Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AL8351

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
02/01596
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Havengeld gemeente Amersfoort. Met de heffing van het onderwerpelijke havengeld ter zake van belanghebbendes woonschip, dat hoger is dan de huur die langs privaatrechtelijke weg in rekening wordt gebracht aan eigenaren van een woonschip die een aangewezen ligplaats innemen, schendt de gemeente niet het gelijkheidsbeginsel. Geen toepassing Windmill-arrest (NJ 1991,393, BNB 1990/162). Van een verboden schriktarief is geen sprake.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229, geldigheid: 2003-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1863
FutD 2003-1819
Belastingblad 2004/44

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een viertal uitspraken van de inspecteur van de gemeentelijke belastingen van de gemeente Amersfoort, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 4 maart 2002, ingediend door A als zijn gemachtigde. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van verweerder, gedagtekend 15 februari 2002, betreffende de aan belanghebbende uitgeschreven nota's havengeld over de perioden 1 augustus 1998 tot en met 31 december 1998, 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999, 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2000 en 1 april 2000 tot en met 30 juni 2000 ter zake van het woonschip B.

Na bezwaar tegen de nota's zijn deze bij de bestreden uitspraken gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van verweerder en tot vernietiging van de nota's dan wel vermindering van de nota's tot bedragen die anderen op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst in de gemeente Amersfoort betalen als liggeld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

De zaak is behandeld ter zitting van 14 februari 2003. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde en van C. Voor verweerder zijn verschenen D en mr. E. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In de perioden waarop de bestreden nota's havengeld betrekking hebben heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de voor de openbare dienst bestemde gemeentelijke haven door met zijn woonschip B daarin ligplaats te nemen.

2.2. In overeenstemming met de in de desbetreffende perioden geldende verordeningen heeft verweerder van belanghebbende havengeld geheven. Het gaat om de volgende bedragen:

1 augustus 1998 - 31 december 1998 nota 2000100950 ƒ 3325,-

1 januari 1999 - 31 december 1999 nota 2000101103 ƒ 8246,-

1 januari 2000 - 31 maart 2000 nota 2000101332 ƒ 2157,75

1 april 2000 - 30 juni 2000 nota 2000101612 ƒ 2157,75.

De nota's zijn gedagtekend op achtereenvolgens 28 juni 2000, 31 juli 2000, 31 augustus 2000 en 29 september 2000.

Tegen de nota's heeft belanghebbende tijdig bezwaarschriften ingediend. Bij uitspraken van 15 februari 2002 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

2.3. Als onderdeel van haar havenbeleid heeft de gemeente Amersfoort tien ligplaatsen en één passantenplaats voor woonschepen aangewezen. Met de eigenaren van de aldaar afgemeerde woonschepen worden privaatrechtelijke huurovereenkomsten gesloten. De huurprijs voor een dergelijke ligplaats bedroeg in de onderhavige perioden circa ƒ 1200 per jaar.

Belanghebbende nam in de onderhavige perioden niet een dergelijke ligplaats in.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of het gelijkheidsbeginsel noopt tot vernietiging of verlaging van de nota's havengeld, alsmede de vraag of in de toepasselijke verordeningen sprake is van een ontoelaatbaar zogenaamd schriktarief, zodat, bij bevestigende beantwoording van deze vraag, de nota's moeten worden vernietigd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en de motivering daarvan wordt verwezen naar de gedingstukken. Ter zitting is daaraan -zakelijk weergegeven- naast het in de pleitnota van belanghebbende gestelde, nog het volgende toegevoegd.

Door belanghebbende:

Ik ben van oordeel dat de als ligplaatsen aangewezen plekken niet zijn onttrokken aan het openbare water. Als er een boot wegvaart kan er zo een andere gaan liggen.

Ik ben in de loop van 1998 aangekomen in Amersfoort. Ik kwam aan stroom en drinkwater door de hulp van een buurman. In de zomer van 2001 ben ik huurder geworden van een van de aangewezen ligplaatsen.

