Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7011

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-10-2003
Datum publicatie
03-11-2003
Zaaknummer
657/2003 OK
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU4621
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AU4621
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Ondernemingskamer heeft een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Landis Group N.V. en haar dochtervennootschappen Landis Group B.V., Landis Group International B.V. en Detron Group B.V. over de periode van 11 maart 1998 tot en met 8 juli 2002 en mr. L.P. van den Blink te Amsterdam benoemd teneinde voormeld onderzoek te verrichten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 10
Burgerlijk Wetboek Boek 2 108a
Burgerlijk Wetboek Boek 2 344
Burgerlijk Wetboek Boek 2 351
Burgerlijk Wetboek Boek 2 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2003, 174
JOR 2003/282 met annotatie van T.M. Stevens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 30 oktober 2003 in de zaak met rekestnummer 657/2003 OK van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

2. R.F. VAN DEN BIGGELAER,

3. E.E. VAN DEN BIGGELAER-TRÜGG,

beiden wonende te Antwerpen-Berchem, België,

4. J. BIJSTERBOSCH,

5. M. BIJSTERBOSCH-KLOOSTERMAN,

beiden wonende te Hoenderloo,

6. M.L.J. BRÖCKER,

wonende te Santo Domingo, Dominicaanse Republiek,

7. F.A. BULTEN,

wonende te Arnhem,

8. A.W.H. TEN CATE,

wonende te Blaricum,

9. D.K.W. KURZWEG,

wonende te Oss,

10. M.G.J. VAN DER LINDEN,

wonende te Schaijk,

11. R.H.J.M. PLOMPEN,

wonende te Zoetermeer,

12. B.P.J. STRENG,

wonende te Apeldoorn,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FINCON B.V.,

gevestigd te Bilthoven,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOSTERS HOLDING BLADEL B.V.,

gevestigd te Bladel,

VERZOEKERS,

procureur: MR. L.P. BROEKVELDT,

advocaat: MR. J.H. LEMSTRA,

t e g e n

1. de naamloze vennootschap

LANDIS GROUP N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LANDIS GROUP B.V.,

gevestigd te Utrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LANDIS GROUP INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DETRON GROUP B.V.,

gevestigd te Zaltbommel,

VERWEERSTERS,

niet verschenen,

e n t e g e n

1. P.E. KUIKEN,

wonende te Aalsmeer,

2. A. OFMAN,

wonende te Veghel,

3. E.A.P. CLEMENS,

wonende te Aalsmeer,

4. C.H. DE LA HAYE,

wonende te Rijnsaterswoude,

5. A. VRISEKOOP-STERK,

wonende te Hilversum,

BELANGHEBBENDEN,

procureur: MR. J.B. LONDONCK SLUIJK,

advocaten: MR. J.B. LONDONCK SLUIJK en MR J.B. ROEST,

6. J.P.M. VERHOEVEN,

wonende te Hoofddorp,

BELANGHEBBENDE,

procureur: MR. J.B. LONDONCK SLUIJK,

advocaat: MR. D.A.J. STURHOOFD.

1. Het verloop van het geding

1.1 Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 1 juli 2003, hebben verzoekers (hierna ook VEB c.s. te noemen) de Ondernemingskamer verzocht - voorzover van belang en zakelijk weergegeven - bij beschikking

1) een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Landis Group N.V. en van haar dochtervennootschappen Landis Group B.V., Landis Group International B.V., en Detron Group B.V.;

2) de onderzoeker(s) in overweging te geven met name aandacht te besteden aan het optreden en functioneren van alle leden van de raad van commissarissen en het bestuur, onder wie in het bijzonder P.E. Kuiken,

3) de onderzoeker(s) voorts in overweging te geven de in productie 21 bij het verzoekschrift geformuleerde vragen in het onderzoek te betrekken,

4) de onderzoeker(s) op voorhand te machtigen tot het raadplegen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers en het zich doen tonen van de bezittingen van Finance B.V. en van alle groepsvennootschappen van Landis Group N.V. per 23 april 2003,

5) Landis Group N.V. te veroordelen in de kosten van het geding.

