het volgende toegevoegd, zakelijk weergegeven:

4.1.1. belanghebbende:

Anders dan mogelijkerwijs uit ons beroepschrift kan worden afgeleid is de juistheid van de door verweerder vastgestelde waarde nog steeds in geschil. In Zaanstad speelt dezelfde situatie als hier: ook daar verzorgen wij het openbaar vervoer per bus met gebruikmaking van een busstation dat eigendom is van NS Vastgoed B.V. en bestaat er geen contractuele band tussen ons en die B.V. De gemeente Zaanstad is van oordeel dat wij geen gebruiker zijn van dat busstation in de zin van de Gemeentewet en de Wet woz en dat het busstation aldaar deel uitmaakt van de (krachtens de Uitvoeringsregeling vrijgestelde) openbare weg. In Zaanstad hebben wij daarom geen waardebeschikking en ozb-aanslag gekregen. In andere gemeenten met vergelijkbare situaties, waaronder Alkmaar, Den Haag (het busplatform van het treinstation Den Haag CS), Oude Tonge en Heijningen, ligt dat anders. Die gemeenten hebben ons wel als gebruiker van het busstation aangemerkt en ons een ozb-aanslag gezonden. Tegen de handelwijze van de gemeente Alkmaar loopt een beroepszaak bij uw Hof.

Het busstation in Beverwijk is alleen toegankelijk voor voetgangers en bussen. In de voorwaarden die zijn verbonden aan onze concessie staat dat dat alleen onze bussen zijn. Hoewel het niet de bedoeling is, gebruiken ook wel eens niet-openbaarvervoerders het busstation om passagiers in hun touringcars te laten in- en uitstappen. Wij zijn echter niet bevoegd om dat gebruik te verbieden of die touringcars weg te sturen. Wij hebben geen invloed op de keuze van de plaats waar het busstation ligt. Dat het busstation door de keuze van de bestratingsoort en door belijning is afgebakend, heeft slechts een functionele betekenis. Wij blijven van oordeel dat het busstation niets anders is dan een verzameling, van de openbare weg deel uitmakende, bushaltes. Er bestaat in zoverre geen verschil met 'losse' haltes die elders in de gemeente zijn gelegen en ten aanzien waarvan verweerder ons standpunt erkent. Ter zake van die 'losse' haltes zijn we immers niet belastingplichtig. Het busstation vormt voor geen enkele van onze buslijnen het eind- of beginpunt. De bussen pauzeren er niet. Ook parkeren wij er geen bussen. Het busstation is niet ingericht op het parkeren van enig voertuig en bevat overigens geen voorzieningen voor personeel. Wel vinden er op het busstation chauffeurswisselingen plaats; in verband daarmede beschikken wij elders in de buurt van het busstation over een verblijfsvoorziening voor onze chauffeurs. Wij vinden het goed dat de uitspraak zonder nadere aankondiging aan ons wordt toegezonden zodra deze gereed is.

4.1.2. verweerder:

Het is lastig om adequaat te reageren op het feit dat belanghebbende van de gemeente Zaanstad geen waardebeschikking heeft ontvangen, omdat wij de situatie aldaar niet kennen. Omdat die situatie kan verschillen van de situatie in Beverwijk, zegt dat feit op zichzelf bezien niets over onze handelwijze. Wij wijzen u op de overgelegde plattegrond van het Stationsplein aan hoe de situatie in Beverwijk is. Voertuigen die over de zuidelijke rijstrook van de weg de Halve Maan rijden, in noordoostelijke richting, naar het NS-station toe, kunnen direct vóór het busstation rechtsaf slaan, het Stationsplein op. De weg die zij dan inslaan, is door een onderbroken-streepmarkering in tweeën gedeeld: de rechterweghelft (vanuit die, als enige toegestane, rijrichting gezien) staat open voor alle voertuigen. De linkerweghelft (op dezelfde wijze gezien) is een busbaan voor belanghebbendes bussen. Dat staat aangegeven met een links op het trottoir geplaatst verkeersbord (rond met wit vlak en rode rand: verboden in te rijden), met een onderbord met de tekst "alleen voor lijnbussen". Belanghebbendes bussen die die busbaan nemen, draaien vervolgens linksom, naar de in- en uitstapplaatsen toe. U kunt op de overgelegde foto zien hoe die eruit zien. Zij zijn voorzien van een aanduiding (bord met paal) van het desbetreffende busnummer en een vertrekstaat. Bij dat linksaf slaan overschrijden de bussen een ononderbroken-streepmarkering die op de weg is aangegeven ter afbakening van het rechthoekige weggedeelte waarop de in- en uitstapplaatsen zich bevinden. Als de bussen weer wegrijden, moeten ze weer linksaf draaien om op de weg de Halve Maan hun weg te kunnen vervolgen. Op de plaats waarop zij dan weer op de weg de Halve Maan komen, staat -in de richting gekeerd van het verkeer op die weg- soortgelijke bebording als zojuist omschreven. De bestrating van de weghelft aan de ene zijde van de genoemde ononderbroken streep verschilt van de bestrating aan de andere zijde ervan; er is een andere klinkersoort gebruikt. Het gebruik dat niet-openbaarvervoerders met touringcars van het busstation maken, is slechts incidenteel. De voorzitter vraagt ons of een gedeelte van een openbare weg dat uitsluitend als busbaan mag worden gebruikt, daardoor het karakter van openbare weg verliest. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. De voorzitter vraagt ons voorts hoe het in dat verband zit met een invalidenparkeerplaats waarop slechts een auto met een bepaald kenteken mag parkeren. Die vormt waarschijnlijk ook nog onderdeel van de openbare weg, maar daar begint al wel een grijs gebied. Wij vinden het goed dat de uitspraak zonder nadere aankondiging aan ons wordt toegezonden zodra deze gereed is.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbendes verweer dat het busstation bij de waardebepaling ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en sub d, Uitvoeringsregeling buiten aanmerking dient te worden gelaten, strekt verder dan haar overige verweren. Wanneer dat verweer doel treft, heeft verweerder immers ten onrechte een waarde vastgesteld voor het busstation, wie daarvan ook als gebruiker moet worden aangemerkt. Het Hof zal dat verweer dan ook als eerste beoordelen.

