Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0320

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
24-07-2003
Zaaknummer
00/02603
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat zijn detentie in de EBI en de tegen hem ingestelde strafvervolging bij hem hebben geleid tot post traumatische stressstoornissen en dat hij psychisch niet in staat was op aanslagen te reageren. Het Hof komt tot de conclusie dat van belanghebbende redelijkerwijs mocht worden verwacht dat hij tijdig in bezwaar zou zijn gegaan.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2003-07-01
Algemene wet bestuursrecht 2:1, geldigheid: 2003-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1297 met annotatie van Pechler
FutD 2003-1366
V-N 2003/58.1.2

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X, woonplaats kiezende ten kantore van diens gemachtigde te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is op 18 juli 2000 ter griffie van het Gerechtshof een beroepschrift ingekomen, ingediend door mr. A (Advocatenkantoor B te Q) als diens gemachtigde (hierna: gemachtigde). Het beroepschrift is aangevuld bij brief van gemachtigde van 13 april 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 9 juni 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen voor het jaar 1994.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 10.000.000 en een boete van

ƒ 1.000 ter zake van het niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen van aangifte. Het bezwaar tegen de aanslag is bij de bestreden uitspraak niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.3. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak en van de aanslag.

1.4. Gemachtigde heeft op de voet van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij brief van 27 november 2002 nadere stukken en een toelichting daarop ingediend.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift, met overschrijding van het daarvoor tot 3 oktober 2001 verleende uitstel, ingediend op 6 december 2002. Hij concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak en handhaving van de aanslag. De inspecteur heeft bij brief van 29 november 2002 bijlagen behorend bij het verweerschrift overgelegd.

1.6. Ter zitting van 10 december 2002 zijn verschenen gemachtigde, alsmede namens de inspecteur C, tot bijstand vergezeld van D. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van de bij de pleitnota van gemachtigde behorende stukken heeft de inspecteur kunnen kennisnemen en zich daarover kunnen uitlaten. Het Hof rekent de overgelegde stukken tot de gedingstukken. Het onderzoek ter zitting is na

gedeeltelijke behandeling van de zaak geschorst en aangehouden ter voortzetting van de behandeling op een nader te bepalen datum. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld om op de door de inspecteur overgelegde stukken schriftelijk te reageren.

1.7. Bij brief van 20 december 2002 heeft de inspecteur de ontbrekende bijlage 74 bij het verweerschrift toegezonden. Een kopie hiervan is aan gemachtigde toegezonden. Bij brief met bijlagen van 10 januari 2003 heeft gemachtigde een schriftelijke reactie doen toekomen op de voorafgaand aan en ter zitting van 10 december 2002 door de inspecteur overgelegde stukken.

1.8. Bij brief aan het Hof van 4 februari 2003 heeft gemachtigde aangekondigd dat hij naar de zitting van 11 februari 2003 als getuige-deskundige psychiater E zal meenemen. Bij brief aan het Hof van 7 februari 2003 heeft de inspecteur een kopie toegezonden van een brief met bijlage van hem aan gemachtigde gedateerd 7 februari 2003.

1.9. Ter zitting van 11 februari 2003 zijn verschenen gemachtigde, E, alsmede namens de inspecteur C, tot bijstand vergezeld van D en mr. F. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Van de bij deze pleitnota's overgelegde stukken hebben partijen - over en weer - kunnen kennisnemen en erop kunnen reageren.

1.10. Ter zittingen van 10 december 2002 en 11 februari 2003 zijn gelijktijdig behandeld de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken inzake de navorderingsaanslag premie volksverzekeringen 1989, kenmerk 00/02602, de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, kenmerk 00/02603, de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1995, kenmerk 00/02604, en de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996, kenmerk 00/02605.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren te R in 1954, is op 21 januari 1996 te S aangehouden wegens verdenking van het hebben gepleegd van strafbare feiten. Bij arrest van 30 januari 1998 van de derde meervoudige strafkamer van het Hof, gewezen op het beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 7 februari 1997, is belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden en een geldboete van ƒ 1.000.000 in verband met het deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod. Tegen deze beslissing is beroep in cassatie ingesteld, welk beroep in het arrest van de Hoge Raad (strafkamer) van 6 april 1999, nr. 109.064, is verworpen.

2.2. Belanghebbende verbleef van 22 januari 1996 tot 16 april 1998 in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vosseveld", unit 5/Extra Beveiligde Inrichting te Vught (hierna: EBI).

2.3. Een proces-verbaal van 21 maart 1996 van een ambtenaar die werkzaam is bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst vermeldt onder meer het volgende:

"In het onderzoek zijn gedurende de onderzoeksperiode o.a. de navolgende personen aangehouden (tussen haakjes datum aanhouding) (…)

- X (21 januari 1996) (…)

Als advocaten ten aanzien van een aantal van deze verdachten zijn respectievelijk opgetreden:

(…)

- X: mr. G;"

2.4. In een brief van 15 oktober 1996 schrijft de inspecteur aan belanghebbende onder meer:

"Middels dit schrijven verzoek ik u om mij vóór 31 oktober 1996 te berichten of en in hoeverre u uw fiscale aangelegenheden persoonlijk wenst af te handelen dan wel of u deze door een vertegenwoordiger wenst te laten behartigen."

2.5. Mr. G. (advocaat te U) schrijft op 4 november 1996 onder meer het volgende aan de inspecteur:

"De heer X overhandigde mij Uw - ongetekend - schrijven d.d. 15 oktober 1996. Namens cliënt kan ik U berichten dat U correspondentie voor hem bestemd kunt richten aan mijn adres. Te zijner tijd hoop ik U dan te kunnen berichten of hij zelf zijn fiscale aangelegenheden zal afhandelen of dat hij dat door een ander/anderen zal laten doen.

Onder voorbehoud van alle rechten van cliënt, (…)"

2.6. Bij brief van 7 november 1996 schrijft de inspecteur aan belanghebbende:

"Uit oogpunt van zorgvuldigheid dient (…) een door u ondertekende schriftelijke verklaring te worden overgelegd, waaruit uw uitdrukkelijke toestemming voor toezending aan het adres van mr. G blijkt."

Aan mr. G schrijft de inspecteur in eveneens een brief van 7 november 1996:

"Uit oogpunt van zorgvuldigheid dient (…) een door uw cliënt ondertekende schrifte-lijke verklaring te worden overgelegd, waaruit diens uitdrukkelijke toestemming voor toezending aan uw adres blijkt.

Daartoe heb ik uw cliënt uitgenodigd om een schriftelijk verzoek om wijziging van het toezendadres in te dienen. (…)

Indien uw cliënt er alsnog voor kiest om zijn fiscale aangelegenheden door een vertegenwoordiger te laten behartigen, wijs ik er nogmaals op dat hij er dan zorg voor dient te dragen dat deze vertegenwoordiger over een door uw cliënt ondertekende schriftelijke volmacht met daarin duidelijk omschreven bevoegdheden beschikt."

2.7. In een brief van 5 maart 1997 aan de inspecteur schrijft mr. G onder meer het volgende:

"Cliënt, de heer X, (…) ontving een aantal aanslagen, dwangbevelen en aangifte formulieren.

Bovendien ontving cliënt van U bij schrijven van 14 november 1996 een vragenformulier. De heer X wenst er op te wijzen, dat hij niet woonachtig is in Nederland en voorts ook niet belastingplichtig is in Nederland. Ik verwijs daartoe naar de bijlagen A t/m E. (…)

Voorts verzoek ik U mij een volledig overzicht te verstrekken van de stand van zaken bij de diverse aanslagen en aangiften."

2.8. In een brief van 9 april 1997 schrijft de inspecteur aan mr. G onder meer het volgende:

"Wij hebben op 15 oktober 1996 aan de heer X verzocht om zijn gemachtigde in fiscale zaken aan ons kenbaar te maken. Op dit verzoek hebben wij geen antwoord ontvangen.

U heeft op 4 november 1996 verzocht om de correspondentie aangaande de heer X in het vervolg aan u te richten. Bevestiging van dit verzoek (…) door de heer X zelf is uitgebleven.

Mede gezien de verdere inhoud van uw brief van 4 november zal ik er derhalve vanuit moeten gaan dat u in deze niet de gemachtigde van de heer X bent. Indien deze conclusie onjuist is verzoek ik u mij een kopie van uw machtiging toe te zenden.

(…)

Ik heb heden mogelijk ten overvloede een kopie van uw brief en deze brief aan de heer X verzonden met het verzoek mij mede te delen of en in hoeverre u namens hem gemachtigd bent om hem in het fiscale te vertegenwoordigen."

2.9. Bij brief aan mr. H (advocaat te S) van 9 april 1997 schrijft de inspecteur onder meer:

"U hebt tot op heden geen machtiging overgelegd waaruit uw bevoegdheid tot het indienen van bezwaarschriften namens de belanghebbende bleek."

2.10. In een brief aan belanghebbende schrijft de inspecteur op 9 april 1997:

"Hierbij doe ik u kopieën van de correspondentie die ik heb gevoerd met mr. G. toekomen. Ik verzoek u mij een machtiging te sturen om deze brief te beantwoorden (…). Indien u inmiddels een fiscaal gemachtigde heeft aangewezen verzoek ik u mij de inhoud van die machtiging en de personalia van de gemachtigde te verstrekken.

Ook doe ik u een kopie toekomen van mijn brief aan mr. H"

2.11. In een brief van 6 mei 1997 schrijft mr. G aan de inspecteur:

"Zoals U bekend is mijn cliënt, de heer X, gedetineerd in Nieuw Vosseveld te Vught, afd. TEBI.

Mede doordat hij daar sedert ongeveer anderhalf jaar onder welhaast onmenselijke omstandigheden moet verblijven, acht hij zich niet in staat zelf adequaat over belasting (en andere) zaken na te denken.

Terzijde merk ik nog op dat (ook) Uw standpunt ten aanzien van mr. H mij bepaaldelijk onjuist lijkt."

2.12. De inspecteur reageert op de brief van mr. G van 6 mei 1997 in een brief van 7 mei 1997 als volgt:

"Uit uw brief concludeer ik dat u niet gemachtigd bent om de heer X in het fiscale te vertegenwoordigen."

2.13. Het aanslagbiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994, gedagtekend 31 december 1997 (hierna: de aanslag), is als volgt geadresseerd:

"X

P/A P.I. "NIEUW VOSSEVELD"

LUNETTENLAAN 501

5263 NT VUGHT"

2.14. Bij brief van 6 januari 1998 van de Penitentiaire Inrichting Nieuw Vosseveld aan de inspecteur zijn twee brieven inhoudende de definitieve aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 en vermogensbelasting 1995 retour gezonden met de volgende mededeling:

"(…) X heeft geweigerd deze brieven te accepteren en heeft van de inhoud geen kennis genomen."

2.15. In een brief van 15 februari 2000 schrijft gemachtigde aan de inspecteur onder meer het volgende (bijlage 38 bij de brief van de inspecteur van 29 november 2002):

"Tot mij heeft zich gewend de heer X, verblijvende in het Huis van Bewaring te T, met het verzoek zijn belangen te behartigen in een door de Ontvanger van uw dienst bij de Rechtbank te P aanhangige gemaakte procedure. In het kader van die procedure ontving ik op 10 februari jongstleden de conclusie van eis (…).

Bij uw brieven d.d. 30 september 1999 waren kennisgevingen van vermindering van (…) aanslagen ingesloten. Tevens werden terzake van deze, alsmede elf andere aanslagen in januari 1999 dwangbevelen uitgevaardigd welke eveneens aan meergenoemde conclusie van eis waren gehecht. Die overige elf aanslagen betreffen de navolgende:

(…)

10. Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 (H46)

(…)

Cliënt heeft van vermelde aanslagen, noch de daarop betrekking hebbende dwangbevelen, noch uw brieven d.d. 30 september 1999 en eventuele andere stukken van uw dienst kennis kunnen nemen (…).

(…)

Cliënt heeft zich ook onder behandeling van de psychiater/psycho-analyticus dr. E te P moeten stellen, wiens schrijven d.d. 14 februari 2000 (…) bevestigt dat cliënt op psychische gronden geen kennis kon nemen van zijn belastingproblematiek."

2.16. In een brief van 14 februari 2000 aan gemachtigde schrijft E, psychiater psychoanalyticus (hierna: E), onder meer het volgende (productie 2 bij de aanvulling op het beroepschrift):

"Op uw verzoek onderzocht ik de heer X (…) met de vraagstelling of het op psychische gronden is te verklaren waarom cliënt de belastingpapieren aan de bezorger heeft teruggegeven en niet op de gebruikelijke wijze heeft geaccepteerd. Teneinde hierin inzicht te verkrijgen heeft ondergetekende een aantal gesprekken met cliënt gevoerd over de psychische druk waaronder hij destijds heeft geleden.

(…)

Onder normale omstandigheden zou cliënt de vertegenwoordiger van zijn persoon evenwel zijn zaak in deze hebben kunnen laten behartigen. Cliënt verkeerde echter in verre van normale omstandigheden. Hij verbleef van begin januari 1996 in de TEBI (…). Het regiem van deze inrichting is meerdere malen in het nieuws geweest wegens het inhumane karakter ervan. Volgens vele deskundigen (…) worden in die inrichting mensonwaardige normen gehanteerd.

Het gaat hier echter over de wijze waarop cliënt zijn detentie aldaar heeft ondergaan. Bij vragen hierover komt cliënt wegens emotionele opwinding nauwelijks uit zijn woorden. Cliënt voelt zich tijdens zijn detentie sterk vernederd. Hij vertelt dat ongeveer 120 bewakers de 24 gedetineerden wekelijks, in ieder geval zeer frequent, onderzochten op voorwerpen of drugs in de ruimte achter de kringspier van de anus. (…)

Een tweede punt van client betrof het ontvangen van bezoek achter glas. Cliënt heeft deze beroving van een dun draadje intermenselijk contact als zeer traumatisch ervaren. Een belangrijke traumatische ervaring tijdens de rechtszitting in april 1996 was het weerzien van zijn concubine. Deze was maandenlang in voorarrest gehouden (…).

Vanaf de vrijlating van de concubine is zij door ondergetekende behandeld (…). Uit de vele gesprekken die ondergetekende met de concubine heeft gevoerd, bleek overduidelijk dat cliënt (…) zich voor allerlei belangrijke zaken moest afsluiten teneinde de detentie zo goed en kwaad als het ging te overleven (…).

Ondanks bovengenoemde inperkingen, nodig om de TEBI-periode te overleven, ontwikkelde cliënt psychische klachten. (…)

Hij ontwikkelde concentratiestoornissen en vergeetachtigheid. Aldus werden de hogere hersenfuncties aangedaan c.q. beschadigd (…). Daarbij kreeg cliënt tremoren aan beide handen (…). Sinds jaren lijdt cliënt aan slaapstoornissen. (…)

Een extra verzwaring van de detentie bestond uit het feit dat zijn partner, maar ook nog zijn twee dochters, psychische klachten kregen. Zie de brief (…) d.d. 17 juni 1997, de brief d.d. 10 mei 1999 en de brief d.d. 1 september 1999. (…)

In het ontstaan van de psychische klachten speelt niet alleen de aard van het regiem een grote rol, ook de duur van twee jaar TEBI-regiem is cliënt bijzonder zwaar gevallen.

Bij onderzoek zie ik een nerveuze man met helder bewustzijn en intacte oriëntatie in tijd, plaats en persoon. De aandacht is vernauwd, in die zin dat cliënt gepreoccupeerd is met zijn traumatische ervaringen en angst voor nieuwe trauma's door eventuele gijzeling. De concentratie is matig. Cliënt kan moeilijk van onderwerp wisselen. De short memory-functie is eveneens beperkt. De stemming is vlak. Er zijn geen

manifeste psychotische kenmerken aanwezig. Beide handen vertonen een nerveuze tremor.

Diagnostische overwegingen; Het psychiatrisch beeld past bij een uitputtingstoestand van vele aaneengeschakelde psychotraumata (…). Het angstniveau is hoog, evenals de onderliggende agitatie en gevoel onrechtvaardig te worden behandeld. (…) Het klinisch beeld is duidelijk ernstiger dan het beeld dat 'bajes moe' wordt genoemd (…). Bij cliënt spelen psycho-traumatische ervaringen een veel grotere rol.

Samenvatting: (…)

De psychische belasting van cliënt was dermate zwaar dat cliënt er niets bij kon hebben dat zijn fragiele evenwicht kon verstoren. (…)

Conclusie: Ondergetekende concludeert dat het afwijzen van de belastingpapieren een direct gevolg is van de psychische druk en de psychische klachten ten tijde van de afwijzing. Het betreft een opeenstapeling van stresserende factoren, waarvan bij vele psychisch gezonde mensen vaak één factor al voldoende is voor een psychische ineenstorting. (…) Dit allemaal des te meer in een situatie waarin geen humaan contact mogelijk is en de emotionele spanning niet afgevloeid kan worden door een uitwisseling met een vertrouwenspersoon. Cliënt heeft instinctief aangevoeld dat hij de extra psychische last van de belastingpapieren niet zou kunnen verwerken en gaf deze aan de bezorger terug, zonder te kunnen overzien welke gevolgen dit voor hem zou kunnen hebben."

2.17. Met bijlage 72 bij het verweerschrift legt de inspecteur een brief over van E aan mr. G betreffende belanghebbende, gedateerd 9 oktober 2000, waarin onder meer het volgende is vermeld:

"Het OM heeft willens en wetens, en vaak niet anders te begrijpen dan voor eigen glorie, gemeend een mediacircus rond uw cliënt te moeten opvoeren. Kritische publieke belangstelling doen ministers en procureurs-generaal al binnen enige weken ziek worden. Anders dan dezen kon uw cliënt zich niet aan de smadelijke publieke bejegening onttrekken (…). De heer X is extra gestraft door onnodig verblijf in de EBI, een half jaar toegevoegde gevangenisstraf wegens het niet kunnen voldoen van een boete en gijzeling wegens het niet kunnen voldoen van belastingschulden. Wat juridisch ook van dat laatste mag kloppen, een beoordeling daarvan gaat uiteraard buiten mijn competentie om, het bedrag en samenstelling daarvan lijkt meer op een oneigenlijk drukmiddel om uw cliënt te straffen dan een redelijke aanslag. Uw cliënt voelt zich hierdoor zeer gekwetst en zijn rechtsgevoel is verstoord, met als gevolg dat het psychische evenwicht is verdwenen."

2.18. Bij brief van gemachtigde van 16 maart 2000 is namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de in geschil zijnde aanslag. Dit bezwaar is aangevuld bij brief van gemachtigde van 6 juni 2000. In de bestreden uitspraak heeft de inspecteur belanghebbende wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar.

3. Geschil

In geschil is primair of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord is in geschil of de inspecteur terecht de onderwerpelijke aanslag heeft opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken, de onder 1.6 en 1.9 vermelde pleitnota's en de processen-verbaal van de zittingen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat belanghebbende van 22 januari 1996 tot 16 april 1998 in de EBI verbleef en dat te zijner attentie naar het adres van de EBI een aanslagbiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 is toegezonden, gedagtekend 31 december 1997. Tegen deze aanslag is namens belanghebbende bij brief van gemachtigde van 16 maart 2000 een bezwaarschrift ingediend.

5.2. In een brief van 4 november 1996 informeert mr. G de inspecteur dat hij correspondentie die voor belanghebbende bestemd is naar hem kan zenden. Bij brief van 7 november 1996 heeft de inspecteur aan belanghebbende verzocht een schriftelijke verklaring te overleggen waarin toestemming wordt verleend voor toezending van belastingstukken aan het adres van mr. G. In een brief aan mr. G van eveneens 7 november 1996 heeft de inspecteur mr. G over zijn verzoek aan belanghebbende geïnformeerd.

5.3. In een brief van 9 april 1997 heeft de inspecteur mr. G erop gewezen dat belanghebbende was verzocht om zijn gemachtigde kenbaar te maken, maar dat dit niet is gebeurd. Tevens schrijft de inspecteur in een brief aan mr. H van eveneens 9 april 1997 dat door hem geen machtiging is overgelegd om namens belanghebbende bezwaarschriften in te dienen. Voorts heeft de inspecteur in een brief aan belanghebbende van eveneens 9 april 1997 verzocht om, indien door hem een vertegenwoordiger ter behartiging van fiscale aangelegenheden is aangewezen, van die persoon een machtiging toe te zenden.

5.4. Noch door belanghebbende, noch door een ander is aan de inspecteur een schriftelijke machtiging verstrekt tot het - op enigerlei wijze - vertegenwoordigen van belanghebbende tegenover de inspecteur. Tot het verlangen van een dergelijke machtiging is de inspecteur bevoegd op grond van artikel 2:1, tweede lid, van de Awb. Uit de parlementaire behandeling van deze bepaling blijkt dat hierin door de wetgever welbewust niet een uitzondering is opgenomen voor advocaten. Het vorenstaande leidt ertoe dat ervan kan worden uitgegaan dat het aanslagbiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 ten name van belanghebbende is toegezonden naar het juiste adres en dat de desbetreffende aanslag, nu niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat de dag van dagtekening van de aanslag gelegen is vóór de dag van de bekendmaking, tijdig is bekendgemaakt.

5.5. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een be-zwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) aan met ingang van de dag na die van de dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekend-making van de aanslag. Vaststaat dat door of namens belanghebbende niet binnen de hiervoor bedoelde termijn bezwaar is gemaakt tegen de door hem ontvangen aanslag inkomsten-belasting/premie volksverzekeringen 1994. Hierop volgt in beginsel de niet-ontvankelijk-verklaring van het bezwaar.

5.6. De niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaarschrift dat na afloop van de daarvoor geldende termijn is ingediend, dient ingevolge artikel 6:11 Awb achterwege te blijven, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener - in casu gemachtigde - in verzuim is geweest. Met een beroep op deze bepaling heeft belanghebbende gesteld dat hij ten tijde van de ontvangst van het aanslagbiljet psychisch niet in staat was daarvan kennis te nemen en daarop te reageren. Zijn psychische toestand van onvermogen zich in te laten met belastingaangelegenheden en tijdig het geëigende rechtsmiddel van bezwaar aan te wenden schrijft belanghebbende toe aan zijn detentie in de EBI al dan niet in combinatie met de in 1996 tegen hem ingestelde strafvervolging en de daarmee verband houdende media-aandacht. Tot steun van deze stelling verwijst belanghebbende naar twee beslissingen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 4 februari 2003, nrs. 50901/99 en 52750/99, waarin het EBI-regiem als strijdig met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950 (hierna: EVRM) wordt aangemerkt, naar de brief van 14 februari 2000 van E, als aangehaald onder 2.16 (hierna: de medische verklaring), alsmede naar de verklaring van E ter zitting van 11 februari 2003. De inspecteur heeft de stelling van belanghebbende bestreden.

5.7. Naar het oordeel van het Hof vloeit uit de omstandigheid dat de Europese rechter het EBI-regiem in strijd met artikel 3 EVRM heeft geoordeeld, niet zonder meer voort dat belanghebbende door dit regiem psychisch zodanig geblokkeerd zou zijn geraakt dat hij redelijkerwijs niet meer in staat is geweest tot kennisneming van de inhoud van de hem toegezonden aanslagbiljetten en tot het tijdig - al dan niet met bijstand van derden - aanwenden van het geëigende rechtsmiddel. Verder is gesteld noch aannemelijk geworden dat het EBI-regiem inhield dat belanghebbende zijn belastingaangelegenheden niet mocht behartigen of mocht laten behartigen. De blokkade van belanghebbendes handelen zal dan ook moeten zijn op te maken uit de verklaringen van E (en de daaraan toe te kennen betekenis) over de aard van de psychische toestand van belanghebbende en de daarin besloten liggende beperkingen, zoals het niet tijdig door belanghebbende aandacht kunnen geven aan zijn belastingaangelegenheden.

5.8. In de medische verklaring komt E tot de conclusie dat belanghebbende instinctief heeft aangevoeld dat hij een extra psychische last van de belastingpapieren niet zou kunnen verwerken. Naar het oordeel van het Hof gaat het bij de toepassing van artikel 6:11 Awb om de vraag of belanghebbende redelijkerwijs niet in verzuim was. Dit 'redelijkerwijs' houdt een zekere mate van objectivering in, zodanig dat moet worden bezien waartoe een belastingplichtige moet worden geacht in staat te zijn met inachtneming van de omstandigheden die zich ten aanzien van hem hebben voorgedaan, alsmede, indien die omstandigheden de belastingplichtige redelijkerwijs zouden verhinderen tijdig het geëigende rechtsmiddel aan te wenden, wanneer in die omstandigheden een zodanige wijziging is opgetreden dat de belastingplichtige weer in staat moet worden geacht tot aanwending van dat rechtsmiddel.

5.9. De litigieuze omstandigheden in het geval van belanghebbende betreffen het in detentie houden van hem vanaf januari 1996 in de EBI, aanvankelijk in afwachting van de afloop van het tegen hem aanhangige strafproces, welk proces in 1997 heeft geleid tot een veroordeling tot een gevangenisstraf van 6 jaar en vervolgens in beroep is uitgemond in een veroordeling tot een gevangenisstraf van 5½ jaar en een geldboete van ƒ 1.000.000. Naar het oordeel van het Hof staat in een dergelijk geval voorop dat in het algemeen het in detentie houden van een belastingplichtige - aanvankelijk in afwachting van een strafproces en vervolgens ter tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf -, alsmede de daarmee verband houdende gevolgen, redelijkerwijs niet een verhindering opleveren tijdig een rechtsmiddel tegen een opgelegde en bekendgemaakte belastingaanslag in te roepen. Hierbij is in aanmerking te nemen dat een belastingplichtige in evenbedoelde situatie daarin door eigen toedoen is beland.

5.10. De ter zitting van 11 februari 2003 door E afgelegde verklaring houdt onder meer het volgende in:

"Toen belanghebbende in vrijheid was gesteld had hij geen totale afsluiting meer. Volgens zijn verhaal daarvoor wel. (…) Gedurende de eerste maanden heeft hij wel contact gehad met zijn familie en brieven ontvangen van zijn kinderen. Misschien een maand of acht of een aantal maanden. Zoiets gaat geleidelijk tot het moment dat het echt niet meer gaat. Dan sluit je de boel af om niet meer psychotisch te worden en alle prikkels af te stoten. (…) Post traumatische stressstoornissen (PTSS) blijven nog jaren bestaan. PTSS is een ziekte die met medicijnen te bestrijden is. (…) Niet elke PTSS betekent dat men zich afsluit van de buitenwereld. (…) De aandoening is duurzaam maar het is wel mogelijk dat je tussendoor normaal functioneert. (…) De huisarts schrijft op voorstel van mij medicijnen voor. Ik ben namelijk niet de behandelaar van belanghebbende. Ik heb zijn vrouw wel behandeld. Belanghebbende is onder behandeling van zijn huisarts die niet psychiater is en ook niet is verbonden aan een inrichting."

Deze verklaring, bezien ook in het licht van het overwogene onder 5.9, van de verklaring opgenomen onder 2.16 en van de omstandigheid dat belanghebbende zich tijdens zijn detentie niet wegens psychische klachten heeft ziek gemeld, vormt onvoldoende grond om aannemelijk te achten dat belanghebbende redelijkerwijs niet in staat is geweest zodanige aandacht aan zijn belastingaangelegenheden te besteden dat het vereiste rechtsmiddel tijdig werd aangewend door hem zelf dan wel door iemand anders namens hem en dat zulks pas mogelijk werd in maart 2000.

5.11. Het Hof acht de gevolgtrekking die in de sfeer van het vermogen tot praktisch handelen van belanghebbende is verbonden aan de psychische klachten, beschreven in de medische verklaring, in het bijzonder voor wat betreft het onvermogen om op belastingpapieren te reageren dan wel dat te laten doen en in aanmerking nemend hetgeen in dat opzicht redelijkerwijs van een belastingplichtige ten aanzien van wie een gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd mag worden verwacht, niet voldoende onderbouwd. In dit verband is van belang dat het onderzoek waarop de medische verklaring is gebaseerd heeft plaatsgevonden geruime tijd na de beëindiging van belanghebbendes verblijf in de EBI. De medische verklaring is mede gebaseerd op waarnemingen van de perceptie die belanghebbende achteraf van zijn verblijf in de EBI heeft en niet van waarnemingen gedurende dat verblijf zelve, terwijl in die verklaring niet voldoende tot uiting komt of en zo ja op welke wijze en in welke mate de aldus verrichte waarnemingen voldoende zijn geobjectiveerd. Voorts heeft E niet alleen belanghebbende onderzocht, maar had hij tezelfdertijd tevens diens partner en dochter onder behandeling, waardoor de indruk is ontstaan dat E zijn onderzoek in meer dan aanvaardbare mate met een zekere vooringenomenheid heeft verricht. Het Hof ziet deze indruk bevestigd in de brief van E zoals aangehaald onder 2.17.

5.12. Dat het door belanghebbende gestelde psychisch onvermogen aanwezig zou zijn te achten op grond van de onder 5.6 vermelde schendingen van artikel 3 EVRM acht het Hof, ook indien ervan wordt uitgegaan dat evenbedoelde schendingen zich tevens ten aanzien van belanghebbende hebben voorgedaan, niet aannemelijk. Weliswaar geldt in het geval artikel 3 EVRM tevens ten aanzien van belanghebbende zou zijn geschonden, dat in zoverre sprake is van een omstandigheid die niet aan belanghebbende behoort te worden toegerekend, maar dat belanghebbende op grond van deze omstandigheid redelijkerwijs niet in staat was tijdig het vereiste rechtsmiddel tegen de in geschil zijnde aanslag aan te wenden, is naar het oordeel van het Hof, ook indien de hier veronderstelde schending van artikel 3 EVRM wordt bezien in samenhang en onderling verband met de verklaringen van E, niet aannemelijk geworden. Hierbij verdient nog opmerking dat de verklaringen van E geen onderscheid maken tussen enerzijds omstandigheden die in het algemeen verband houden met de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en waarvan in beginsel, gelet op het overwogene onder 5.9, de gevolgen aan belanghebbende zijn toe te rekenen, en anderzijds - meer in het bijzonder - een eventuele schending van artikel 3 EVRM ten aanzien van belanghebbende.

5.13. Uit onder meer het onder 2.3 vermelde proces-verbaal begrijpt het Hof dat belanghebbende zich in het kader van de tegen hem ingestelde strafrechtelijke vervolging liet vertegenwoordigen door mr. G. Uit de onder 2.5, 2.7 en 2.11 vermelde brieven leidt het Hof af dat tussen belanghebbende en mr. G ten tijde van zijn detentie in de EBI tenminste enig overleg heeft plaatsgevonden over de fiscale positie van belanghebbende. In het bijzonder aan de laatstvermelde brief is de conclusie te verbinden dat belanghebbende, indien ervan wordt uitgegaan dat hij niet in staat was zelf adequaat over belastingzaken na te denken, hij in elk geval toch wel in staat was zich dat te realiseren en daarover met mr. G te communiceren. Naar het oordeel van het Hof mag in een dergelijke situatie redelijkerwijs worden verwacht dat de desbetreffende belastingplichtige maatregelen neemt zich te laten vertegenwoordigen. Weliswaar zou sprake kunnen zijn van meer bijzondere omstandigheden die verklaren waarom evenbedoelde vertegenwoordiging niet, althans niet in de vorm van een tijdig rechtsmiddel tegen de in geschil zijnde aanslag, tot stand heeft kunnen komen, maar dergelijke omstandigheden zijn niet, ook niet uit de medische verklaring, aannemelijk geworden.

5.14. Nu belanghebbende buiten een beroep op psychisch onvermogen geen redenen heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk zou zijn te achten dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij met betrekking tot het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1994 niet in verzuim is geweest, komt het Hof tot de conclusie dat de inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende niet in het gelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 1 juli 2003 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Kostense, leden, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.