Het arrest "Zaandam" wordt door het Gerechtshof te Arnhem nog steeds serieus genomen; het heeft dus zijn betekenis niet verloren.

Door verweerder:

Eigenaren van schepen die liggen op de door de gemeenteraad als ligplaatsen aangewezen officiële plekken voor woonschepen nemen geen ligplaats in in de voor de openbare dienst bestemde haven.

De officiële ligplaatsen zijn in 1993 aangewezen. De aanwijzing houdt in dat die plaatsen niet toegankelijk zijn voor anderen dan de huurders ervan. Op de aangewezen ligplaatsen beschikken de huurders over voorzieningen.

Of iemand legaal of illegaal in de haven ligplaats heeft is een kwestie die wordt geregeld door de havenverordening. De verordeningen over het havengeld maken geen verschil tussen legaal en illegaal ligplaats nemen.

Het met een woonschip in de haven liggen op een andere plaats dan een aangewezen ligplaats wordt gedoogd tenzij zich een situatie voordoet dat het schip echt in de weg ligt. Er wordt dan bestuursdwang toegepast.

Dat het verhuren van ligplaatsen een onaanvaardbare wijze van doorkruising van een publiekrechtelijke regeling inhoudt, bestrijd ik. Het staat gemeente vrij in het algemeen belang een havenbeleid te voeren en daarbij gebruik te maken van privaatrechtelijke middelen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. In de hier in het geding zijnde perioden golden in de gemeente Amersfoort verordeningen op de heffing in invordering van haven- en kadegelden. In deze verordeningen luidde artikel 1, eerste lid, steeds:

"Onder de naam havengeld wordt een recht geheven voor het met vaartuigen ligplaats nemen of voor anker gaan in een voor de openbare dienst bestemde haven."

Artikel 8, voor zover hier van belang, luidde:

"Het havengeld wordt niet geheven voor (…) woonschepen voor zover ter zake daarvan al uit hoofde van een privaatrechtelijke overeenkomst een bedrag wordt gevorderd (…)".

5.2. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt door hem als volgt gemotiveerd. De gemeente Amersfoort int op verschillende manieren gelden ter zake van het innemen van ligplaats door woonschepen, te weten door het op privaatrechtelijke wijze verhuren van een aantal aangewezen ligplaatsen en door het heffen van havengeld ter zake van het anderszins ligplaats nemen in de voor de openbare dienst bestemde haven. Nu in Amersfoort het nemen van ligplaats door een havenverordening publiekrechtelijk geregeld is en de Gemeentewet de gemeente de mogelijkheid biedt om op publiekrechtelijke wijze liggeld (havengeld) te heffen, is het heffen van liggeld via een huurovereenkomst een onaanvaardbare doorkruising van de publiekrechtelijke regeling. Belanghebbende wijst hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1991, nr. 13724, NJ 1991,393, BNB 1990/162* (Windmill-arrest). In beide gevallen gaat het in feite om het heffen van liggeld voor woonschepen, en de gemeente moet dat resultaat bereiken langs publiekrechtelijke weg, met het heffen van een retributie. Een en ander houdt in dat ten aanzien van alle in de haven van Amersfoort liggende woonschepen sprake is van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld, zodat de nota's havengeld moeten worden vernietigd, althans moeten worden verminderd tot de bedragen die overeenstemmen met de door anderen betaalde huursommen.

5.3. Uitgangspunt van belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel is zijn stelling dat de verhuur van ligplaatsen een onaanvaardbare doorkruising van publiekrechtelijke regelingen ter zake van het verschaffen van ligplaatsen tegen een vergoeding. Dit beroep op het zogenaamde Windmill-arrest kan alleen slagen als moet worden aangenomen dat het de gemeente niet vrijstaat bij het ter beschikking stellen van ligplaatsen en het ter zake genereren van inkomsten te kiezen voor de privaatrechtelijke huurovereenkomst.