1.2 Belanghebbenden (hierna ook Kuiken c.s. te noemen) hebben bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 12 september 2003, de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven - VEB c.s. niet ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans het verzoek af te wijzen, althans de beslissing op het verzoek tot het gelasten van een onderzoek aan te houden totdat het door de curatoren gelaste onderzoek is afgerond en de definitieve resultaten van dat onderzoek bekend zijn, met veroordeling van VEB c.s. in de kosten van het geding.

1.3 Door middel van een brief - met bijlage - van 22 september 2003 heeft mr. H. Dulack, mede namens mr. W.J. van Andel, de Ondernemingskamer laten weten dat de curatoren zich niet verzetten tegen een eventueel onderzoek, met dien verstande dat dit het eigen onderzoek van curatoren "op geen enkele wijze mag doorkruisen".

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 25 september 2003. Mr. Lemstra en mr. Londock Sluijk hebben bij die gelegenheid de standpunten van partijen nader toegelicht, beiden aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities. Mr. Lemstra heeft bij die gelegenheid het in 1.1 onder 4) weergegeven onderdeel van het verzoek ingetrokken.

1.5 De inhoud van voornoemde stukken, waaronder ook de pleitnotities van de hiervoor in 1.4 genoemde advocaten, geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De vaststaande feiten

2.1 Landis N.V. (hierna ook Landis te noemen) is in 1991 als zelfstandige vennootschap ontstaan na een management buy out van het bedrijfsonderdeel "Networks" van HCS Technologies N.V. Landis hield zich aanvankelijk in overwegende mate bezig met distributie van producten op het gebied van informatie- en communicatietechnologie. In 1995 maakte Landis met 60 werknemers een omzet van ruim € 26 miljoen.

2.2 De aandelen in het geplaatste kapitaal van Landis zijn op 23 april 1998 op de Amsterdamse effectenbeurs geïntroduceerd. Landis heeft vervolgens op grote schaal aquisities verricht (bij voorbeeld: Ilion Plc.(1999), Detron Group N.V. (2000), Citee B.V. (2000) en QuayOne B.V. (2000)). Hierdoor kwam Landis aan het hoofd te staan van een concern van 40 vennootschappen in tien Europese landen. Over 2000 bedroeg de - geconsolideerde - omzet van Landis € 667 miljoen. Het aantal werknemers steeg in dat jaar van 1150 naar 3212. In de jaren na de beursintroductie heeft Landis haar activiteiten uitgebreid tot het verrichten van allerhande diensten op het gebied van de ICT-sector.

2.3 Tussen medio 2000 en medio 2001 zijn de beurskoersen van Europese ICT-ondernemingen met gemiddeld ongeveer 80% gedaald. Medio 2001 werd binnen de ICT-sector breed onderkend dat sprake was van een crisis met een structureel karakter. In de tweede helft van 2001 heeft Landis besloten haar distributieactiviteiten af te stoten. Op 15 januari 2002 hebben Landis en de Zuid-Afrikaanse vennootschap Datatec Limited (hierna Datatec te noemen) daartoe een intentieverklaring getekend. Daarbij werd - toen nog - uitgegaan van een koopprijs van ongeveer € 135 miljoen. Op 21 maart 2002 heeft Datatec de gesprekken over de (ver)koop van de distributieactiviteiten afgebroken.

2.4 Kort na 21 maart 2002 heeft het bankconsortium, waarmee Landis eind november 2000 een kredietfaciliteit van € 175 miljoen was overeengekomen, de kredietfaciliteit opgezegd en de uitstaande gelden opgeëist. Daarop hebben de toenmalige commissarissen van Landis (belanghebbenden onder 4 en 5) het initiatief genomen tot overleg met de desbetreffende banken. Het bestuur - op dat moment bestaande uit P.E. Kuiken (als chief executive officer), E.A.P. Clemens (als chief marketing officer), J.P.M. Verhoeven (als chief operations officer) en J.A. Bus (als chief finance officer) - is op 10 april 2002 teruggetreden. Kort daarop is C.J.J. van Steijn door commissarissen aangesteld als interim-bestuurder.