5.2. In het licht van genoemde wetsbepaling dient de vraag te worden beantwoord of ten aanzien van het busstation sprake is van een openbare (land)weg, kunstwerken daarbij inbegrepen. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord op de grond dat het busstation overeenkomstig de geldende publieksrechtelijke bestemming is ingericht en feitelijk functioneert ten behoeve van het openbare vervoer en dat het wordt gevormd door een weggedeelte dat -juist gelet op het openbare karakter van het vervoer- de functie heeft om het verkeer daarover voor in beginsel een ieder mogelijk te maken en dat daartoe ook voor in beginsel een ieder toegankelijk is. Dat met behulp van de ter plekke getroffen maatregelen wordt bevorderd dat de door belanghebbende aangeduide rijstroken aan weerszijden van de in- en uitstapplaatsen en de weggedeelten tussen die in- en uitstapplaatsen, slechts door belanghebbendes bussen en voetgangers worden gebruikt en die in- en uitstapplaatsen zelf slechts door voetgangers, leidt niet tot een ander oordeel. Gebruiksbeperkingen als deze, die naar aard en/of uitwerking er niet toe strekken het openbare verkeer in te perken of personen daarvan uit te sluiten, doch zich slechts op de modaliteit van het weggebruik richten, moeten immers worden geacht hun oorzaak bij uitstek te vinden in de vereisten die een goed functionerend openbaar verkeer van personen of voertuigen (waarvan het openbare busvervoer deel uitmaakt) meebrengt. Waar op deze gronden een enkele bushalte die in de openbare weg is gelegen en die niet of beperkt mag of kan worden gebruikt door andere verkeersdeelnemers dan bussen in het kader van het openbaar vervoer, het karakter van openbare weg toekomt, is er geen reden om aan een verzameling van zodanige bushaltes, wat het in geding zijnde object in wezen is, dat karakter te ontzeggen.

5.3. Ook bestaat er geen grond in het licht van het hier relevante criterium onderscheid te maken tussen de in- en uitstapplaatsen (de verhoogde trottoirgedeelten) van het busstation enerzijds en de rest van de (openbare) weg van het busstation anderzijds. Niet alleen vormen die in- en uitstapplaatsen van het gehele busstation een onderdeel dat een onmisbare rol speelt omdat het busstation zonder die in- en uitstapplaatsen zijn openbaar-vervoersfunctie niet zou kunnen vervullen en delen zij reeds daarom in het karakter van openbare weg van de andere weggedeelten ervan, doch ook los daarvan komt aan die in- en uitstapplaatsen dat karakter toe, omdat zij evenals de omliggende weggedeelten vrij toegankelijk zijn voor voetgangers, ook voor degenen die niet van het openbaar vervoer gebruik wensen te maken doch het busstation betreden omdat dit op de door hen gekozen looproute ligt.

5.10. Hetgeen verweerder overigens nog heeft aangevoerd omtrent het in geding zijnde openbare-wegkarakter van het busstation doet aan het voorgaande niet af. Dit leidt ertoe dat verweerder het busstation ten onrechte in de waardering op grond van de Wet woz heeft betrokken. Daar in de in geding zijnde beschikking geen andere onroerende (deel)objecten zijn betrokken dan het busstation, brengt zulks mee dat de bij de beschikking vastgestelde waarde op nihil moet worden gesteld.

6. Proceskosten

Daar belanghebbende in het gelijk wordt gesteld, zijn er naar het oordeel van het Hof gronden aanwezig om verweerder op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in belanghebbendes proceskosten. Geen andere, op gemelde voet voor vergoeding in aanmerking komende, kosten zijn gebleken dan de reiskosten van belanghebbendes vertegenwoordigers ter zitting: ter zitting van de Zestiende Enkelvoudige Belastingkamer A voornoemd en ter zitting van de Vierde Meervoudige Belastingkamer A, B en C voornoemd. Voor vergoeding komt aldus in aanmerking een bedrag ad € 36, zijnde in totaal vier retourreizen per openbaar vervoer, tweede klasse, niet zijnde taxi, Z-Amsterdam, ad € 9 per retourreis.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de vastgestelde waarde tot nihil;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, begroot op € 36 en wijst de gemeente Beverwijk aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende dient te voldoen;

- gelast de gemeente Beverwijk het door belanghebbende voldane griffierecht ad € 218 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 19 augustus 2003 door mrs. Schaap, Steenbergen en Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.