Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AM7965

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
29-10-2003
Zaaknummer
97/90190
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2007:AS4097, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2007:AS4097
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het begrip onttrekking moet worden opgevat als elk handelen of elk nalaten dat tot gevolg heeft, dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de controles uit te voeren. In het onderhavige geval is de Douanekamer van oordeel dat de betrokken goederen zijn onttrokken aan het douanetoezicht. Op de te retourneren kopieën van de carnets TIR zijn valse stempels geplaatst als waren de goederen aangebracht bij het kantoor van doorgang H, Spanje. Belanghebbende heeft geen enkel bewijs geleverd van de regelmatigheid van het vervoer, noch is er enige andere aanwijzing voorhanden dat de goederen niet zouden zijn onttrokken aan het douanetoezicht. De Douanekamer verwerpt belanghebbendes stelling dat, zo sprake is van een onttrekking, de goederen eerst in Spanje aan het douanetoezicht zijn onttrokken en oordeelt dat de Nederlandse douaneautoriteiten heffingsbevoegd zijn. Ook wordt verworpen het verweer van belanghebbende dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de douaneschuld. Ten aanzien van de heffing van omzetbelasting overweegt de Douanekamer dat de vastgestelde onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht meebrengt dat de goederen voor de heffing van omzetbelasting in het vrije verkeer zijn gebracht. De Douanekamer is van oordeel dat de goederen in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht in de zin van artikel 18 van de Wet OB en dat zich dus het belastbare feit van invoer heeft voorgedaan en dat belanghebbende degene is die de omzetbelasting ter zake van de invoer verschuldigd is. Ten aanzien van de heffing van accijns oordeelt de Douanekamer in eenzelfde zin. Het beroep, zowel voor wat de heffing van omzetbelasting en accijns betreft als voor wat de heffing van douanerechten betreft, wordt dan ook verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

In de zaken DK 97/90190 en DK 02/2115

de dato 21 januari 2003

1. De procedure

1.1. Op 15 oktober 1997 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van A en B van C, advocatenvennootschap te Z, ingediend namens D, belanghebbende, en aangevuld bij brieven van 29 december 1997 en 3 maart 1998. Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict E (hierna: de inspecteur) van 3 oktober 1997 waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de uitnodiging tot betaling van 10 augustus 1995, nummer …… ten bedrage van ¦ 749.679,40 aan omzetbelasting, ¦ 2.334.908,80 aan accijns en ¦ 372.204,00 aan douanerechten, werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van ¦ 150,-- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. In de brieven van 31 december 1998, 21 januari 1999 en 12 april 1999 is namens belanghebbende verzocht om uitstel voor het indienen van een conclusie van repliek. Op 26 september 2002 is namens belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. Op 18 oktober 2002 is een conclusie van dupliek van de inspecteur binnengekomen.

1.3. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001, Stb. 419, is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.4. Op grond van de onder 1.3. vermelde wet is de Douanekamer ook bevoegd ten aanzien van de in de uitnodiging tot betaling vervatte omzetbelasting en accijns. Het beroep te dier zake is op 5 november 1997 ingekomen bij het Gerechtshof te Den Haag, en aangevuld bij brieven van 1 december 1997, 23 februari 1998, 28 oktober 1998. Het beroep was aldaar op 1 januari 2002 nog in behandeling. Ter zake is een griffierecht van € 36,30 geheven. Op 15 april 2002 is, onder nummer DK 02/2115, de behandeling door de Douanekamer overgenomen. Het reeds door de Tariefcommissie geheven griffierecht van ¦ 150,-- voor de zaak DK 97/0190 is teruggestort.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) van 21 november 2002. Aldaar is verschenen F namens de inspecteur. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Bij brief van 20 november 2002 heeft de gemachtigde laten weten dat zowel belanghebbende als de gemachtigde ervan af hebben gezien ter zitting te verschijnen. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1. Op respectievelijk 11 augustus 1992 en 13 augustus 1992 zijn door G te Y aan belanghebbende twee carnets TIR afgegeven met de nummers X1 en X2.