2.5 Op 22 april 2002 heeft Landis een zogenaamd overlevingsplan aan de banken (die inmiddels hadden toegezegd de opeising van het krediet op te schorten tot die datum) gepresenteerd. Toen bleek dat de banken evenwel bleven weigeren de financiering voort te zetten, heeft Landis en hebben haar groepsvennootschappen Landis Group B.V., Landis Group International B.V. en Landis ICT Group B.V. - waarvan Landis Group B.V. de aandeelhouder is - surseance van betaling aangevraagd. De Rechtbank te Utrecht heeft deze vennootschappen op 23 april 2002 voorlopige surseance van betaling verleend, met benoeming van mr. Dulack en mr. Van Andel voornoemd tot bewindvoerders.

2.6 Op 6 onderscheidenlijk 7 mei 2002 zijn de voorlopige surseances van Landis ICT Group B.V. (verder ook Landis ICT te noemen) en Landis Group International B.V. (verder ook Landis International te noemen), op verzoek van de bewindvoerders, door voornoemde Rechtbank omgezet in faillissementen. De surseances van Landis en Landis Group B.V. (verder ook Landis Group te noemen) zijn, eveneens op verzoek van de bewindvoerders, op 8 juli 2002 door de Rechtbank in faillissementen omgezet.

2.7 Aan Detron Group B.V. - evenals Landis International en Landis Group een 100% dochtervennootschap van Landis - is op 19 augustus 2002 door de Rechtbank te Utrecht voorlopige surseance van betaling verleend, eveneens met benoeming van mr. Dulack en mr. Van Andel tot bewindvoerders. Op hun verzoek is die surseance op 4 september 2002 door de Rechtbank omgezet in een faillissement.

2.8 Bij de in 2.6 en 2.7 vermelde omzettingen zijn mr. Dulack en mr. Van Andel (hierna aan te duiden als de curatoren) steeds tot curatoren van de desbetreffende vennootschappen benoemd.

2.9 De curatoren hebben vastgesteld dat de belangrijkste activa van de gefailleerde Landis-vennootschappen de debiteuren en voorraden van Landis ICT (de belangrijkste Nederlandse werkmaatschappij) zijn. Ter zake van vorderingen op debiteuren en onderhanden werk is vanaf 23 april 2002 tot 10 september 2003 een bedrag van afgerond € 15,5 miljoen geïncasseerd. Per laatstgenoemde datum staat, aldus de curatoren, aan vorderingen op debiteuren van Landis ICT nog een bedrag van afgerond € 3,5 miljoen open.

2.10 Verzoekers zijn per datum van indiening van het onderhavige verzoek gezamenlijk rechthebbende op een bedrag in aandelen in het kapitaal van Landis tot een nominale waarde van ruim € 300.000.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Belanghebbenden (hierna ook Kuiken c.s. te noemen) hebben allereerst de opportuniteit van het verzochte onderzoek betwist. Zij hebben er in dit verband op gewezen dat de curatoren in hun faillissementsverslag van 16 september 2003 hebben aangegeven een commissie ingesteld te hebben (bestaande uit A.L. Leuftink, L.J.M. Nelissen en W.J.J. Scholten RA) die onderzoek zal gaan doen naar "achtergronden en oorzaken van de verschillende Landis faillisementen", welke commissie begin oktober 2003 met haar werkzaamheden zal aanvangen. Volgens Kuiken c.s. is een door de Ondernemingskamer te bevelen onderzoek naast dat onderzoek niet opportuun en zal het er slechts toe leiden dat de voor onderzoek beschikbare tijd en middelen onvoldoende efficiënt worden aangewend.

3.2 In dit standpunt kunnen belanghebbenden niet worden gevolgd. VEB c.s. hebben terecht betoogd dat het door de curatoren geïnitieerde onderzoek niet wegneemt dat zij een reëel belang bij het in dit geding verzochte onderzoek hebben (en houden). Dit is reeds het geval omdat de door de Ondernemingskamer op de voet van artikel 2:345 BW benoemde onderzoeker specifieke bevoegdheden heeft die de door de curatoren aangezochte onderzoekers ontberen. Te wijzen valt op het bepaalde in de artikelen 2:351 en 2:352 BW. Van belang is voorts de mogelijkheid dat het onderzoek in een enquêteprocedure resulteert in de vaststelling van de Ondernemingskamer dat sprake is - geweest - van wanbeleid - en alsdan eventueel in de vaststelling wie daarvoor verantwoordelijk te houden valt -, in welke mogelijke vaststelling(en) evident een belang voor VEB c.s. gelegen is. Bovendien is in dit verband van bijzondere betekenis dat - zoals VEB c.s. terecht hebben aangevoerd - de belangen van crediteuren (die bij uitstek door de curatoren worden behartigd) niet zonder meer gelijk te stellen zijn met de belangen van aandeelhouders als VEB c.s, op welke belangen de enquêteprocedure specifiek het oog heeft.

3.3 Kuiken c.s. hebben voorts aangevoerd dat zij zich niet deugdelijk hebben kunnen voorbereiden op de vraag of een onderzoek al of niet geïndiceerd is, omdat zij "lang niet over alle door hen benodigde stukken (hebben) kunnen beschikken". De reden daarvan is, aldus Kuiken c.s., dat na het faillissement de administratie van Landis voor een groot deel in dozen in een archief is geplaatst, waarbij het overzicht over de plaats waar relevante stukken zich bevinden "niet altijd bewaard heeft kunnen blijven". Om die reden kan volgens Kuiken c.s. op dit moment ook niet worden gewaarborgd dat de enquêteurs over voldoende gegevens zullen kunnen beschikken om "tot een gewogen oordeel te komen omtrent de werkelijke gang van zaken bij Landis" en zou een eerlijke procesvoering niet gewaarborgd zijn.

3.4 De Ondernemingskamer vindt in hetgeen Kuiken c.s. hebben aangevoerd onvoldoende grond om aan te nemen dat bij een te gelasten onderzoek onderscheidenlijk in het kader van een eventuele rechtsgang naar aanleiding van het verslag een eerlijke procesvoering onvoldoende zou zijn gewaarborgd. De stellingen van Kuiken c.s. geven dan ook - nog daargelaten de feitelijke juistheid ervan - geen aanleiding het gelasten van een onderzoek achterwege te laten, indien uit hetgeen hierna wordt overwogen de slotsom is dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid van Landis. Dat is te minder het geval nu Kuiken c.s. in de door hen aangevoerde omstandigheid dat "thans niet alle relevante stukken beschikbaar zijn" kennelijk geen beletsel zien voor het door de curatoren voorziene onderzoek. Voorzover Kuiken c.s. - voorts - bedoeld mochten hebben te betogen dat zij zich in onderhavige procedure onvoldoende hebben kunnen verweren, heeft te gelden dat de aangevoerde stellingen niet genoegzaam zijn om een zodanig betoog te staven.

3.5 Wat betreft de vraag of er, zoals VEB c.s. hebben betoogd, gegronde redenen zijn om aan een juist beleid van Landis te twijfelen, overweegt de Ondernemingskamer het volgende.

3.6 VEB c.s. hebben onder meer aangevoerd dat er aanwijzingen bestaan dat de administratie en de verslaggeving in de boekjaren 2000, 2001 en 2002 gebrekkig waren en dat niet werd voldaan aan de eisen van artikel 2:10 BW. VEB c.s. hebben in dat verband erop gewezen dat uit het faillissementsverslag van 18 september 2003 moet worden opgemaakt dat anderhalf jaar na datum faillissement nog steeds geen zicht is op de status van de administratie.

3.7 Uit de in het geding gebrachte verslagen van de bewindvoerders-curatoren valt op te maken dat begin mei 2002 door de bewindvoerders werd besloten een accountant een onderzoek te laten verrichten naar de status van de administratie op groepsniveau en naar de mate waarin de rechten en plichten van de in surseance verkerende vennootschappen uit die administratie kunnen worden gekend, dat die accountant vervolgens tussen mei en medio juli 2002 aan de slag is gegaan en dat medio oktober 2002 werd verwacht dat de accountant uiterlijk 1 december 2002 zijn eindrapportage zou kunnen inleveren. In het verslag van 18 februari 2003 wordt vermeld dat het onderzoek van de accountant aanzienlijke vertraging heeft opgelopen en dat wordt verwacht dat in het eerstvolgende verslag melding kan worden gemaakt van de uitkomsten van het onderzoek. Uit het verslag van 21 mei 2003 is vervolgens op te maken dat het onderzoek zou worden overgenomen door een andere accountant. Uit het laatste verslag - van 16 september 2003 - blijkt dat de curatoren inmiddels hebben besloten de afronding van het desbetreffende onderzoek te laten verrichten door de hiervoor in 3.1 genoemde commissie.

