Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AL8352

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
03/00709 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de chipknip van de parkeerautomaat defect was. Vaststaat dat belanghebbende nadat hij zijn auto heeft geparkeerd, maar vóór het tijdstip waarop door hem een parkeerautomaat in werking werd gesteld, niet uitsluitend betalingshandelingen heeft verricht. In zoverre is sprake van het gedeeltelijk niet betalen van belasting als bedoeld in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit betekent dat de gemeenteambtenaar belast met de heffing van parkeerbelastingen bevoegd was een naheffingsaanslag op te leggen, ook indien het opleggen van de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden nadat de parkeerautomaat in werking is gesteld. Dat de hoogte van de nageheven parkeerbelasting niet beperkt is gebleven tot een gedeelte dat verband houdt met de vermoedelijk geringe periode waarin belanghebbende bezig is geweest geld te wisselen, vloeit voort uit hetgeen is bepaald in artikel 234, vierde lid, van de Gemeentewet.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/226
FutD 2003-1952
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Y (Z), belanghebbende,

tegen

een uitspraak gedagtekend 11 december 2002 van de heffingsambtenaar van de gemeente Zandvoort, verweerder, betreffende de naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer 91775.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 augustus 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende heeft op 29 juni 2002 een voertuig met kenteken AA-AA-111 (Z kenteken) geparkeerd op een parkeerplaats aan de A-straat te Zandvoort. Ter plaatse diende parkeerbelasting te worden betaald. Bij een controle constateerde een parkeercontroleur dat in voornoemd voertuig geen geldig parkeerkaartje aanwezig was, waarna hij om 15:07 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende heeft opgelegd ter hoogte van € 42,80 (€ 1,80 parkeerbelasting en € 41 kosten naheffingsaanslag). Na bezwaar heeft verweerder bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2. Belanghebbende stelt dat hij heeft geprobeerd met een chipknip te betalen bij een parkeerautomaat in de buurt van zijn auto en dat hij, toen dit niet lukte, naar een strandpaviljoen is gegaan om geld te wisselen om de parkeerbelasting met contanten te kunnen voldoen. Verweerder heeft verklaard dat uit de wekelijkse controles niet is gebleken dat de chipknip functie van een van de parkeerautomaten aan A-straat defect is geweest op of omstreeks 29 juni 2002. Gezien de gemotiveerde weerspreking van verweerder, dient belanghebbende aannemelijk te maken dat de chipknip van de parkeerautomaat defect was. Het Hof acht belanghebbende hier niet in geslaagd.

3. Belanghebbende heeft een parkeerkaartje overgelegd waarop staat dat op 29 juni 2002 € 2,00 parkeerbelasting is betaald, waarmee op die dag tot 16.13 uur geparkeerd mag worden. De naheffingsaanslag is om 15.07 uur opgelegd. Indien, rekening houdend met het geldende parkeertarief, vanaf 16.13 uur in de tijd wordt teruggerekend, zou dit betekenen dat belanghebbende omstreeks 15.06 dan wel 15.07 uur een parkeerautomaat in werking heeft gesteld. Ofschoon deze conclusie niet goed is te rijmen met de stelling in het beroepschrift dat de naheffingsaanslag werd opgelegd toen belanghebbende geld aan het wisselen was, gaat het Hof hierna ervan uit dat de naheffingsaanslag is opgelegd nadat belanghebbende aan of in de omgeving van de A-straat te Zandvoort een parkeerautomaat in werking heeft gesteld.

4. Het vorenstaande houdt in dat belanghebbende zijn auto heeft geparkeerd en geld is gaan wisselen enige tijd vóór 15.06. Met dit parkeren is het parkeergeld verschuldigd geworden. Ingevolge artikel 234, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, wordt als het op aangifte voldoen van parkeerbelasting uitsluitend aangemerkt 'het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van een parkeermeter of parkeerautomaat op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van de door het college gestelde voorschriften'. Dit houdt onder meer in dat het wisselen van enig betaalmiddel teneinde parkeerbelasting te voldoen niet een handeling is waarmee aan het voldoen van parkeerbelasting uitvoering wordt gegeven. Met deze uitleg wordt ook belanghebbende verondersteld bekend te zijn.

5. Nu vaststaat dat belanghebbende nadat hij zijn auto heeft geparkeerd, maar vóór het tijdstip waarop door hem een parkeerautomaat in werking werd gesteld, niet uitsluitend betalingshandelingen heeft verricht, is in zoverre sprake van het gedeeltelijk niet betalen van belasting als bedoeld in artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit betekent dat de gemeenteambtenaar belast met de heffing van parkeerbelastingen bevoegd was een naheffingsaanslag op te leggen, ook indien het opleggen van de naheffingsaanslag heeft plaatsgevonden nadat de parkeerautomaat in werking is gesteld. Dat de hoogte van de nageheven parkeerbelasting niet beperkt is gebleven tot een gedeelte dat verband houdt met de vermoedelijk geringe periode waarin belanghebbende bezig is geweest geld te wisselen, vloeit voort uit hetgeen is bepaald in artikel 234, vierde lid, van de Gemeentewet.

6. Bij dit oordeel kan in het midden blijven of de parkeercontroleur belanghebbende bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft gezien of had behoren te zien. De stelling van belanghebbende dat hij, indien de parkeercontroleur hem had gezien, deze functionaris had kunnen uitleggen wat er aan de hand was, in welk geval geen naheffingsaanslag zou zijn opgelegd, kan hem niet baten, omdat de hier veronderstelde gang van zaken zich niet heeft voorgedaan. Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 26 augustus 2003 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.