Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AM1448

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-10-2003
Datum publicatie
17-10-2003
Zaaknummer
173/2003 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

BESCHIKKINGEN LAURUS N.V.

De Ondernemingskamer heeft heden, 16 oktober 2003, uitspraak gedaan in de zaak tussen UB HOLDING B.V. en LIJMAR B.V. (advocaten: mr. E.M. Soerjatin en mr. M. Holtzer) en LAURUS N.V. (advocaat: Mr. M.W. den Boogert).

De Ondernemingskamer heeft verstaan dat uit het verslag van het onderzoek blijkt van wanbeleid van LAURUS B.V. in de periode 1 januari 2000 tot medio augustus 2001, een en ander zoals in de beschikking nader omschreven. Voorts heeft de Ondernemings-kamer de in deze zaak eerder benoemde onderzoekers verzocht hun verslag aan te vullen en uit te breiden, zoals eveneens in de beschikking nader omschreven.

De Ondernemingskamer heeft heden voorts uitspraak gedaan in de zaak tussen VERENIGING VAN EFFECTEN-BEZIT-TERS (advocaat: mr. J.H. Lemstra) en LAURUS N.V. De Ondernemings-kamer heeft VERENIGING VAN EFFECTEN-BEZITTERS in haar verzoek niet ontvankelijk verklaard.

Mevrouw mr. A.K. van de Vorst-Glerum,

Griffier van de Ondernemingskamer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 346
Burgerlijk Wetboek Boek 2 347
Burgerlijk Wetboek Boek 2 355
Burgerlijk Wetboek Boek 2 359
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 302
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 426
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 727
ARO 2003, 168
JOR 2003/259 met annotatie van M. Brink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING van 16 oktober 2003 in de zaak met rekestnummer 173/2003 OK van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VERENIGING VAN EFFECTENBEZITTERS,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERZOEKSTER,

procureur: MR. L.P. BROEKVELDT,

advocaat: MR. J.H. LEMSTRA,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAURUS N.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

VERWEERSTER,

advocaat: MR. M.W. DEN BOOGERT,

e n t e g e n

1. WILHELM MARIA DE GREFTE,

wonende te Nijkerk,

2. JAN MICHIEL HESSELS,

wonende te Wassenaar,

3. REMMERT JACOBUS LAAN,

wonende te Parijs, Frankrijk,

4. JOSEPHUS MARTINUS MARIA MAEIJER,

wonende te Heilig Landstichting, gemeente Groesbeek,

5. ANTON HERMAN JOSIAS RISSEEUW,

wonende te Loenen aan de Vecht,

6. KORNELIS JAN STORM,

wonende te Aerdenhout, gemeente Bloemendaal,

7. MIJNDERT VERVERS,

wonende te Hattem,

BELANGHEBBENDEN,

procureur en advocaat : MR. M. DAS,

e n t e g e n

8. de naamloze vennootschap naar het recht van Frankrijk

CASINO GUICHARD PERRACHON S.A.,

gevestigd te Saint-Etienne, Frankrijk,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: MR. G.H. POTJEWIJD.

1. Het verloop van het geding

1.1 Wat het verloop van het geding betreft verwijst de Ondernemingskamer allereerst naar haar beschikkingen in de zaak met rekestnummer 367/2003 OK onderscheidenlijk de zaak met rekestnummer 802/2003 OK van 22 mei 2002, 28 mei 2002, 29 mei 2002, 25 oktober 2002 en 20 december 2002.

1.2 Bij de beschikking van 22 mei 2002 heeft de Ondernemingskamer - voorzover thans van belang - een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van verweerster (hierna ook Laurus te noemen). Bij de beschikking van 25 oktober 2002 heeft de Ondernemingskamer de periode waarop het onderzoek betrekking diende te hebben nader bepaald.

1.3 De bij de beschikkingen van 28 mei 2002, 29 mei 2002 en 30 mei 2002 benoemde onderzoekers hebben het verslag van het onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen, waarna de Ondernemingskamer bij de beschikking van 20 december heeft bepaald dat het verslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor eenieder.

1.4 Verzoekster (hierna ook VEB te noemen) heeft bij op 20 februari 2003 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift de Ondernemingskamer verzocht vast te stellen dat gedurende de periode waarop het verslag van de onderzoekers betrekking heeft sprake was van wanbeleid van Laurus, met veroordeling van Laurus in de kosten van het geding.