3.8 De Ondernemingskamer maakt uit de hiervoor geschetste gang van zaken op dat de curatoren, hoewel zij - naar moet worden aangenomen - gedurende geruime tijd serieuze pogingen hebben gedaan om tot een vakkundig onderzoek te komen, nog steeds geen goed inzicht hebben kunnen krijgen in de administratie van Landis. Dit op zichzelf brengt al mee dat moet worden betwijfeld of de administratie van Landis voldoet - althans per faillissementsdatum voldeed - aan de maatstaven van artikel 2:10 BW, waaronder de eis dat daaruit "te allen tijde" de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend. Die twijfels worden geenszins weggenomen door de door Kuiken c.s. - als productie 9 bij het verweerschrift - in het geding gebrachte verklaring van C.J.J. van Steijn.

3.9 VEB c.s. hebben voorts aangevoerd dat Landis onjuiste informatie heeft verstrekt, onder meer ten aanzien van haar vermogenspositie. In dat verband hebben zij gewezen op de volgende uitlating van Kuiken in een artikel in Het ƒinancieele Dagblad van 23 maart 2003:

Natuurlijk kijken de banken met argusogen naar de ICT-markt. Maar ze lopen bij ons geen gevaar. Wij hebben een schuldenlast van EUR 150 mio, maar de post debiteuren is vele malen hoger.

Volgens VEB c.s. wekt die uitlating de suggestie dat de debiteurenstand vele honderden miljoenen euro's bedraagt, hetgeen - gezien de stelling in het verweerschrift dat de post debiteuren in maart 2002 nog ruim € 168 miljoen bedroeg: zelfs in de visie van Kuiken c.s - verre van juist is.

3.10 De Ondernemingskamer stelt allereerst vast dat Kuiken c.s. niet hebben betwist dat P.E. Kuiken de bewuste uitspraak destijds heeft gedaan. Overigens is van een rectificatie van de zijde van P.E. Kuiken ook niet gebleken. De Ondernemingskamer gaat er dan ook van uit dat P.E. Kuiken in genoemd artikel juist is geciteerd.

3.11 Gelet op hetgeen is vastgesteld in 2.9, zulks in het licht van hetgeen ook overigens in de verslagen van de curatoren valt te lezen, moet er voorshands van worden uitgegaan dat de opbrengst aan debiteuren van de gefailleerde Landis-vennootschappen zal uitkomen op een bedrag van ten hoogste € 20 miljoen. Hoewel Kuiken c.s. kan worden toegegeven dat een debiteurenportefeuille in een faillissementssituatie in het algemeen minder waarde zal blijken te hebben dan in een going concern-situatie, verschilt dit bedrag zozeer met de door P.E. Kuiken in het krantenartikel aangegeven waarde - daargelaten hoe ver die waarde nu precies boven € 150 miljoen zou liggen - dat bedoeld effect daarvoor geen afdoende verklaring kan geven. Dat de post debiteuren ten tijde van meerbedoelde uitlating aanmerkelijk verschilde van die per het moment waarop de onderscheiden faillissementen zijn uitgesproken is gesteld noch gebleken en moet ook onwaarschijnlijk worden geacht. De Ondernemingskamer gaat er dan ook voorshands vanuit dat P.E. Kuiken op het moment dat hij meerbedoelde uitlating deed hetzij niet op de hoogte was van de debiteurenstand hetzij bewust onjuiste informatie omtrent - een aspect van - de vermogenspositie van Landis heeft gegeven. In beide gevallen is er aanleiding te twijfelen aan een juist beleid van Landis. Anders dan Kuiken c.s. hebben aangevoerd, kan de verdere inhoud van het bewuste krantenartikel daar niet aan afdoen.

3.12 In het hiervoor in 3.9 genoemde krantenartikel staat ook dat P.E. Kuiken ondanks het afketsen van "de deal" (gedoeld wordt op het afketsen van de in 2.3 vermelde besprekingen met Datatec) verwacht nog altijd "minstens EUR 150 mln" te kunnen ontvangen voor de distributietak. Volgens VEB c.s. was dat - ook op het tijdstip van de uitlating - een irreële verwachting. Landis had dan ook haar schatting van de opbrengst van een - mogelijke - transactie, nadat Datatec was afgehaakt, moeten bijstellen, aldus VEB c.s.

3.13 De Ondernemingskamer stelt vast dat het in 3.10 overwogene hier op dezelfde wijze geldt. Ook van de juistheid van de weergave van de in 3.12 aangegeven uiting van P.E. Kuiken wordt mitsdien uitgegaan.

3.14 Uit de door Kuiken c.s. overgelegde intentieverklaring blijkt dat Datatec haar due diligence onderzoek nog diende uit te voeren, althans af te ronden. Reeds op die grond kon Landis er - zelfs - ten tijde van het ondertekenen van die verklaring niet zonder meer van uitgaan dat, als de beoogde overname al zou doorgaan, deze een opbrengst van € 135 miljoen zou genereren. A fortiori geldt dat Landis, toen Datatec - na afronding van het due diligence onderzoek - was afgehaakt, niet langer van een opbrengst in genoemde orde kon uitgaan. Illustratief in dit verband acht de Ondernemingskamer dat - zoals blijkt uit het derde faillissementsverslag onder 3.8.2 - de curatoren de distributieactiviteiten uiteindelijk voor een bedrag van - in hoofdsom - € 3,8 miljoen aan Datatec hebben verkocht. De bewuste uitlating van 23 maart 2002 van P.E. Kuiken moet dan ook - voorshands - minst genomen als onzorgvuldig worden aangemerkt, onder meer jegens - potentiële - kapitaalverstrekkers.

3.15 VEB c.s. hebben voorts gewezen op - een mogelijke schending van - artikel 2:108a BW. Volgens hen moet op basis van de voorlopige jaarcijfers over het boekjaar 2001 (gepubliceerd op 12 april 2002) aangenomen worden dat ultimo 2001 het eigen vermogen van Landis minder bedroeg dan de helft van haar kapitaal in de zin van genoemd wetsartikel. Ook in dit verband hebben Kuiken c.s. zich verweerd met de stelling dat Landis er in januari 2002 van uit kon gaan dat de verkoop van de distributieactiviteiten een bedrag van rond € 135 miljoen zou opbrengen - waarmee dan het verlies over het tweede halfjaar van 2001 zou worden gecompenseerd -, althans zo begrijpt de Ondernemingskamer het gestelde in het verweerschrift in nummer 82 en verder. VEB c.s hebben hierop ter gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting terecht aangevoerd dat de enkele "hoop" op voldoende opbrengsten uit een verkoop aan Datatec Landis niet buiten het bereik van de bewuste bepaling brengt. Waar Kuiken c.s. overigens de desbetreffende stelling van VEB c.s. niet gemotiveerd hebben betwist, moet tenminste worden betwijfeld of Landis zich wel aan het bepaalde in artikel 2:108a BW heeft gehouden.

3.16 Ten slotte acht de Ondernemingskamer het, met VEB c.s, allerminst uitgesloten dat Landis artikel 28h van het Fondsenreglement heeft overtreden. VEB c.s hebben er in dit verband onder meer op gewezen dat Landis op 5 september 2001 bij monde van P.E. Kuiken heeft verklaard dat een winst per aandeel van € 0,60 reëel werd geacht, dat die prognose vervolgens op 31 oktober 2001 is bijgesteld naar € 0,40, dat daarna op 21 maart 2002 is gemeld dat het resultaat lager zou uitkomen en dat uiteindelijk op 11 april 2002 (bedoeld zal vermoedelijk zijn 12 april 2002, de dag waarop de voorlopige cijfers over het boekjaar 2001 zijn gepubliceerd; Ondernemingskamer) een verlies van € 1,06 per aandeel werd gepresenteerd. Volgens VEB c.s. moet ervan worden uitgegaan dat Landis ruimschoots voordien - bij voorbeeld op 7 maart 2002 toen de publicatie van de jaarcijfers over het boekjaar 2001 werd uitgesteld om redenen die volgens VEB c.s. niet zijn gelegen in het niet beschikbaar zijn van de cijfers - moet hebben geweten dat de resultaatsverwachting zo dramatisch was verslechterd. De Ondernemingskamer constateert dat Kuiken c.s. de hiervoor genoemde gegevens niet hebben betwist en op de zojuist weergegeven stelling van VEB c.s. niet zijn ingegaan. De Ondernemingskamer gaat er daarom voorshands van uit dat die stelling juist is, in welk geval het zich inderdaad laat aanzien dat voornoemde bepaling uit het Fondsenreglement door Landis is geschonden.

3.17 Reeds op grond van het hiervoor overwogene is de Ondernemingskamer van oordeel dat er gegronde redenen zijn te twijfelen aan een juist beleid van Landis, voorafgaand aan haar faillissement op 8 juli 2002. Het verzoek van VEB c.s. tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Landis zal dan ook worden toegewezen zoals hierna te vermelden. De overige door VEB c.s. daartoe aangevoerde gronden kunnen daarmee buiten beoordeling blijven.

3.18 VEB c.s. hebben verzocht het onderzoek ook betrekking te laten hebben op de 100% dochtervennootschappen van Landis: Landis Group B.V., Landis Group International B.V. en Detron Group B.V. Nadat Kuiken c.s. in hun verweer erop hadden gewezen dat VEB c.s. geen aandeelhouders van die vennootschappen zijn en dat zij niet hebben aangegeven waarom van vereenzelviging van die dochters met Landis zou kunnen worden gesproken, hebben VEB c.s. ter mondelinge behandeling uitvoerig gemotiveerd waarom volgens hen ook dit deel van hun verzoek voor inwilliging in aanmerking komt. Zij hebben onder meer aangevoerd dat de vennootschappen tezamen een economische en organisatorische eenheid onder gemeenschappelijke leiding vormden en dat er wat de samenstelling van de onderscheiden besturen betreft sprake was van een vrijwel volledige personele unie. Kuiken c.s. hebben dit betoog geheel onbesproken gelaten. Dit zo zijnde en gelet op het feit dat hetgeen VEB c.s. terzake hebben aangevoerd het desbetreffende verzoek afdoende schraagt, zal de Ondernemingskamer bepalen dat het onderzoek mede betrekking zal hebben op genoemde dochtervennootschappen.

3.19 De Ondernemingskamer ziet onvoldoende aanleiding de opdracht aan de te benoemen onderzoeker te specificeren als door VEB c.s. verzocht, zoals hiervoor in 1.1 onder 2) en 3) is weergegeven. Het staat de te benoemen onderzoeker niettemin uiteraard vrij de genoemde onderwerpen in zijn onderzoek te betrekken en - in het algemeen - rekening te houden met de stellingen van partijen.

3.20 Naar aanleiding van hetgeen Kuiken c.s. hebben aangevoerd omtrent de opportuniteit van het te bevelen onderzoek merkt de Ondernemingskamer nog op dat voorstelbaar is dat de door haar te benoemen onderzoeker op bepaalde vlakken samenwerking zoekt met de door de curatoren aangezochte onderzoekers, zulks onder meer om redenen van (kosten)efficiency. In ieder geval staat zulks hem vrij.

3.21 Landis zal - zoals VEB c.s. hebben verzocht - worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

Beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Landis Group N.V. en haar dochtervennootschappen Landis Group B.V., Landis Group International B.V. en Detron Group B.V. over de periode van 11 maart 1998 tot en met 8 juli 2002.

Benoemt mr. L.P. van den Blink te Amsterdam teneinde voormeld onderzoek te verrichten.

Stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 45.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen.

Bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Landis Group N.V. en dat zij voor de betaling van de kosten van het onderzoek ten genoegen van de onderzoeker zekerheid dient te stellen.

Veroordeelt Landis Group N.V. in de kosten van het geding, deze aan de zijde van VEB c.s. tot aan deze uitspraak begroot op € 2.599.

Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gewezen door mr. Willems, voorzitter, mr. Den Boer en mr. Goslings, raadsheren, prof. dr. Van Hoepen RA en mr. Bax, raden, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vorst-Glerum, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 30 oktober 2003.

coll.: