Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1335

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
02/03966
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft het door hem gestelde, verleende uitstel voor het opleggen van de aanslag niet aannemelijk gemaakt. De aanslag is niet binnen de daarvoor geldende termijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11, geldigheid: 2003-06-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1561
FED 2003/501
FED 2003/515

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 13 juni 2002 ter griffie van het Gerechtshof een beroepschrift ontvangen, ingediend door A (B advocaten - belastingkundigen) te Q als gemachtigde van belanghebbende. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 mei 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1994.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 63.409. Tevens is

ƒ 1.703 aan heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aanslag, alsmede de beschikking heffingsrente.

1.4. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.5. Namens belanghebbende is een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.6. Ter zitting van 18 februari 2003 zijn verschenen namens belanghebbende mr. C (B advocaten en belastingkundigen; hierna: gemachtigde) en namens de inspecteur mr. D. Namens belanghebbende is een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van de bij deze pleitnota gevoegde bijlage en van een ter zitting door gemachtigde overgelegde kopie van een overeenkomst heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten. Door de inspecteur zijn ter zitting kopieën overgelegd van de door belanghebbende ingediende aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 1993, 1995 en 1996. Voorts heeft de inspecteur een kopie overgelegd van een beschikking tot vermindering van de aanslag. Van deze stukken heeft gemachtigde kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten. Voorzover in de ter zitting overgelegde aangiften niet nader door de

inspecteur toegelichte stukken zijn aangetroffen welke niet tot die aangiften behoren, het

betreft onder meer correspondentie met belanghebbende, rekent het Hof deze stukken niet tot de gedingstukken. De zitting is voor enkele minuten geschorst teneinde - met toestemming van partijen - twee medewerkers van het Gemeentearchief te Amsterdam in de gelegenheid te stellen enkele foto's te maken.

1.7. Desgevraagd is namens belanghebbende bij brief van mr. A en mr. C van 19 februari 2003 een kopie toegezonden van de aangifte vennootschapsbelasting van belanghebbende voor het jaar 1994. Bij brief van 24 februari 2003 heeft de griffier een kopie van evenvermelde stukken aan de inspecteur toegezonden. Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur gereageerd bij brief van 26 februari 2003. Een kopie van deze brief is bij brief van de griffier van 27 februari 2003 aan mr. A en mr. C toegezonden. Partijen hebben laten weten dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting.

1.8. Gelijktijdig zijn ter zitting behandeld de beroepen van belanghebbende inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 1993, 1994, 1995 en 1996, met als kenmerken respectie-velijk 02/03965, 02/03966, 02/03967, 02/03968, alsmede inzake de naheffingsaanslag dividendbelasting over de periode van 1 januari 1993 tot en met 31 december 1995, met als kenmerk 02/04798.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is op 20 september 1886 als naamloze vennootschap opgericht onder de naam N.V. E. In 1973 heeft belanghebbende haar naam en rechtsvorm gewijzigd in die van de besloten vennootschap E B.V. In 1997 is de naam van deze vennootschap gewijzigd in X B.V. (hierna: belanghebbende).

2.2. Namens de inspecteur is een boekenonderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting van belanghebbende voor de jaren 1992 tot en met 1995. In het van dit onderzoek in het jaar 2000 uitgebrachte rapport (hierna: het controlerapport) is onder meer het volgende vermeld:

"3. Fiscale balans

(…)

3.2 Rekening-courant aandeelhouders

Op 5 februari 1993 heeft belastingplichtige een hypothecaire lening gesloten van

f 850.000,- (…). Tevens werd op genoemde datum f 190.000,- in depot gestort door (…) F (…) Van het totaal beschikbare bedrag ad f 1.040.000,- is de oude hypothecaire lening en een bankkrediet afgelost. Tevens zijn er leningen verstrekt in verband met de aandelenoverdracht aan de drie nieuwe aandeelhouders, te weten (…) G f 300.000,-, (…) I f 150.000,- en (…) H f 150.000,-.

Op 5 februari 1993 vindt de economische eigendomsoverdracht van het onroerend goed plaats (…). De koopsom (…) wordt geheel schuldig gebleven en als vordering in rekening-courant geboekt (…).

Via een interne boeking nemen de drie aandeelhouders de hypotheekschulden per 1 januari 1995 over. De hypotheekrente komt vanaf genoemde datum voor rekening van de aandeelhouders. Ten aanzien van de rekening-courantvorderingen zijn er geen

leningsovereenkomsten opgesteld. Zekerheden voor de leningen zijn niet gesteld. Een

aflossingsplan is niet aanwezig. In 1996 zijn de vorderingen afgelost, doordat de aandeelhouders het onroerend goed hebben verkocht. De jaarlijkse rentevergoeding over de vorderingen in rekening-courant bedraagt van 1993 tot en met 1995 6 procent over het gemiddelde saldo.

