Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1336

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
02/03967
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur maakt niet aannemelijk dat een gedeelte van de door belanghebbende in aftrek gebrachte accountantskosten betrekking heeft op activiteiten van de aandeelhouder als zodanig.

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/19.1.13
FutD 2003-1561
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 13 juni 2002 ter griffie van het Gerechtshof een beroepschrift ontvangen, ingediend door A (B advocaten - belastingkundigen) te Q als gemachtigde van belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 mei 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1995.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 64.571. Tevens is

ƒ 1.353 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de aanslag en tot vernietiging van de beschikking heffingsrente.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. Namens belanghebbende is een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.6. Ter zitting van 18 februari 2003 zijn verschenen namens belanghebbende mr. C (B advocaten en belastingkundigen; hierna: gemachtigde) en namens de inspecteur mr. D. Namens belanghebbende is een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van de bij deze pleitnota gevoegde bijlage en van een ter zitting door gemachtigde overgelegde kopie van een overeenkomst heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten. Door de inspecteur zijn ter zitting kopieën overgelegd van de door belanghebbende ingediende aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 1993, 1995 en 1996, alsmede van een kopie van een beschikking tot ambtshalve vermindering van de aanslag vennootschaps-belasting 1995. Van deze stukken heeft gemachtigde kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten. Voorzover in de ter zitting overgelegde aangiften niet nader door de inspecteur toegelichte stukken zijn aangetroffen welke niet tot die aangiften behoren, het betreft onder meer correspondentie met belanghebbende, rekent het Hof deze

stukken niet tot de gedingstukken. De zitting is voor enkele minuten geschorst teneinde - met toestemming van partijen - twee medewerkers van het Amsterdams Gemeentearchief in de gelegenheid te stellen enkele foto's te maken.

1.7. Desgevraagd is namens belanghebbende bij brief van mr. A en mr. C van 19 februari 2003 een kopie toegezonden van de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 1994. Bij brief van 24 februari 2003 heeft de griffier een kopie van evenvermelde stukken aan de inspecteur toegezonden. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur gereageerd bij brief van 26 februari 2003. Een kopie van deze brief is bij brief van de griffier van 27 februari 2003 aan mr. A en mr. C toegezonden. Partijen hebben laten weten dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting.

1.8. Gelijktijdig zijn ter zitting behandeld de beroepen van belanghebbende inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 1993, 1994, 1995 en 1996, met als kenmerken respectie-velijk 02/03965, 02/03966, 02/03967, 02/03968, alsmede inzake de naheffingsaanslag dividendbelasting over de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995, met als kenmerk 02/04798.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is op 20 september 1886 als naamloze vennootschap opgericht onder de naam N.V. E. In 1973 heeft belanghebbende haar naam en rechtsvorm gewijzigd in die van de besloten vennootschap E B.V. In 1997 is de naam van deze vennootschap gewijzigd in X B.V. (hierna: belanghebbende).

2.2. Namens de inspecteur is een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 1995. In het van dit onderzoek in het jaar 2000 uitgebrachte rapport (hierna: het controlerapport) is met betrekking tot de verkoop van de panden onder meer het volgende vermeld:

"4.2 Accountantskosten

Nadat op 5 februari 1993 het economisch eigendom van het onroerend goed is overgedragen vinden er tot 27 december 1996 in feite geen activiteiten meer plaats bij belastingplichtige. (…) De accountantskosten hebben dan ook voornamelijk betrekking op de boeking van inkomsten en kosten van de aandeelhouders. De ten laste van de resultatenrekening gebrachte accountantskosten bedragen in

(…)

1995 f 3.500,-

(…)

Gezien de omvang van de werkzaamheden voor de vennootschap kan f 2.000,- per jaar als zakelijke kosten worden beschouwd."

2.3. Met dagtekening 15 december 1998 heeft de inspecteur voor het jaar 1995 ten name van belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd en berekend naar een belast-baar bedrag van ƒ 64.571. Bij beschikking van 23 november 2002 is de aanslag verminderd en berekend naar een als volgt nader vastgesteld belastbaar bedrag:

Aangegeven belastbare winst ƒ 37.293

minder accountantskosten 1.500

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 38.793

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag tot welk bedrag de aan belanghebbende in rekening gebrachte accountantskosten ten laste van haar winst kunnen komen.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de namens belanghebbende overgelegde pleitnota.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 Accountantskosten

5.1.1. Ten laste van het resultaat van belanghebbende is een bedrag gekomen van ƒ 3.500 ter zake van accountantskosten. De inspecteur heeft ter zake van deze kosten gesteld dat slechts de helft daarvan zakelijk is, omdat belanghebbende na de verkoop van de onroerende zaken geen dan wel nagenoeg geen activiteiten meer ontplooide. De werkzaamheden van de accountant zouden gedeeltelijk betrekking hebben op activiteiten van de aandeelhouders in privé. Belanghebbende heeft daarentegen gesteld dat het bedrag aan accountantskosten betrekking heeft op de zakelijke verplichtingen van belanghebbende.

5.1.2. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur zijn stelling dat een gedeelte groot

ƒ 1.500 van de aan belanghebbende in rekening gebrachte accountantskosten betrekking heeft op activiteiten van de aandeelhouders in privé, gelet ook op de aard en de omvang van de in geschil zijnde kosten niet, althans niet voldoende onderbouwd. Ook overigens heeft de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de accountantskosten niet als zakelijke kosten zijn te beschouwen. De aanslag dient derhalve te worden verminderd tot een berekend naar het aangegeven belastbaar bedrag van ƒ 37.293.

5.2. Schadevergoeding

5.2.1. Belanghebbende heeft het Hof in haar beroepschrift verzocht de inspecteur te veroorde-len tot vergoeding van schade. Als te vergoeden schade heeft belanghebbende genoemd de kosten van de bezwaarfase. Belanghebbende heeft geen berekening van deze kosten overge-legd.

5.2.2. Indien de inspecteur een belastingaanslag vaststelt die naderhand door de rechter wordt verminderd of vernietigd wegens een onjuiste uitleg dan wel een onjuiste toepassing van het recht, begaat dat bestuursorgaan daarmee een onrechtmatige daad jegens de belasting-plichtige. Ook indien de inspecteur geen verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze

onrechtmatige daad aan de Staat dient te worden toegerekend, behoudens ingeval zich

bijzondere omstandigheden voordoen. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur door de onderhavige aanslag vast te stellen en te handhaven jegens belanghebbende een onrechtmatige daad heeft begaan die aan de Staat moet worden toegerekend. Een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, is gesteld noch aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het Hof is het inroepen van de rechtsbijstand in de bezwaarfase door belanghebbende in redelijkheid geschied. Het Hof acht mitsdien termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. Nu door belanghebbende met betrekking tot de omvang van deze kosten niets is gesteld, is het Hof voorshands niet in staat die omvang vast te stellen. Ter voorbereiding van een nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zal het Hof het onderzoek heropenen.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt het Hof de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuurs-recht worden deze kosten als volgt vastgesteld: 2,5 (beroepschrift, conclusie van repliek en verschijnen ter zitting) x 0,5 (gewicht van de zaak) x € 322 (waarde per punt) = € 402,50.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 37.293 en

vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van € 218 aan belanghebbende te vergoeden,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 402,50

en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- heropent het onderzoek over de omvang van de aan belanghebbende te vergoeden schade en

stelt belanghebbende in de gelegenheid hieromtrent binnen een maand na de verzenddatum

van deze uitspraak een schriftelijke conclusie in te dienen.

De uitspraak is vastgesteld op 10 juni 2003 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Kostense en Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.