2.2. Op 12 augustus 1992 en 19 augustus 1992 worden 1000 kartons en 960 kartons sigaretten onder geleide gesteld van respectievelijk het carnet TIR X1 en het carnet TIR X2 voor vervoer met bestemming Tunesië. Het voorziene douanekantoor van doorgang was H, Spanje.

2.3. In vak 4 van beide carnets TIR staat onder het kopje "Titulaire du carnet (nom, adresse, pays)" vermeld D. In vak 7, onder het kopje "No(s) d'immatriculation du (des) véhicule(s) routier(s)" staat in het carnet TIR X1 vermeld "UJJ-866" en in het carnet TIR X2 "GES 849". De voertuigen met deze kentekens stonden ten tijde van het vervoer van de sigaretten op naam van belanghebbende.

2.4. Bij brief van 31 maart 1995 verzoekt de Directie douane het Douane Informatie Centrum een onderzoek in te stellen naar de "echtheid van de afstempeling door de Spaanse douane" van onder meer de twee hiervoor genoemde carnets TIR.

2.5. Bij fax van 21 juni 1995 bericht "Administracion de Aduanas de H" het Douane Informatie Centrum het volgende (niet officiële vertaling):

"In antwoord op uw fax (…), betreffende de carnets TIR nummers X1, (…) X2, deel ik u het volgende mede:

1. De stempels en handtekeningen die op de carnets TIR staan corresponderen niet met die van het douanekantoor H.

2. Na controle van de registers is gebleken dat de genoemde Carnets TIR niet bij deze douane zijn aangeboden."

2.6. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft de inspecteur wegens het niet-zuiveren van de carnets TIR de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling aan belanghebbende, als titularis van beide carnets, doen uitgaan.

2.7. Op 29 oktober 1998 bericht "Administracion de Aduanas de H" de Douane E dat de stempels van de douane H, zoals aanwezig op de carnets TIR X1 en X2 vals zijn. Bijgevoegd zijn stempelafdrukken zoals die destijds in 1992 gebruikt werden bij TIR vervoer.

3. Het geschil

In geschil is of de inspecteur terecht aan belanghebbende de onderhavige uitnodiging tot betaling heeft gedaan. Het geschil spitst zich toe op de volgende vraagpunten:

a. is er sprake van een belastbaar feit;

b. zo ja zijn de Nederlandse douaneautoriteiten heffingsbevoegd;

c. zo ja is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld.

4. Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zo er zich een onttrekking zou hebben voorgedaan deze onttrekking in Spanje dient te worden gesitueerd. De Nederlandse douaneautoriteiten zijn derhalve niet heffingsbevoegd.

Belanghebbende is voorts van mening dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de belastingschuld. Zij voert in dit verband aan dat ter zake van het misbruik van de carnets TIR in België een strafprocedure aanhangig is waarbij de personen die daadwerkelijk betrokken zijn bij het misbruik worden vervolgd. Belanghebbende was zelf niet betrokken bij het ontduiken van de wetgeving en heeft niet kunnen vermoeden dat sprake was van valse stempels en fraude. Er is sprake van een overmachtsituatie. Daarnaast geldt dat belanghebbende ook niet verplicht was persoonlijk zorg te dragen voor het aanbrengen van de goederen bij het kantoor van bestemming en derhalve te dezer zake geen verplichting heeft geschonden.

Belanghebbende concludeert dat de desbetreffende uitnodiging tot betaling ten onrechte aan haar is gedaan.

5. Het standpunt van de inspecteur

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat er zich een onttrekking aan het douanetoezicht heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 2, eerste lid, letter c, van de Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (hierna: Verordening 2144/87) en dat er dientengevolge een douaneschuld is ontstaan.

Gelet op artikel 10 van de Verordening (EEG) nr. 719/91 van de Raad van 21 maart 1991 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van carnets TIR en carnets ATA als doorvoerdocumenten (hierna: de Verordening 719/91), is Nederland bevoegd over te gaan tot inning van de verschuldigde rechten en andere heffingen. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet heeft bewezen dat de onttrekking geacht moet worden in Spanje te hebben plaatsgevonden.

De inspecteur is voorts van mening dat belanghebbende als schuldenaar van de douaneschuld dient te worden aangemerkt op grond van artikel 4 van de Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld (hierna: Verordening 1031/88). Belanghebbende is immers titularis van het document carnet TIR. Dat belanghebbende niet betrokken zou zijn bij de onregelmatigheden en dat er geen sprake is van opzet van de zijde van belanghebbende doet hier niet aan af.

Zo er geen sprake zou zijn van een onttrekking als bedoeld in artikel 2, eerste lid, letter c, van de Verordening 2144/87 stelt de inspecteur zich subsidiair op het standpunt dat de douaneschuld is ontstaan op grond van artikel 2, eerste lid, letter d, van bedoelde verordening. Er is immers niet voldaan aan de verplichting de goederen aan te brengen bij de douane op de plaats van bestemming. Ingevolge artikel 5 van de Verordening 1031/88 is belanghebbende ook dan aan te merken aan douaneschuldenaar.

Met betrekking tot de verschuldigde omzetbelasting en accijns stelt de inspecteur zich op het standpunt dat zich het belastbaar feit van invoer in Nederland heeft voorgedaan en dat belanghebbende als schuldenaar dient te worden aangemerkt. De inspecteur verwijst in dit verband naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie EG).

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. De rechtsoverwegingen

Ten aanzien van de heffing van douanerechten

6.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, letter c, van de Verordening 2144/87 welke destijds van toepassing was, ontstaat, voorzover hier van belang, een douaneschuld bij invoer wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen onttrokken worden aan het douanetoezicht dat het plaatsen van deze goederen onder een regeling met douanetoezicht met zich brengt. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie EG van 11 juli 2002, zaak C-371/99, Liberexim (V-N 2003/2.28), dient voor de uitleg van het begrip onttrekking in de zin van deze bepaling gekeken te worden naar het arrest van het Hof van Justitie EG van 1 februari 2001, zaak C-66/99, Wandel (UTC 2001/61*). Gelet op dit arrest moet het begrip onttrekking worden opgevat als elk handelen of elk nalaten dat tot gevolg heeft, dat de bevoegde douaneautoriteit, al is het maar tijdelijk, de toegang wordt belemmerd tot onder douanetoezicht staande goederen en wordt belet de controles uit te voeren.

6.2. Ingevolge artikel 34, derde lid, van de Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer (hierna: Verordening 2726/90) wordt - voorzover hier van belang - wanneer de zending niet aan het kantoor van bestemming is aangebracht en de plaats van de overtreding of onregelmatigheid niet kan worden vastgesteld, de overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan in de lidstaat waartoe het kantoor van vertrek behoort, tenzij bewijs wordt geleverd van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan. Dienaangaande is in artikel 10, derde lid, van de Verordening 719/91 bepaald dat - voorzover hier van belang - wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, deze geacht wordt te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, tenzij het bewijs wordt geleverd van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

6.3. In het onderhavige geval zijn op de te retourneren kopieën van de carnets TIR, zoals uit de aannemelijke verklaring van de Spaanse douaneautoriteiten is gebleken, valse stempels geplaatst als waren de goederen aangebracht bij het kantoor van doorgang H, Spanje. Belanghebbende heeft geen enkel bewijs geleverd van de regelmatigheid van het vervoer, noch is er enige andere aanwijzing voorhanden dat de goederen niet zouden zijn onttrokken aan het douanetoezicht.

6.4. Uit hetgeen onder 6.1. tot en met 6.3. is overwogen, vloeit naar het oordeel van de Douanekamer voort dat de 1960 kartons sigaretten zijn onttrokken aan het douanetoezicht.

6.5. Belanghebbende heeft haar stelling dat, zo sprake is van een onttrekking, de goederen eerst in Spanje aan het douanetoezicht zijn onttrokken, niet onderbouwd. Dit brengt mee dat er voor deze goederen ingevolge artikel 34, derde lid, van de Verordening 2726/90 in samenhang met artikel 10, derde lid, van de Verordening 719/91 een douaneschuld in Nederland is ontstaan. De stelling van belanghebbende dat de Nederlandse douaneautoriteiten zichzelf ten onrechte heffingsbevoegd hebben geacht, faalt derhalve.

6.6. Met betrekking tot de stelling van belanghebbende dat zij niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de douaneschuld geldt het volgende. Gelet op het onder 6.1. genoemde arrest van het Hof van Justitie in de zaak Wandel, is voor het ontstaan van de douaneschuld geen opzet vereist. Het volstaat dat aan een aantal objectieve voorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Verordening 1031/88 is hoofdelijk tot betaling van de douaneschuld gehouden, voorzover hier van belang, de persoon die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de verplichtingen die voortvloeien uit de gebruikmaking van de douaneregeling waaronder de aan rechten bij invoer onderworpen goederen zijn geplaatst. Deze persoon is derhalve onvoorwaardelijk schuldenaar in die zin dat opzet of medeweten geen rol spelen. Ook het beroep op overmacht faalt, nog daargelaten dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een dergelijke situatie verkeerde. Voorts geldt dat gelet op artikel 54a van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen (hierna: AWDA) degene op wiens naam een carnet TIR is afgegeven, de verplichting heeft er zorg voor te dragen dat het carnet TIR, ten blijke dat de daarin vermelde goederen op regelmatige wijze een toegelaten bestemming hebben gevolgd of op regelmatige wijze zijn uitgegaan, wordt gezuiverd. Aan deze verplichting heeft belanghebbende niet voldaan, zodat ook in zoverre, mede gelet op artikel 114 AWDA, de onderhavige uitnodiging tot betaling terecht aan belanghebbende is gedaan.

6.7. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep wat de douanerechten betreft ongegrond is.

Ten aanzien van de heffing van omzetbelasting

6.8. Blijkens artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst 1992, hierna: de Wet OB) wordt onder de naam 'omzetbelasting'een belasting geheven ter zake van de invoer van goederen waaronder, voorzover hier van belang, volgens artikel 18 van de Wet OB wordt verstaan het brengen van goederen in het vrije verkeer. Ingevolge artikel 7 van de Zesde richtlijn (77/338/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (hierna: Zesde richtlijn), zoals dit destijds van toepassing was, wordt als invoer van een goed beschouwd het binnenkomen van dit goed in het binnenland als omschreven in artikel 3 van de Zesde richtlijn. Het bepaalde in artikel 18 van de Wet OB dient volgens het communautaire recht te worden uitgelegd conform het bepaalde in de Zesde richtlijn, meer in het bijzonder conform artikel 7 van de Zesde richtlijn.

6.9. In het onderhavige geval is, gelet op het onder 6.4. overwogene, naar het oordeel van de Douanekamer sprake van een onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht. Naar het oordeel van de Douanekamer brengt dit mee dat de goederen voor de heffing van omzetbelasting in het vrije verkeer zijn gebracht. Vervolgens dient te worden bepaald op welke plaats de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht.

6.10. In de onderhavige zaak kan niet worden vastgesteld op het grondgebied van welke lidstaat de daadwerkelijke handelingen zijn verricht als gevolg waarvan het toezicht op de goederen is verbroken. Gelet op het onder 6.5. overwogene moet de onttrekking geacht worden zich in Nederland te hebben voorgedaan en is de belastingschuld, ook wat de omzetbelasting betreft, in Nederland ontstaan (vgl. HvJ EG, 11 juli 2002, C-371/99, Liberexim, ov. 44). Los van het voorgaande acht de Douanekamer van belang dat de goederen in Nederland onder geleide van de carnets TIR zijn geplaatst en dat ook in Nederland wordt vastgesteld dat de desbetreffende goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Dit brengt naar het oordeel van de Douanekamer mee dat er dan in beginsel vanuit dient te worden gegaan dat de goederen in Nederland aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de goederen in een andere lidstaat aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

6.11. Op grond van het hiervoor overwogene is de Douanekamer van oordeel dat de goederen in Nederland in het vrije verkeer zijn gebracht in de zin van artikel 18 van de Wet OB en dat zich dus het belastbare feit van invoer heeft voorgedaan.

6.12. Ten aanzien van de vraag of belanghebbende degene is die de omzetbelasting ter zake van de invoer verschuldigd is geldt het volgende. Ingevolge artikel 21, tweede lid, van de Zesde richtlijn is de omzetbelasting ter zake van een invoer van goederen verschuldigd door degene(n) die als zodanig door de lidstaat van invoer wordt of worden aangewezen of erkend. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Wet OB is ter zake van de omzetbelasting bij invoer de AWDA van overeenkomstige toepassing hetgeen meebrengt dat ook voor de vraag wie voor de omzetbelasting bij invoer de belastingplichtige is, de AWDA bepalend is (vgl. HR 24 augustus 1999, nummers 34410 en 34694, BNB 1999/418 en BNB 1999/419). Gelet op hetgeen hiervoor onder 6.6. is overwogen brengt dit mee dat de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling, ook voor wat betreft de heffing van omzetbelasting, terecht aan belanghebbende is gedaan.

6.13. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep voor wat de omzetbelasting betreft ongegrond is.

Ten aanzien van de heffing van accijns

6.14. Ingevolge artikel 1 van de Wet op de accijns (tekst 1992, hierna: de Wet accijns) wordt onder de naam 'accijns' een belasting geheven van tabaksproducten en wordt de belasting verschuldigd ter zake van de invoer. Onder invoer wordt volgens artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet accijns verstaan, voorzover hier van belang, het brengen vanuit het buitenland van een accijnsgoed in Nederland, alsmede het brengen van een accijnsgoed buiten een entrepot of een plaats voor tijdelijke opslag. Het onder 6.9. tot en met 6.10. overwogene voor de omzetbelasting geldt naar het oordeel van de Douanekamer, mutatis mutandis, op overeenkomstige wijze voor de accijns. In het onderhavige geval is, gelet op het onder 6.3. overwogene, naar het oordeel van de Douanekamer, sprake van een onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht. Voorts is de Douanekamer van oordeel dat, gelet op het onder 6.5. overwogene, de belastingschuld, ook wat de accijns betreft, in Nederland is ontstaan. Los daarvan is de Douanekamer van oordeel dat, gelijk hiervoor wat betreft de heffing van omzetbelasting is overwogen, op grond van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 6.10. omschreven, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat de goederen in Nederland aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan aannemelijk is dat de goederen in een andere lidstaat aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Naar het oordeel van de Douanekamer moet dan ook worden geoordeeld dat ook voor de heffing van accijns de sigaretten in Nederland zijn ingevoerd.

6.15. Ten aanzien van de vraag of belanghebbende degene is die de accijns ter zake van de invoer verschuldigd is geldt het volgende. Artikel 6, tweede lid, van de richtlijn (92/12/EEG) van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten bepaalt, voorzover hier van belang, dat de voorwaarden voor verschuldigdheid van accijns die zijn welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de desbetreffende lidstaat. De accijns wordt daarbij geheven en geïnd op de door de lidstaat vastgestelde wijze. Ten aanzien van de heffing en invordering van de accijns ter zake van invoer verklaart artikel 62, eerste lid, van de Wet accijns de AWDA van overeenkomstige toepassing. Gelet op hetgeen onder 6.6. is overwogen brengt dit mee dat de onderwerpelijke uitnodiging tot betaling, ook voor wat de heffing van accijns betreft, terecht aan belanghebbende is gedaan.

6.16. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep voor wat de accijns betreft ongegrond is.

Conclusie

6.17. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan de zijde van de inspecteur, zodat het beroep, zowel voor wat de heffing van omzetbelasting en accijns betreft als voor wat de heffing van douanerechten betreft, dient te worden verworpen.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in de artikelen 11b van de Tariefcommissiewet en 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

8. De beslissing

De Douanekamer bevestigt de uitspraak, waarvan beroep.

Aldus vastgesteld op 21 januari 2003 door mr. A. Bijlsma, voorzitter, mr. E.M. Vrouwenvelder en jhr. ing. K.J.L. Hesselt van Dinter, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. K. Grando, griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

De griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen.

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.