(…)

In het conceptrapport heb ik de rentevergoeding gecorrigeerd. Daarbij ben ik uitgegaan van een rentepercentage van 8,95 over de gehele vordering. (…) Het gemiddelde promessedisconto verhoogd met 2% wegens kosten en risico bedraagt 9,3%.

(…)

Hieronder volgt een overzicht van de rente over de vorderingen in rekening-courant over de jaren 1993 tot en met 1995:

(…)

Correctie:

1994 f 34.841,- niet aftrekbare bedragen/dividenduitkeringen

(…)

4. Fiscale winstberekening

(…)

4.2 Accountantskosten

Nadat op 5 februari 1993 het economisch eigendom van het onroerend goed is overgedragen vinden er tot 27 december 1996 in feite geen activiteiten meer plaats bij belastingplichtige. (…) De accountantskosten hebben dan ook voornamelijk betrekking op de boeking van inkomsten en kosten van de aandeelhouders. De ten laste van de resultatenrekening gebrachte accountantskosten bedragen in

1994 f 4.369,-

(…)

Gezien de omvang van de werkzaamheden voor de vennootschap kan f 2.000,- per jaar als zakelijke kosten worden beschouwd."

2.3. Met dagtekening 31 juli 1998 heeft de inspecteur voor het jaar 1994 ten name van belanghebbende een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Het vastgestelde belastbaar bedrag is als volgt berekend:

Aangegeven belastbare winst ƒ 13.992

meer rente op de vordering in rekening-

courant met de aandeelhouders 47.048

minder accountantskosten 2.369

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 63.409

2.4. Als bijlage bij de bestreden uitspraak is een kopie gevoegd van een uitdraai van het interne automatiseringssysteem van de Belastingdienst. Dit stuk vermeld ter zake van de geplande binnenkomst van de aangifte vennootschapsbelasting 1994 van belanghebbende als datum 29 februari 1996 en als datum van binnenkomst van die aangifte 16 oktober 1995.

2.5. Bij ambtshalve genomen beschikking, gedagtekend 19 oktober 2002, heeft de inspecteur de aanslag verminderd en, overeenkomstig het controlerapport berekend naar een als volgt nader berekend belastbaar bedrag:

Aangegeven belastbare winst ƒ 13.992

meer rente op de vordering in rekening-

courant met de aandeelhouders 34.841

minder accountantskosten 2.369

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 51.202

3. Geschil

In geschil zijn de volgende vragen:

1. Is de aanslag tijdig opgelegd?

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord zijn de volgende vragen in geschil:

2. Is een zakelijke rente ten laste van de winst gebracht met betrekking tot de vordering in rekening-courant van belanghebbende op haar aandeelhouders?

3. Tot welk bedrag kunnen de aan belangebbende in rekening gebrachte accountantskosten ten laste van haar winst komen?

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de namens belanghebbende overgelegde pleitnota.

4.2. Ter zitting is namens belanghebbende - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. Uit de vastlegging in de kantoorautomatisering van de Belastingdienst kan niet worden afgeleid dat aan belanghebbende kenbaar is gemaakt dat aan haar uitstel is verleend tot de door de inspecteur gestelde datum.

4.3. Ter zitting is door de inspecteur - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. Met betrekking tot de jaren 1994 en 1996 kan ik geen stukken overleggen waaruit het verleende uitstel blijkt. De aangifte vennootschapsbelasting 1994 zal ik nog toezenden. De belastbare winst over 1993 was negatief. Een zakelijke rente over de vordering in rekening-courant op de aandeelhouders zou zijn geweest het promessedisconto plus twee.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De tijdigheid van de aanslag

5.1.1. Vaststaat dat de aanslag vennootschapsbelasting 1994 is gedagtekend 31 juli 1998. Belanghebbende heeft gesteld dat aan haar niet duidelijk kenbaar is gemaakt dat voor het indienen van het aan haar uitgereikte aangiftebiljet vennootschapsbelasting 1994 tot 1 maart 1996 uitstel is verleend. De inspecteur heeft gesteld dat het aangiftebiljet vennootschaps-belasting 1994 zonder uitstel vóór 1 juni 1995 had moeten worden ingediend en dat voor het indienen daarvan negen maanden uitstel is verleend tot 1 maart 1996. Hiertoe verwijst de inspecteur naar de onder 2.4 vermelde gegevens.

5.1.2. Ingevolge artikel 11, derde lid, in samenhang met artikel 11, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vennootschapsbelasting door het verloop van drie jaren na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en wordt deze termijn verlengd met de duur van het uitstel dat is verleend voor het doen van aangifte. Dit betekent dat de termijn voor het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 1994 ten name van belanghebbende in beginsel op 31 december 1997 verliep. De aanslag is evenwel gedagtekend 31 juli 1998. Nu niet is gesteld en ook overigens niet aannemelijk is geworden dat de aanslag is bekend-gemaakt na 31 juli 1998, en niet weersproken is dat het aangiftebiljet, indien geen uitstel zou zijn verleend, vóór 1 juni 1995 had moeten zijn ingediend, houdt het vorenstaande in dat de aanslag nog tijdig zou zijn opgelegd indien aannemelijk is te achten dat tot 1 januari 1996 uitstel is verleend en dit uitstel aan belanghebbende bekend is gemaakt.

5.1.3. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij - anders dan het onder 2.4 vermelde stuk - geen stukken kan overleggen waaruit het verleende uitstel blijkt. Met betrekking tot de onder 2.4 vermelde gegevens heeft belanghebbende gesteld dat deze voor haar niet kenbaar waren. Naar het oordeel van het Hof bieden de onder 2.4 vermelde gegevens onvoldoende grond voor de conclusie dat het door de inspecteur gestelde uitstel aan belanghebbende duidelijk kenbaar is gemaakt. Nu de inspecteur van een zodanig kenbaar maken verder geen bewijs heeft geleverd, moet ervan worden uitgegaan dat aan belanghebbende voor het doen van aangifte vennootschapsbelasting 1994 geen uitstel is verleend, althans dat, indien ervan wordt uitgegaan dat uitstel is verleend, dit uitstel voor haar niet duidelijk kenbaar was, zodat de termijn voor het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 1994 niet met het verleende uitstel, als bedoeld in artikel 11, derde lid, AWR kan zijn verlengd. Dit betekent dat de aanslag vennootschapsbelasting 1994 onbevoegdelijk is opgelegd en dat deze, zoals ook de gelijktijdig genomen beschikking heffingsrente, dient te worden vernietigd. Aan de overige geschilpunten komt het Hof verder niet toe.

5.2. Schadevergoeding

5.2.1. Belanghebbende heeft het Hof in haar beroepschrift verzocht de inspecteur te veroorde-len tot vergoeding van schade. Als te vergoeden schade heeft belanghebbende genoemd de kosten van de bezwaarfase. Belanghebbende heeft geen berekening van deze kosten overge-legd.

5.2.2. Indien de inspecteur een belastingaanslag vaststelt die naderhand door de rechter wordt verminderd of vernietigd wegens een onjuiste uitleg dan wel een onjuiste toepassing van het recht, begaat dat bestuursorgaan daarmee een onrechtmatige daad jegens de belasting-plichtige. Ook indien de inspecteur geen verwijt treft, moet worden aangenomen dat deze onrechtmatige daad aan de Staat dient te worden toegerekend, behoudens ingeval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur door de onderhavige aanslag vast te stellen en te handhaven jegens belanghebbende een onrechtmatige daad heeft begaan die aan de Staat moet worden toegerekend. Een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, is gesteld noch aannemelijk geworden. Naar het oordeel van het Hof is het inroepen van de rechtsbijstand in de bezwaarfase door belanghebbende in redelijkheid geschied. Het Hof acht mitsdien termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase. Nu door belanghebbende met betrekking tot de omvang van deze kosten niets is gesteld, is het Hof voorshands niet in staat die omvang

vast te stellen. Ter voorbereiding van een nadere uitspraak als bedoeld in artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zal het Hof het onderzoek heropenen.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt het Hof de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuurs-recht worden deze kosten als volgt vastgesteld: 2,5 (beroepschrift, conclusie van repliek, verschijnen ter zitting) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322 (waarde per punt) = € 805.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vernietigt de aanslag en de beschikking heffingsrente,

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van € 218 aan belanghebbende te vergoeden,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 805

en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- heropent het onderzoek over de omvang van de aan belanghebbende te vergoeden schade en

stelt belanghebbende in de gelegenheid hieromtrent binnen een maand na de verzenddatum

van deze uitspraak een schriftelijke conclusie in te dienen.

De uitspraak is vastgesteld op 10 juni 2003 door mrs. Van der Ouderaa, voorzitter, Kostense en Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.