Het Windmill-arrest strekt tot bescherming van de burger in gevallen waarin deze wordt bemoeilijkt door een overheidsinstantie die te zijnen aanzien gebruik maakt van haar privaatrechtelijke bevoegdheden. Dit doet zich bij de heffing van havengeld ten laste van belanghebbende evenwel niet voor. Voor het onderhavige geschil is dus niet van belang het antwoord op de vraag of de gemeente Amersfoort door gebruik te maken van privaatrechtelijke bevoegdheden op onaanvaardbare wijze enige publiekrechtelijke regeling doorkruist.

5.4. Het betoog van belanghebbende dat verweerder handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel is echter ook in meer algemene zin gebaseerd op de stelling dat het ligplaats nemen door belanghebbende vergelijkbaar is met het ligplaats nemen door degenen die hebben aangemeerd op een aangewezen ligplaats. Het Hof overweegt daarover als volgt.

De raad van de gemeente heeft in de haven een elftal ligplaatsen voor woonschepen aangewezen. Zij heeft dat gedaan in het kader van het door haar gewenste beleid ten aanzien van het gebruik van de haven. Zij heeft daartoe naar het oordeel van het Hof de vrijheid. De bewoners van woonschepen die liggen aangemeerd op die ligplaatsen hebben ter zake een huurovereenkomst gesloten met de gemeente, waardoor zij zijn getreden in een min of meer duurzame rechtsverhouding aangaande het gebruik van die ligplaatsen. Door de aanwijzing en de verhuur van de ligplaatsen aan de hurende bewoners van de woonschepen zijn de desbetreffende ligplaatsen naar het oordeel van het Hof ook onttrokken aan de voor de openbare dienst bestemde haven.

Belanghebbende heeft in de haven ligplaats genomen op een plaats die niet voor woonschepen is bestemd. Zijn woonschip ligt derhalve, gedoogd, in een niet aan het openbare water onttrokken deel van het water. Het woonschip bevindt zich in de voor de openbare dienst bestemde haven.

Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de gevallen van belanghebbende en van de bewoners van woonschepen die ligplaats hebben op de aangewezen plaatsen juridisch en feitelijk niet gelijk zijn. Daardoor kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen.

5.5. Dan resteert de vraag of het tarief dat in de onderscheidene verordeningen is gesteld aan het nemen van ligplaats door belanghebbende op zichzelf genomen zodanig is dat gezegd moet worden dat de gemeente zich bedient van een verboden zogenaamd schriktarief, zoals in het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 mei 1984, nr. 22240, BNB 1985/227*.

Het Hof is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Het Hof wijst er daarbij op dat belanghebbende in de hier aan de orde zijnde perioden is onderworpen aan een tarief dat leidt tot een belastingheffing die niet op een wezenlijk ander bedrag uitkomt dan het bedrag dat andere gebruikers, niet zijnde bewoners van woonschepen, van eenzelfde locatie in de gemeentelijke haven onder gelijke omstandigheden moeten betalen. Zo dient volgens de voor het jaar 1998 geldende verordening belanghebbende voor zijn woonschip, dat 38 meter lang is, op jaarbasis een bedrag te betalen van 38 x ƒ 210 = ƒ 7980. Dit is per maand ƒ 665. Voor een ander vaartuig van 38 meter lengte is aan havengeld verschuldigd per maand (voor de eerste 10 meter) ƒ 183,60 plus (voor het meerdere aantal meters) 28 x ƒ 17,09 = ƒ 662,12. Voor de andere perioden waarover de nota's zijn uitgeschreven liggen de verhoudingen vergelijkbaar. Van een willekeurige en onredelijke heffing ter zake van woonschepen is daardoor geen sprake.

5.6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan verweerder is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 4 juli 2003 door mr. Van Loon, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.