Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI1110

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2003
Datum publicatie
14-08-2003
Zaaknummer
23-000446-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn mededaders de heer J. op geraffineerde wijze opgelicht en bewogen tot afgifte van geld. Ver­dach­te en zijn mededaders hebben hierdoor het slachtoffer aanzienlijk financieel bena­deeld en misbruik gemaakt van zijn vertrouwen. Verdachte en zijn mededaders hebben daarbij gebruik gemaakt van valse geschriften als zouden deze afkomstig zijn van regerings- dan wel financiële instanties. Verdachte heeft aldus ook het vertrou­wen dat burgers in het maatschappelijk en financieel verkeer in de juistheid van documenten van die instanties moeten kunnen stellen schade berokkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-000446-03

datum uitspraak 7 augustus 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 30 januari 2003 in de strafzaak onder parketnummer 13/077149-02 van het openbaar ministerie tegen:

Verdachte

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 16 januari 2003 en in hoger beroep van 24 juli 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 16 januari 2003 op vordering van de officier van justi­tie toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vordering wijzi­ging tenlasteleg­ging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewijs

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

-Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde-

op tijdstippen in de periode van 1 april 2002 tot en met 10 december 2002 te Amsterdam en/of Schiphol meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk om zich of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels J. heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (te weten: US $ 23.000 en US $ 30.000 en US $ 28.000) hebbende verdachte en/of zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk –zakelijk weergegeven- valselijk, listiglijk, bedrieglijk en in strijd met de waarheid:

aan die J een e-mail verzonden waarin stond dat in Angola een rebellenleider genaamd K. was gedood en dat deze een bedrag van 8,5 miljoen dollars had nagelaten en dat de familie van K. het geld uit Zuid-Afrika wilde brengen en daarvoor een (bank)rekening nodig had en

die J. telefonisch benaderd met de vraag of die J. het geld wilde beheren, waarbij hij, verdachte of een van zijn mededaders, gebruik maakte van de valse naam K. en zich voordeed als de zoon van de rebellenleider K. en

die J. een faxbericht van Global Securities en Finance doen toekomen, waarin was vermeld dat die J. US $ 23.000 belasting moest betalen en

aan die J. een vals document met het opschrift “Official receipt” en “Customs Exercise & Control Netherlands” laten overhandigen en

tegen die J. gezegd dat de douane het geld niet wilde vrijgeven omdat een “Anti-Terrorism Clearance” nodig was en aan die J. een vals document met het opschrift “Anti Terrorism Clearance” overhandigd of laten overhandigen en

aan die J. per e-mail laten weten dat het geld dat deze betaald had naar de ING bank was gebracht en dat dat geld deels vals was en dat een rekening bij de ING bank moest worden geopend en

aan die J. valse documenten met het opschrift “ING Bank” en “account opening form” doen toekomen en

aan die J. een document met het opschrift “ING Bank” en “Internal Memo” doen toekomen, waarin –zakelijk weergegeven- is vermeld dat J. $ 55.000 moest betalen om toegang tot de rekening te krijgen,

waardoor die J. werd bewogen tot bovenomschreven afgiften;

-Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde-

op tijdstippen in de periode van 8 mei 2002 tot en met 31 augustus 2002 te Amsterdam en/of Schiphol tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een kopie van) (een) vals(e) Anti Terrorism Clearance en valse formulieren “opening rekening ING Bank” en een vals “official receipt” met de vermelding “Customs exercise & control Netherlands” –elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dezen echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken van die (kopie van die) “Anti-Terrorism Clearance” hierin, dat hij, verdachte of één van zijn mededaders, (die kopie van) dat document aan J. heeft overhandigd of laten overhandigen en bestaande die valsheid hierin, dat het Ministerie van Justitie geen antiterrorisme verklaringen afgeeft en bestaande dat gebruik maken van die fomulieren “opening rekening ING Bank” hierin, dat hij, verdachte of één van zijn mededaders, die formulieren aan J. heeft overhandigd of laten overhandigen en bestaande die valsheid hierin, dat op die formulieren het logo van de ING Bank is afgebeeld, terwijl die formulieren niet bij de ING Bank in gebruik zijn en bestaande dat gebruikmaken van dat “official receipt” met de vermelding “Customs exercise & control Netherlands” hierin, dat één van zijn mededaders dat “official receipt” aan J. heeft overhandigd en bestaande die valsheid in dat “official receipt” hierin, dat dit document niet bij de belastingdienst/douane in Nederland in gebruik is.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daar­door niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

Het hof is van oordeel dat verdachte, hoewel hij slechts eenmaal feitelijk aanwezig is geweest, deel heeft uitgemaakt van de groep van personen die J. heeft opgelicht, gelet op het navolgende:

de verklaringen van die J. (proces-verbaal nr. 0242-245/2002, par. 2.1.1. en 2.1.2.), inhoudende –zakelijk weergegeven-:

J. heeft in het kader van de tenlastegelegde feiten meermalen telefonisch en per e-mail contact gehad met een man die zich K. noemde; in diens eerste e-mail heeft die man zich voorgesteld als de zoon van een overleden Angolese rebellenleider.

Die K. is met hem in mei 2002 voor het inklaren van kisten met geld naar een kantoor op Schiphol dat van Global Securities zou zijn geweest; daarbij is ene B. –die tevoren over een en ander met J. contact had gehad en aan wie hij reeds 30.000 dollar had betaald- aanwezig geweest; die B. heeft van hem, J., toen 23.000 dollar in ontvangst genomen en hem een “receipt” van de douane en later een certificaat van Global Securities gegeven.

Op zeker moment nadien heeft die K. hem, J., medegedeeld dat die B. met het geld fraude had gepleegd en dat de zaak was overgenomen door een persoon genaamd W..

Er is voor 10 december 2002 een afspraak te Amsterdam gemaakt waarbij J. een bedrag van 55.000 dollar zou overhandigen aan K. en W..

Op de dag daarvoor heeft J. bericht gehad dat hij contact moest opnemen met W. via een nieuw telefoonnummer, te weten xxxx; hij heeft dat nummer gebeld en met W. een afspraak gemaakt om elkaar ten behoeve van de transactie op 10 december 2002 te 14.30 uur in hotel Krasnapolsky te ontmoeten.

Op voormeld tijdstip heeft J. plaatsgenomen in de lobby van genoemd hotel; kort daarop kwam de persoon binnen die hij kende als K.; deze vertelde hem dat de zaken op een hotelkamer geregeld zouden worden door W..

Enige minuten later is een derde persoon op K. toegelopen; deze persoon heeft J. een hand gegeven en zich aan hem voorgesteld als “W.”

Met K. en W. is J. naar buiten gelopen, alwaar eerstgenoemden door de politie werden aangehouden.

De politie heeft de ontmoeting tussen de drie hiervoorgenoemden geobserveerd en gezien dat korte tijd nadat J. in gesprek was gekomen met “K.” (die later bleek te zijn genaamd: X) een derde persoon op hen toekwam en hen aansprak, waarna zij gedrieën het hotel verlieten; “K.” en deze derde persoon, verdachte, zijn buiten het hotel aangehouden (relaas van bevindingen pv no. 0242-0245/2002, par. 5.1, p.5). Bij zijn aanhouding was verdachte in het bezit van een telefoon met het bovengenoenmde nummer xxxx (genoemd pv, par. 5.2).

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in het hotel aanwezig was om van K. geld te krijgen voor een vliegbiljet; hij heeft ontkend zich in hotel Krasnapolsky aan J. te hebben voorgesteld als “W.”. Ook heeft hij ontkend met J. via genoemde telefoon contact te hebben gehad.

Gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van J., in het bijzonder waar deze weergeeft hoe de ontmoeting per telefoon is tot stand gekomen en dat verdachte zich in het hotel bij hem als “W.” introduceerde, in samenhang beschouwd met de waarnemingen van de politie en de inbeslagneming van de telefoon bij verdachte waarmee de afspraak met J. was gemaakt voor de ontmoeting in hotel Krasnapolsky, acht het hof de verklaring van verdachte over de reden van zijn aanwezigheid in het hotel kennelijk leugenachtig en slechts bedoeld om de waarheid te bemantelen dat verdachte op de hoogte was van de achtergrond van de ontmoeting en betrokken was bij de oplichting van J., waarmee deze verklaring kan worden gebruikt voor het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de straf­baarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit straf­baar is.

Het onder 1 bewezengeachte levert op:

medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

Het onder 2 bewezengeachte levert op:

medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, lid 1, van het wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaar­heid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf met aftrek van de tijd die verdachte voor de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders de heer J. op geraffineerde wijze opgelicht en bewogen tot afgifte van geld. Ver­dach­te en zijn mededaders hebben hierdoor het slachtoffer aanzienlijk financieel bena­deeld en misbruik gemaakt van zijn vertrouwen. Verdachte en zijn mededaders hebben daarbij gebruik gemaakt van valse geschriften als zouden deze afkomstig zijn van regerings- dan wel financiële instanties. Verdachte heeft aldus ook het vertrou­wen dat burgers in het maatschappelijk en financieel verkeer in de juistheid van documenten van die instanties moeten kunnen stellen schade berokkend.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Docu­mentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 16 juni 2003, is verdachte niet eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuit­voerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Van Asperen, Kortenhorst en Marquart Scholtz, in tegenwoordigheid van mr. Oosterhof, griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 augustus 2003.

Mr. Marquart Scholtz is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.