Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1333

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
02/04114 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inspecteur krijgt geen proceskostenvergoeding.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1705
JB 2003/275
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Elfde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst te P, de inspecteur, gedagtekend 10 mei 2002, betreffende de naheffingsaanslag voor de omzetbelasting over het tijdvak 1 december 2001 tot en met 31 december 2001 en de op het aanslagbiljet opgenomen boetebeschikking.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 april 2003.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de naheffingsaanslag en op de boete voor het betaalverzuim; en

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende heeft de aangifte voor de omzetbelasting van tijdvak 1 december 2001 tot en met 31 december 2001 niet binnen de door de inspecteur gestelde termijn ingediend. De inspecteur heeft daarop een naheffingsaanslag opgelegd naar een geschat bedrag van ƒ 3.966 aan enkelvoudige belasting. Op het aanslagbiljet zijn twee boetebeschikkingen opgenomen, te weten één voor een betaalverzuim (ƒ 396) en één voor een aangifteverzuim (ƒ 250).

2. Belanghebbende is tegen de aanslag in bezwaar gekomen. De inspecteur heeft het bezwaarschrift aangemerkt als zijnde tevens gericht tegen de boetebeschikkingen. Uit een door de inspecteur in het geding gebrachte uitdraai uit het computersysteem van de Belastingdienst volgt dat de naheffingsaanslag en de boete voor het betaalverzuim op 27 april 2002 zijn vernietigd. Bij de uitspraak op bezwaar van 10 mei 2002 is de boete voor het aangifteverzuim gehandhaafd.

3. Het Hof neemt aan dat naheffingsaanslag en de boetebeschikking voor het betaalverzuim daadwerkelijk door de inspecteur zijn vernietigd. Voor zover belanghebbendes beroep op deze beschikkingen betrekking heeft, heeft hij daarbij geen belang en is het beroep op deze onderdelen niet-ontvankelijk.

4. Belanghebbende is over de tijdvakken mei, juni, oktober en november 2001 in verzuim geweest bij het doen van aangifte. Het aangifteverzuim voor het onderhavige tijdvak dient dan te worden aangemerkt als een derde/volgend verzuim in de zin van § 22, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (BBBB 1998). De door de inspecteur opgelegde boete ad ƒ 250 is in overeenstemming met het bepaalde in § 22, vijfde lid, van het BBBB 1998. Belanghebbende stelt echter dat de boete dient te worden vernietigd omdat hij geen omzetbelasting verschuldigd was. Het Hof deelt deze visie niet. Artikel 67b van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de door de staatssecretaris van Financiën voorgestane uitwerking daarvan, als neergelegd in paragraaf 22 van het BBBB 1998, stellen een straf op het niet tijdig doen van aangifte. Daarmee wordt beoogd de plicht tijdig aangifte te doen in te scherpen en aldus de verstoring van de heffing en de invordering van onder meer de omzetbelasting te voorkomen. Door de aangifte niet tijdig in te dienen, heeft belanghebbende de heffing en invordering van de omzetbelasting verstoord. In casu heeft de inspecteur heeft bovendien een aanslag naar een geschat bedrag moeten vaststellen. Het opleggen van een boete is in zoverre op zijn plaats. Wat betreft de hoogte van die boete overweegt het Hof dat een boete van ƒ 250 passend en geboden is, nu belanghebbende de heffing en invordering van omzetbelasting over de tijdvakken mei, juni, oktober en november 2001 eveneens heeft verstoord.

5. De inspecteur heeft het Hof verzocht belanghebbende te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten, bestaande uit € 16 aan reiskosten. Een veroordeling van belanghebbende in de proceskosten is op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb uitsluitend mogelijk indien belanghebbende misbruik heeft gemaakt van het procesrecht. Voor misbruik van procesrecht is naar 's Hofs oordeel ten minste vereist dat belanghebbende in redelijkheid geen positief resultaat van zijn beroep kon verwachten. Een dergelijke omstandigheid doet zich in het algemeen niet voor indien een belanghebbende de hoogte van een hem opgelegde boete aan de orde stelt. De rechter is immers geenszins gehouden de in het BBBB 1998 neergelegde en door de staatssecretaris van Financiën voorgestane uitwerkingen te volgen. Het Hof acht dan ook geen termen aanwezig belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende zijn eveneens geen termen aanwezig.

De uitspraak is gedaan op 7 mei 2003 door mr. Vrouwenvelder, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.