Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AL8314

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
02/05993 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzuimenreeks. Het Hof is van oordeel dat de tekst van artikel 67a van de Wet IB 1964, in samenhang met § 21 van BBBB 1998, niet inhoudt dat een boete van een hoger bedrag dan € 113 (ƒ 250) eerst kan worden opgelegd indien een onherroepelijke strafbaarstelling of beboeting heeft plaatsgevonden. Waar het om gaat is dat de hoogte van de boete binnen de in artikel 67a van de Wet IB 1964 aan de inspecteur toegekende bevoegdheid afhankelijk is gemaakt van de vraag of binnen een bepaalde periode sprake van één of meer eerdere verzuimen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67a
Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1954
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X B.V. te Y, belanghebbende,

tegen

een uitspraak gedagtekend 13 april 2002, van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren Ondernemingen P, de inspecteur, betreffende de boetebeschikking die gelijktijding is vastgesteld met de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 augustus 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Met dagtekening 23 maart 2002 is aan belanghebbende een (ambtshalve) aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 (hierna ook: de aanslag) opgelegd. Gelijktijdig met deze aanslag is een verzuimboete opgelegd op basis van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Wet) naar een bedrag van € 1.134 (¦ 2.500). De inspecteur is bij het opleggen van de verzuimboete uitgegaan van een vijfde verzuim in de zin van § 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998). Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag, waarbij alsnog de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1999 is ingediend. Bij uitspraak op bezwaar is tegemoet gekomen aan belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en is de verzuimboete gehandhaafd.

2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot vermindering van de verzuimboete tot € 340 (ƒ 750).

3. Belanghebbende heeft haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 1999 niet gedaan binnen de daartoe door de inspecteur gestelde termijn en evenmin binnen de termijn die de inspecteur heeft gesteld in een, na afloop van de hiervoor bedoelde termijn, aan belanghebbende gezonden aanmaning. Pas in de bezwaarfase heeft belanghebbende haar aangifte ingediend. Vaststaat dat belanghebbende ook over de jaren 1995 tot en met 1998 heeft haar aangiftes niet, dan wel te laat heeft ingediend.

4. Belanghebbende stelt dat gezien het feit dat er een aandeelhouders-, bestuurswisseling (op 17 november 1998) heeft plaatsgevonden bij belanghebbende, voor de toepassing van § 21, tweede lid, van het BBBB 1998 slechts de verzuimen vanaf 1998 meetellen, omdat eerdere verzuimen niet kenbaar waren voor de aandeelhouders en het nieuwe bestuur. Het Hof verwerpt deze stelling, nu de verzuimen rechtstreeks worden toegerekend aan belanghebbende, zijnde een rechtspersoon, en aandeelhouders en/of bestuurswisselingen derhalve geen invloed hebben op de toepassing van § 21, tweede lid, van het BBBB 1998. Belanghebbendes stelling dat zij pas bestaat vanaf 1998, gezien de naamswijziging van de vennootschap (op 2 december 1998), is onjuist. De enkele naamswijziging (van A B.V. in X B.V.) heeft geen gevolgen voor het bestaan van de rechtspersoon en de belastingplicht daarvan.

5. Voor zover belanghebbende stelt dat voor de verzuimen in de jaren 1995 tot en met 1997 geen onherroepelijke strafbaarstellingen, dan wel boetes zijn gevolgd, zodat die verzuimen niet meetellen voor de toepassing van de verzuimenreeks van § 21, tweede lid, van het BBBB 1998, overweegt het Hof als volgt. Ter zitting is komen vast te staan dat aan belanghebbende bij het opleggen van ambtshalve aanslagen voor de jaren 1995 tot en met 1997 wel boetes zijn opgelegd, maar dat deze bij uitspraak op bezwaar zijn verminderd tot nihil op basis van de toen geldende wetgeving, omdat de aanslag werd verminderd tot nihil. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting erkend en verklaard dat de verzuimen over de jaren 1995 tot en met 1998 wel kenbaar waren voor belanghebbende en dat deze ook aan belanghebbende zijn medegedeeld.

6. De tekst van § 21, tweede tot en met het vierde lid, van het BBBB 1998 luidt als volgt voor zover hier van belang:

"2. Van een tweede respectievelijk derde, vierde, vijfde/volgend verzuim is sprake, indien belanghebbende over de voorafgaande vijf belastingjaren éénmaal respectievelijk tweemaal, driemaal of meer in verzuim is geweest.

3. Wordt de aanslag op een positief bedrag vastgesteld, dan legt de inspecteur in geval van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim een boete op van respectievelijk € 113, € 340, € 567, € 794 of € 1.134. Wordt de aanslag op nihil of op een negatief bedrag vastgesteld dan legt de inspecteur een boete op van respectievelijk € 22, € 68, € 113, € 158 of € 226. (…).

4. De verzuimenreeks wordt toegepast per belastingmiddel. Om te bepalen of sprake is van een eerste, tweede, derde, vierde of vijfde/volgend verzuim worden verzuimboeten die gelijktijdig met een nihil aanslag of een op een negatief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd en verzuimboeten die gelijktijdig met een op een positief bedrag vastgestelde aanslag zijn opgelegd op gelijke voet meegeteld. Er wordt hierbij evenmin onderscheid gemaakt tussen een verzuim wegens het niet doen van aangifte en een verzuim wegens het niet tijdig doen van aangifte. Indien sprake is van avas telt het verzuim niet mee voor de verzuimenreeks."

Het Hof is van oordeel dat op deze wijze aan de in artikel 67a van de Wet (tekst 1999) aan de inspecteur toegekende bevoegdheid om ter zake van het niet, dan wel niet tijdig dien van aangifte een boete op te leggen van ten hoogste € 1.134 (ƒ 2.500), niet op onredelijke wijze dan wel in strijd met die bepaling nader uitwerking heeft gegeven.

7. Het Hof is voorts van oordeel dat de tekst van artikel 67a van de Wet, in samenhang met § 21 van BBBB 1998, niet inhoudt dat een boete van een hoger bedrag dan € 113 (ƒ 250) eerst kan worden opgelegd indien een onherroepelijke strafbaarstelling of beboeting heeft plaatsgevonden. Waar het om gaat is dat de hoogte van de boete binnen de in artikel 67a van de Wet aan de inspecteur toegekende bevoegdheid afhankelijk is gemaakt van de vraag of binnen een bepaalde periode sprake van één of meer eerdere verzuimen. In het kader van een dergelijke regeling is wel betekenis toe te kennen aan de vraag of een belastingplichtige, in een voorkomend geval, met één of meer door de inspecteur gestelde eerdere verzuimen bekend was, maar niet of dat ook tot daadwerkelijke beboeting heeft geleid. De hoogte van de beboeting voor een verzuim is immers niet afhankelijk gemaakt van één of meer eerdere beboetingen, maar van de vraag of het strafbaar gestelde feit zich reeds één of meerdere gelegenheden heeft voorgedaan. Dat belanghebbende met de door de inspecteur gestelde eerdere verzuimen bekend was, is in het onderhavige geval overigens niet in geschil, zoals volgt uit hetgeen onder 5 is vermeld. De bekendheid met eerdere verzuimen is in een geval als het onderhavige, behoudens bijzondere omstandigheden, overigens reeds af te leiden uit de omstandigheid dat voor de jaren 1995 - 1998 aangiftebiljetten vennootschapsbelasting zijn uitgereikt en dat deze biljetten niet dan wel niet tijdig zijn ingediend.

8. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 26 augustus 2003 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door genoemd lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.