1.5 Belanghebbenden onder 1 tot en met 7 hebben bij op 12 juni 2003 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift de Ondernemingskamer verzocht - naar de Ondernemingskamer begrijpt - primair VEB in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair - voor het geval dat de Ondernemingskamer op het verzoek waartegen het verweerschrift zich richt uitspreekt dat uit het verslag van de onderzoekers van wanbeleid van Laurus is gebleken - te verstaan dat zulks geen betrekking heeft op het functioneren - zakelijk weergegeven - van belanghebbenden onder 1 tot en met 7, met veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding.

1.6 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 19 juni 2003. De advocaten hebben de standpunten van partijen - wat betreft VEB en belanghebbenden sub 1 tot en met 7: nader - toegelicht, allen aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities.

2. De gronden van de beslissing

2.1 Met Laurus en belanghebbenden is de Ondernemingskamer van oordeel dat VEB in haar verzoek niet kan worden ontvangen. Zij overweegt daartoe het volgende.

2.2 Ingevolge artikel 2:355 BW kunnen, indien "uit het verslag van wanbeleid is gebleken" de oorspronkelijke verzoekers en - indien het verslag voor hen ter inzage ligt - anderen die aan de in de artikelen 2:346 en 2:347 BW vereisten voldoen, de Ondernemingskamer verzoeken een of meer voorziening(en) te treffen als genoemd in artikel 2:356 BW. Weliswaar is het verslag in deze zaak ter inzage voor eenieder gelegd maar VEB voldoet niet aan bedoelde vereisten.

2.3 Het moge zo zijn dat het verzoek van VEB niet ziet op het treffen van enige voorziening als bedoeld in artikel 2:356 BW, doch slechts op - kort gezegd - een verklaring voor recht dat sprake is geweest van wanbeleid van Laurus, dit brengt nog niet met zich dat de strekking van artikel 2:355 BW zou toelaten dat anderen dan in dat artikel omschreven bevoegd geacht zouden kunnen worden om de Ondernemingskamer te verzoeken uit te spreken dat uit het desbetreffende verslag van wanbeleid is gebleken. Die strekking staat daaraan, gelet op de uit het artikel blijkende verband tussen de vaststelling van - uit het desbetreffende verslag gebleken - wanbeleid en de te treffen voorzieningen, naar het oordeel van de Ondernemingskamer in de weg. Het feit dat VEB in de eerste fase van onderhavige enquêteprocedure als belanghebbende is toegelaten doet daaraan niet af.

2.4 De Ondernemingskamer deelt niet de visie van VEB dat de hiervoor gegeven uitleg van artikel 2:355 BW haaks staat op de door de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 januari 1990 (NJ 1990, 466) inzake Ogem Holding N.V. verwoorde doeleinden van het enquêterecht. Te dezen gaat het immers niet daarom maar om de vraag of anderen dan degenen die ingevolge de wettelijke regeling daartoe bevoegd zijn verklaard, niettemin zich kunnen wenden tot de Ondernemingskamer ter verkrijging van een oordeel over het onderzochte beleid.

2.5 Dat, zoals VEB heeft betoogd, over het voorgaande anders zou moeten worden geoordeeld vanwege het feit dat de enquêteprocedure slechts één feitelijke instantie kent, vermag de Ondernemingskamer niet in te zien. Ten aanzien van het door VEB in dit verband voorts genoemde gegeven dat ook belanghebbenden beroep in cassatie kunnen instellen tegen door de Ondernemingskamer in een procedure als de onderhavige gegeven beschikkingen geldt hetzelfde.

2.6 Ook het beroep op artikel 3:302 BW kan VEB niet baten. Nog daargelaten dat niet aanstonds valt in te zien dat VEB in onderhavige aangelegenheid valt te beschouwen als "onmiddellijk bij de desbetreffende rechtsverhouding betrokkene" als in dat artikel bedoeld, is de Ondernemingskamer van oordeel dat - anders dan VEB heeft betoogd - de regeling van artikel 2:355 BW, zoals hiervoor uitgelegd, als lex specialis ten opzichte van artikel 3:302 BW heeft te gelden. Het feit dat de Hoge Raad in zijn hiervoor reeds genoemde beschikking inzake Ogem Holding N.V. heeft beslist dat artikel 2:359 BW niet derogeert aan artikel 426 lid 1 (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals VEB heeft aangevoerd, is voor de hier te beoordelen vraag zonder betekenis.

2.7 De Ondernemingskamer acht ten slotte termen aanwezig de kosten van het geding tussen partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.

3. De beslissing

De Ondernemingskamer:

Verklaart Vereniging van Effectenbezitters niet ontvankelijk in haar verzoek.

Compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Willems, voorzitter, mr. Den Boer en mr. Goslings, raadsheren, Wortel RA en mr. Timmermans, raden, in tegenwoordigheid van mr. Van de Vorst-Glerum en mr. Landeweer, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2003.

coll.: