Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AM1884

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-06-2003
Datum publicatie
20-10-2003
Zaaknummer
97/90142
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen 13 en 30 november 1995 heeft een delegatie van de Gemeenschap een bezoek gebracht aan Laos, en een onderzoek ingesteld naar de oorsprong van kleding waarvoor certificaten van oorsprong, formulier A, waren afgegeven. Tot de processtukken behoort een naar aanleiding van voornoemd onderzoek opgemaakt rapport van de Commissie van 9 juli 1996. Dit rapport duidt erop dat ter zake van de export van textielproducten uit Laos op grote schaal certificaten van oorsprong, formulier A, zijn afgegeven, zonder dat werd voldaan aan de voor afgifte van deze certificaten geldende oorsprongscriteria, en dat de textielgoederen vervolgens met gebruikmaking van de certificaten zonder betaling van douanerechten in een aantal landen van de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht. Op grond van dit rapport heeft de douane in totaal 363 van deze certificaten - welke certificaten, naar tussen partijen niet in geschil is, in elk geval betrekking hebben op de bij aangiften over de periode september 1993 tot en met december 1995 in het vrije verkeer gebrachte goederen - voor controle achteraf aan de Laotiaanse autoriteiten ingezonden. Het ligt op de weg van de inspecteur om bewijs bij te brengen voor de ongeldigheid van de certificaten van oorsprong, formulier A, die door belanghebbende bij de aangiften in de maand juli 1996 zijn overgelegd. Tegenover de betwisting door belanghebbende heeft de inspecteur niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat de onderhavige certificaten deel uitmaakten van de eerdergenoemde 363 certificaten en aldus ter controle achteraf aan de Laotiaanse autoriteiten zijn ingezonden. Met de brief van de Laotiaanse autoriteiten van 6 augustus 1996 wordt een brief van de Nederlandse douane, welke betrekking heeft op bij invoeren in de periode september 1993 tot en met december 1995 overgelegde certificaten van oorsprong, beantwoord. De Douanekamer leest in de brief van 6 augustus 1996 dan ook niet dat alle door belanghebbende in het vrije verkeer gebrachte textielproducten niet als producten van oorsprong uit Laos kunnen worden beschouwd. Evenmin volgt uit de brief dat de onderhavige, na december 1995 gebezigde certificaten ten onrechte zijn afgegeven. Ten aanzien van deze certificaten is derhalve geen sprake van een mededeling van de Laotiaanse autoriteiten in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1997, nr. C-97/95 (UTC 1998/12*). Nu de inspecteur ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van de onderhavige, in juli 1996 gedane aangiften ten onrechte APS-preferentie is verleend, acht de Douanekamer de inspecteur niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de betrokken certificaten ongeldig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Douanekamer

Uitspraak

in de zaak nr. 97/90142 DK (voorheen: 0142/97 TC)

de dato 5 juni 2003

1. De procedure

1.1. Op 25 juni 1997 is bij de Tariefcommissie te Amsterdam een beroepschrift ingekomen van A van B te Z, ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C B.V. te Y, belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van het hoofd van het Douanedistrict D (hierna: de inspecteur) van 5 juni 1997, kenmerk ……, waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen het in de uitnodiging tot betaling van 21 augustus 1996, nummer ……, vermelde bedrag aan douanerechten, groot f 26.893,70 (e 12.203,83), werd afgewezen.

1.2. Van belanghebbende is door de secretaris van de Tariefcommissie een griffierecht van f 150, -- geheven. De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Op 15 mei 1998 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft op 2 september 1998 een conclusie van dupliek ingediend.

1.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden tijdens de zitting van de Tariefcommissie van 11 juli 2000, alwaar aanwezig waren mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Padt als secretaris. De zaak is gelijktijdig behandeld met de beroepen die zijn geregistreerd onder de nummers 97/90143 DK (voorheen: 0143/97 TC) tot en met 97/90146 DK (voorheen: 0146/97 TC). Daar zijn verschenen namens belanghebbende de heer A voornoemd, alsmede mr. E en F; namens de inspecteur zijn verschenen mr. G en mr. H. Partijen hebben elk een pleitnota overgelegd en voorgelezen.

1.4. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001 (Stb. 419) is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie. Ingevolge het bepaalde in artikel X van voormelde wet is de benoeming van de coördinerend ondervoorzitter en de leden van de Tariefcommissie van rechtswege gewijzigd in een benoeming tot coördinerend vice-president van onderscheidenlijk raadsheer in het Gerechtshof te Amsterdam.

2. De vaststaande feiten

2.1. In de maand juli 1996 heeft belanghebbende aangiften voor het vrije verkeer gedaan van textielproducten; bij die aangiften werden certificaten van oorsprong, formulier A, overgelegd. Als land van oorsprong werd Laos vermeld. Ter zake van alle aangiften is een beroep gedaan op toepassing van een tariefpreferentie in het kader van het Algemeen Preferentieel Systeem (APS). Als gevolg daarvan werd geen douanerecht geheven.

2.2. Tussen 13 en 30 november 1995 heeft een delegatie van de Gemeenschap een bezoek gebracht aan Laos, en een onderzoek ingesteld naar de oorsprong van kleding waarvoor certificaten van oorsprong, formulier A, waren afgegeven. Tot de processtukken behoort een naar aanleiding van voornoemd onderzoek opgemaakt rapport van de Commissie van 9 juli 1996, nr. ……, dat - voorzover hier van belang - als volgt luidt:

"It is the conclusion of the mission, based on the information gained during the course of the joint enquiries, statements of the representatives of the competent Laotian authorities and other government representatives, interviews with responsible officers of the relevant garment manufactures/exporters and detailed examination of company records and the records at the premises of the competent authorities; that - with the exception of small quantities of "ethnic" design or specialised garments - only non-originating raw materials have been used, in the past, by Laotian garment manufactures in order to obtain finished products - ready made garments - exported to the European Community under cover of GSP certificates of origin Form A.

In this way a total of some 2700 Laotian GSP certificates of origin Form A representing approximately 22 million pieces of ready made garments have been identified during the mission of administrative cooperation as having been incorrectly issued by the competent authorities for products which did not meet the origin requirements of the Community's Generalised System of Preferences.

The mission also revealed that a total of some 300 GSP certificates Form A purporting to be issued in Laos for approximately 4 million pieces were in fact not issued by the Laotian competent authorities, and therefore were forged. These false certificates have been fraudulently utilised to obtain duty-free access to the European Community and probably also to circumvent the quantitative limits applicable vis-a-vis the real countries of origin.".

2.3. Naar aanleiding van het sub 2.2. genoemde rapport heeft de Nederlandse douane op 26 maart 1996 363 certificaten van oorsprong voor controle achteraf ingezonden.

2.4. In een brief van de Lao National Chamber of Commerce and Industry van 6 augustus 1996, nummer ……, gericht aan het Douanedistrict I, is onder meer vermeld:

"In the context of a mission of administrative cooperation, joint enquiries have been carried out between representatives of the Government authorities of the Lao People's Democratic Republic and Representative of the European Commission and the Custom's authorities of Certain member states of the European Community.

After the investigated certificates of Origin Form A 363 Copies, Lao National Chamber of Commerce and Industry are very glad to be able to inform you that the results of subsequent verification that the goods were not produced in conformity.

(…)

For the manufacture of the finished products took place on the basis of fabrics fiber and materials are imported from oversea.".

2.5. Op 28 mei 1996 heeft de inspecteur een uitnodiging tot betaling, nummer ……, aan belanghebbende uitgereikt voor een bedrag aan douanerechten, groot f. 2.859.044,--, wegens het ten onrechte gebruik maken van de preferentiële oorsprong bij de invoer van textielproducten uit Laos gedurende de periode september 1993 tot en met december 1995. Deze uitnodiging tot betaling is in zaak nummer 97/90146 DK in geschil.

2.6. Op 21 augustus 1996 heeft de inspecteur de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling ten aanzien van de aangiften over de maand juli 1996 aan belanghebbende uitgereikt, die - voorzover hier van belang - als volgt luidt:

"(…)

Dit is een uitnodiging tot betaling op grond van artikel 220/201 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

U bent onderstaand bedrag verschuldigd wegens het ten onrechte gebruik maken van de preferentiële oorsprong.

(…)

Omschrijving

Doc: MAANDAANGIFTE

Ref: JULI 1996

U bent het op deze uitnodiging tot betaling vermelde bedrag verschuldigd wegens het ten onrechte gebruik maken van de preferentiële oorsprong bij invoer van textielproducten uit Laos gedurende de periode juli 1996.

Voor de berekening van het verschuldigde bedrag verwijs ik naar de bijgevoegde bijlage.

Deze maakt een integraal onderdeel uit van deze uitnodiging tot betaling.".

3. Het geschil

In geschil is of aan belanghebbende terecht de sub 1.1. genoemde uitnodiging tot betaling is gedaan. Omdat de Douanekamer aangaande dit geschilpunt zal overwegen en beslissen in voege als hierna sub 6. casu quo sub 8. zal volgen, is een omschrijving van de overige geschilpunten en de standpunten van partijen daaromtrent in casu niet noodzakelijk.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. De 363 certificaten van oorsprong, formulier A, die betrekking hebben op de aangiften, gedaan in de periode augustus 1993 tot en met december 1995, zijn voor controle achteraf ingezonden naar Laos. De certificaten die betrekking hebben op aangiften gedaan in de maand juli 1996 zijn nimmer voor controle achteraf ingezonden. Er is derhalve niets komen vast te staan omtrent de certificaten van oorsprong, formulier A, die door belanghebbende zijn overgelegd bij de aangiften voor het vrije verkeer in de maand juli 1996.

4.2. De inspecteur stelt dat de certificaten die bij de aangiften voor het vrije verkeer in de maand juli 1996 zijn overgelegd, deel uitmaakten van de 363 ingezonden certificaten. Aangezien de 363 certificaten reeds op 26 maart 1996 naar Laos zijn verzonden, is sprake van inzending voor controle a posteriori voordat de betreffende aangiften zijn gedaan. De betreffende aangiften zijn aldus niet overeenkomstig de geldende voorschriften ingediend als gevolg waarvan niet tot navordering op grond van ongeldige certificaten kan worden overgegaan. De betreffende aangiften hadden voor de toepassing van het preferentiële tarief moeten worden geweigerd.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1. De 363 ingezonden certificaten van oorsprong, formulier A, betreffen niet alleen de aangiften gedaan in de periode september 1993 tot en met december 1995, maar ook de aangiften gedaan in de maand juli 1996. Dit kan bevreemding wekken; bedacht dient echter te worden dat certificaten van oorsprong bij de douanepost worden ingeleverd voordat ze worden gebruikt. Vervolgens vinden deelinvoeren plaats vanuit het entrepot van belanghebbende. Certificaten van oorsprong kunnen voor meerdere zendingen goederen worden gebruikt. De bij de aangiften van de maand juli gebruikte certificaten van oorsprong zijn voor controle ingezonden voordat ze daadwerkelijk werden gebruikt; ze maakten deel uit van de in totaal 363 certificaten van oorsprong die op 26 maart 1996 voor controle achteraf naar Laos zijn gezonden.

5.2. De sub 2.4 aangehaalde brief laat er geen twijfel over bestaan dat alle door belanghebbende in het vrije verkeer gebrachte textielproducten niet voldoen aan de voor het preferentieel tarief geldende voorwaarden; tegenbewijs is door belanghebbende niet geleverd.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. Het sub 2.2. geciteerde rapport duidt erop dat ter zake van de export van textielproducten uit Laos op grote schaal certificaten van oorsprong, formulier A, zijn afgegeven, zonder dat werd voldaan aan de voor afgifte van deze certificaten geldende oorsprongscriteria, en dat de textielgoederen vervolgens met gebruikmaking van de certificaten zonder betaling van douanerechten in een aantal landen van de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht. Op grond van dit rapport heeft de douane in totaal 363 van deze certificaten - welke certificaten, naar tussen partijen niet in geschil is, in elk geval betrekking hebben op de bij de in de zaak nummer 97/90146 DK aan de orde zijnde aangiften over de periode september 1993 tot en met december 1995 in het vrije verkeer gebrachte goederen - voor controle achteraf aan de Laotiaanse autoriteiten ingezonden. De resultaten van de controle zijn bij de sub 2.4. weergegeven brief aan de Nederlandse douaneautoriteiten medegedeeld.

6.2. Het ligt op de weg van de inspecteur om bewijs bij te brengen voor de ongeldigheid van de certificaten van oorsprong, formulier A, die door belanghebbende bij de aangiften in de maand juli 1996 zijn overgelegd.

6.3. Tegenover de betwisting door belanghebbende heeft de inspecteur niet, althans onvoldoende, aannemelijk gemaakt dat de onderhavige certificaten deel uitmaakten van de sub 6.1. bedoelde 363 certificaten en aldus ter controle achteraf aan de Laotiaanse autoriteiten zijn ingezonden.

6.4. Met de sub 2.4. aangehaalde brief van de Laotiaanse autoriteiten van 6 augustus 1996 wordt een brief van de Nederlandse douane, welke betrekking heeft op bij invoeren in de periode september 1993 tot en met december 1995 overgelegde certificaten van oorsprong, beantwoord. De Douanekamer leest in de brief van 6 augustus 1996 dan ook niet dat alle door belanghebbende in het vrije verkeer gebrachte textielproducten niet als producten van oorsprong uit Laos kunnen worden beschouwd. De sub 5.2. door de inspecteur aangevoerde stelling faalt derhalve. Evenmin volgt uit de brief dat de onderhavige, na december 1995 gebezigde certificaten ten onrechte zijn afgegeven. Ten aanzien van deze certificaten is derhalve geen sprake van een mededeling van de Laotiaanse autoriteiten in de zin van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 17 juli 1997, nr. C-97/95 (UTC 1998/12*).

6.5. Nu de inspecteur ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat ter zake van de onderhavige, in juli 1996 gedane aangiften ten onrechte APS-preferentie is verleend, acht de Douanekamer de inspecteur niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de betrokken certificaten ongeldig zijn.

6.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur op de voet van artikel 11b Tariefcommissiewet te veroordelen in de proceskosten, welke met toepassing van het Besluit proceskosten fiscale procedures worden vastgesteld op 3 (beroepschrift, conclusie van repliek, verschijnen zitting, schriftelijke inlichtingen) x 2 (gewicht) x 1,5 (5 samenhangende zaken) x f 710,-- =

f 6.390,-- (€ 2.899,65).

8. De beslissing

De Douanekamer:

- vernietigt de uitspraak, waarvan beroep, alsmede de uitnodiging tot betaling van 21 augustus 1996, nummer ……, groot f 26.893,70 (e 12.203,83);

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten en wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten, groot € 2.899,65-, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de inspecteur het griffierecht ad € 68,07,-- aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gewezen op 5 juni 2003 door mr. F.H.M. Possen, voorzitter, mr. J.J.A.M. Kennis en mr. A. Bijlsma, leden, in tegenwoordigheid van mr. drs. T.A.J.S. Hesselink, griffier.

De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.