Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1597

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
29-08-2003
Zaaknummer
24-001076-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in geschillen ten overstaan van de Huurcommissie aangaande - kort gezegd - de hoogte van in rekening gebrachte kosten voor stoffering, schoonmaak en onderhoud, gebruik gemaakt van valse facturen als zouden deze de werkelijk door zijn bedrijf gemaakte kosten vermelden. Ook heeft verdachte valse facturen opgemaakt en overgelegd aan de Stedelijke Woningdienst Amsterdam waardoor de indruk werd gewekt dat de in die facturen genoemde werkzaamheden waren verricht tegen de daarin genoemde kosten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van poststukken. Dit laatste was er kennelijk vooral op gericht om te voorkomen dat huurders op de hoogte werden gesteld van hun rechten, dan wel om hen in de uitoefening van die rechten te belemmeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001076-02

Arrest d.d. 28 augustus 2003 van het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam d.d. 20 september 2001 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft de verdachte bij genoemd vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, veertig uur werkstraf en een geldboete van fl. 250.000,00 en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen zoals in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel

De verdachte is d.d. 4 oktober 2001 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2003 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

Omvang van het hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard geen hoger beroep te hebben willen instellen tegen de in het vonnis, waarvan beroep, vervatte vrijspraak ter zake zaak E van het onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde. Het hof zal het hoger beroep aldus beperkt opvatten.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en in zoverre opnieuw recht doen.

Telastelegging

Aan dit arrest is gehecht een fotokopie van de inleidende dagvaarding, waarin de door de eerste rechter toegelaten wijziging is aangebracht, waaruit de -als voor dit hoger beroep van belang- onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde vermelde inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat niet goed valt in te zien wat het belang is om en verdachte en [rechtspersoon B.V.] te vervolgen, zodat het Openbaar Ministerie bij gebrek aan belang niet in zijn vervolging zou mogen worden ontvangen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aan het verweer van de verdediging ligt de stelling ten grondslag dat de officier van justitie niet het recht heeft tegen zowel verdachte als tegen diens medeverdachte [rechtspersoon B.V.] strafvervolging in te stellen. Dit verweer ziet er aan voorbij dat de wetgever uitdrukkelijk in de mogelijkheid heeft voorzien om de natuurlijke persoon en de rechtspersoon als daders afzonderlijk strafrechtelijk aansprakelijk te stellen. Anders dan de raadsman stelt, is die mogelijkheid in dit geval niet gebaseerd op artikel 51, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verdachte wordt immers niet als feitelijk leidinggever of opdrachtgever vervolgd. Met het vervolgen van [rechtspersoon B.V.] is de eigen verantwoordelijkheid van de rechtspersoon in het geding. Die verantwoordelijkheid staat los van de (persoonlijke) verantwoordelijkheid van de verdachte. Niet toevallig gelden voor het daderschap van de rechtspersoon andere criteria dan voor het daderschap van de natuurlijke persoon. Aan het voorgaande doet niet af, dat verdachte op papier enig aandeelhouder en bestuurder van die rechtspersoon is. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht ten aanzien van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij:

1. primair:

op tijdstippen in de periode vanaf 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999 te Amsterdam meermalen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse bescheiden, te weten:

zaak A [adres] voor in het jaar 1996

- 2 facturen voor halfjaarlijkse betalings- onderhouds-overeenkomst d.d. 1 januari 1994 en 1 juli 1994 en

- 12 facturen voor schoonmaakwerkzaamheden met betrekking tot het jaar 1994 en

- 1 factuur met betrekking tot stofferingswerkzaamheden d.d. 15 december 1993;

zaak B [adres] achter omstreeks het jaar 1997

- 12 facturen voor schoonmaakwerkzaamheden met betrekking tot het jaar 1994 en

- 2 facturen voor afwerking woning en afwerking trappenhuis d.d. 14 november 1991;

zaak C [adres] in het jaar 1997

- 8 facturen onderhoudswerkzaamheden met betrekking tot de jaren 1994, 1995 en 1996

- 2 facturen voor stoffering en onderhoud trappenhuis d.d. 29 juli 1994;

zaak D [adres] in het jaar 1997

- 12 facturen voor uitvoering schoonmaakwerkzaamheden met betrekking tot het jaar 1995 en

- 2 facturen inzake halfjaarlijkse onderhoudsovereenkomst CV-installatie d.d. respectievelijk 17 januari 1995 en 17 juli 1995

elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren die geschriften echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die geschriften telkens heeft overgelegd aan de Huurcommissie Amsterdam en bestaande die valsheid hierin dat die (kopie)facturen in strijd met de waarheid bedrieglijk

- zijn opgemaakt als zouden die (kopie)facturen afkomstig zijn van Onderhoudsbedrijf [onderhoudsbedrijf] en/of

- opgemaakt zijn op een andere datum dan de in de geschriften genoemde data;

3. primair:

in de periode vanaf januari 1997 tot en met mei 2000 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in woningen (onder meer [adres] en [adres]) heeft weggenomen poststukken, toebehorende aan huurders van die woningen, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van een valse sleutel;

4. primair:

in de periode vanaf januari 1994 tot en met 16 mei 2000 te Amsterdam meermalen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, waaronder facturen van het bedrijf [bedrijf], te weten:

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 17 februari 2000;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 7 april 2000;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 20 mei 1999;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 17 maart 1999;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 3 april 2000

als waren die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die geschriften telkens heeft overgelegd aan de Stedelijke Woningdienst Amsterdam en bestaande die valsheid telkens hierin dat die facturen in strijd met de waarheid en bedrieglijk zijn opgemaakt, als zouden die facturen afkomstig zijn van [bedrijf];

en

in de periode vanaf januari 1994 tot en met 16 mei 2000 in Nederland meermalen telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten telkens een factuur van het bedrijf [bedrijf], te weten (onder meer):

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 17 februari 2000;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 7 april 2000;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 20 mei 1999;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 17 maart 1999;

- 1 factuur met betrekking tot het pand aan de [adres] te Amsterdam d.d. 3 april 2000

valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid telkens hierin dat die facturen in strijd met de waarheid en bedrieglijk zijn opgemaakt, als zouden die facturen afkomstig zijn van [bedrijf], zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 3 primair en onder 4 primair meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1 primair:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

feit 3 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

feit 4 primair:

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en overvalst, meermalen gepleegd

en

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Voor zover de raadsman het in eerste aanleg gevoerde verweer, dat op het onder 3 primair bewezenverklaarde feit een bijzondere strafbepaling van toepassing zou zijn, heeft willen handhaven, faalt dit op grond van de juiste overweging van de rechtbank dat de poststukken al bij de geadresseerde waren bezorgd en dus hun bestemming (de brievenbus van het desbetreffende pand) al hadden bereikt.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede op de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op het volgende. Verdachte heeft in geschillen ten overstaan van de Huurcommissie aangaande - kort gezegd - de hoogte van in rekening gebrachte kosten voor stoffering, schoonmaak en onderhoud, gebruik gemaakt van valse facturen als zouden deze de werkelijk door zijn bedrijf gemaakte kosten vermelden. Ook heeft verdachte valse facturen opgemaakt en overgelegd aan de Stedelijke Woningdienst Amsterdam waardoor de indruk werd gewekt dat de in die facturen genoemde werkzaamheden waren verricht tegen de daarin genoemde kosten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van poststukken. Dit laatste was er kennelijk vooral op gericht om te voorkomen dat huurders op de hoogte werden gesteld van hun rechten, dan wel om hen in de uitoefening van die rechten te belemmeren.

Door te handelen zoals onder 1 en 3 is bewezenverklaard heeft verdachte gedurende een langere periode doelbewust en stelselmatig de belangen van zijn contractuele wederpartijen gefrustreerd en te kort gedaan. Bij wet is aan de huurders een bescherming toegekend door de instelling van een Huurcommissie. Verdachte deed de waarheid in procedures voor deze commissie geweld aan door valse facturen over te leggen. Daarmee wilde hij de uitkomst van deze procedures in een voor hem gunstige zin beïnvloeden. Deze handelwijze was niet alleen oneerlijk en (mogelijk) nadelig voor de desbetreffende huurders, zij gaf ook blijk van weinig respect voor de Huurcommissie zelf en voor de taken waarmee dit overheidsorgaan is belast. Daarnaast heeft verdachte door het onder 3 bewezenverklaarde het briefgeheim geschonden, hetgeen op zichzelf beschouwd al een zeer ernstig feit is.

Door te handelen zoals onder 4 is bewezenverklaard heeft verdachte bovendien de, met het oog op de woningschaarste, aan de gemeente toebedeelde overheidstaak van het houden van toezicht op de verdeling van woningen langdurig en stelselmatig gefrustreerd.

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich niets gelegen heeft laten liggen aan de maatschappelijke verantwoordelijkheid die het exploiteren van woningen die onder toezicht van de gemeente en Huurcommissie staan met zich brengt.

De handelwijze van verdachte, die gebruik maakte van een onduidelijke organisatie en die er een ondoorzichtige administratie op nahield, beoordeelt het hof als zeer laakbaar. Verdachte bekommerde zich blijkbaar uitsluitend om het vullen van zijn eigen zak. Hij heeft de lusten, maar niet de lasten van het ondernemerschap willen dragen.

Genoemde feiten en omstandigheden zijn zo ernstig, dat alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur voor de afdoening in aanmerking komt. Verdachte moet boeten, maar het is ook van belang dat aan anderen door deze strafoplegging wordt duidelijk gemaakt dat dergelijk gedrag niet door de beugel kan. De in eerste aanleg en in hoger beroep geëiste straffen doen niet voldoende recht aan de bijzondere ernst van de feiten. Hetzelfde geldt voor de straffen die de rechtbank heeft opgelegd. Daaraan kan niet afdoen dat verdachte van een deel van het ten laste gelegde is vrijgesproken.

De benadeelde partijen [benadeelde partijen]

Uit het onderzoek in hoger beroep is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde partijen] zich in het geding in eerste aanleg hebben gevoegd, dat hun vorderingen in eerste aanleg niet zijn toegewezen en dat zij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw hebben gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van hun vorderingen tot schadevergoedingen in het geding in hoger beroep niet voort en kan het hof niet op die vorderingen beslissen.

De benadeelde partij [benadeelde partij]

Uit het onderzoek in hoger beroep is gebleken, dat de [benadeelde partij] zich als benadeelde partij in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels wel en deels niet is toegewezen en dat zij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort, voor zover die vordering in eerste aanleg is toegewezen.

De vordering is van de zijde van verdachte niet weersproken. Derhalve kan deze worden toegewezen, met dien verstande dat indien dit bedrag door een mededader is of wordt betaald, de verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 225, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE IN HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 primair, 3 primair en onder 4 primair telastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 3 primair en onder 4 primair meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde partij], wonende te [adres], tot een bedrag van achthonderdenachtennegentig euro en achtenveertig cent, met dien verstande dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt -tot aan deze uitspraak begroot op nihil- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Hermans, voorzitter, Wedzinga en Zwinkels, in tegenwoordigheid van Van Jaarsveld als griffier, zijnde mr. Wedzinga en mr. Zwinkels voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Het arrest is uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof op 28 augustus 2003 door mr. Hermans.