Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0317

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
02/5392 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

02/5392 PV - 10/6/03 - 18e EK

Uit het systeem van art. 235 Gemw volgt dat de in die bepaling bedoelde kosten slechts in rekening kunnen worden gebracht aan degene aan wie een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is opgelegd. Vernietiging van de naheffingsaanslag brengt mee dat ook de beschikking waarbij kosten in rekening zijn gebracht, moet worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1417
FutD 2003-1397
Belastingblad 2003/1366

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achttiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder, gedagtekend 18 juli 2002, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen en een beschikking waarbij kosten in rekening zijn gebracht voor het aanbrengen en verwijderen van een wielklem, van overbrenging en bewaring, van taxatie en van aantekenen.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2003.

Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- vernietigt de beschikking waarbij kosten in rekening zijn gebracht;

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 195 en wijst de gemeente Amsterdam aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

Gronden

1. De aanhanger van belanghebbende (hierna: de aanhanger) stond geparkeerd aan de a-straat te Amsterdam op 10 juli 1999, om 11 uur 11, op een plaats waarvoor op dat moment parkeerbelasting was verschuldigd. Voor dit parkeren was geen parkeerbelasting voldaan. Verweerder heeft ter zake een naheffingsaanslag opgelegd. Nadien is een wielklem aangebracht en weer verwijderd en is de aanhanger overgebracht naar een bewaarplaats en bewaard. Verweerder heeft getracht belanghebbende van de overbrenging en bewaring in kennis te stellen bij aangetekende brieven van 10 januari 2000 aan het adres b-straat 1 te C, welk adres als dat van belanghebbende was vermeld in de administratie van de Rijksdienst voor het wegverkeer, en van 25 januari 2000 aan het adres c-straat 2 te D, op welk adres belanghebbende was ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie. Deze brieven zijn met de opmerking "niet afgehaald" aan verweerder teruggezonden. Vervolgens heeft verweerder de aanhanger doen vernietigen.

2.1. De in geding zijnde naheffingsaanslag is gedagtekend 10 juli 1999. Belanghebbende heeft gesteld dat hij pas kort voor 4 juli 2002 vernam dat de naheffingsaanslag was opgelegd en toen een bezwaarschrift heeft ingediend zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was. Verweerder heeft gesteld belanghebbende met dagtekening 10 januari 2000 en 25 januari 2000 aangetekende brieven te hebben gestuurd, dat deze brieven belanghebbende niet hebben bereikt door omstandigheden die voor rekening van belanghebbende komen en - zo begrijpt het Hof de stellingen van verweerder - dat belanghebbende uit die brieven had kunnen opmaken dat een naheffingsaanslag was opgelegd. Naar het oordeel van het Hof valt evenwel uit deze brieven, waarvan verweerder ter zitting een kopie heeft overgelegd, niet op te maken dat een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is opgelegd. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag heeft ingediend. Belanghebbende is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

2.2. De in geding zijnde beschikking waarbij kosten in rekening zijn gebracht is gedagtekend 19 september 2001. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat deze beschikking niet aan belanghebbende is toegezonden, uitgereikt of op andere wijze bekendgemaakt. Dat brengt mee dat de bezwaartermijn niet is aangevangen en dus was het op 4 juli 2002 door verweerder ontvangen bezwaarschrift tijdig. Gesteld noch gebleken is van andere gebreken aan het bezwaar van belanghebbende. Belanghebbende is ontvankelijk in zijn bezwaar tegen deze beschikking.

3. Niet meer in geschil is dat de aanhanger van belanghebbende hem was ontstolen, dat deze tegen belanghebbendes wil was geparkeerd aan de a-straat te Amsterdam en dat belanghebbende dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Daaruit volgt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan belanghebbende is opgelegd.

4. Naar het oordeel van het Hof volgt uit het systeem van artikel 235 van de Gemeentewet dat de in die bepaling bedoelde kosten slechts in rekening kunnen worden gebracht aan degene aan wie een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting is opgelegd. Vernietiging van de naheffingsaanslag brengt naar 's Hofs oordeel mee dat ook de beschikking waarbij kosten in rekening zijn gebracht, moet worden vernietigd. Daaraan doet niet af dat verweerder heeft gehandeld overeenkomstig de daarvoor geldende regels.

5. Belanghebbende heeft nog verzocht hem een schadevergoeding toe te kennen voor het verlies van de aanhangwagen. Het Hof acht aannemelijk dat de aanhangwagen niet zou zijn vernietigd, maar aan belanghebbende zou zijn teruggeven indien de hiervoor onder 2.1 vermelde aantekende brief van 25 januari 2000 belanghebbende zou hebben bereikt en hij daarop adequaat zou hebben gereageerd. Verweerder heeft deze brief gezonden aan het adres waar belanghebbende in de Gemeentelijke Basisadministratie stond ingeschreven. De omstandigheid dat belanghebbende deze brief niet heeft ontvangen, komt naar 's Hofs oordeel voor zijn rekening, ook als belanghebbende op dat moment aldaar niet meer woonachtig zou zijn. Het ligt immers op de weg van belanghebbende ervoor zorg te dragen dat hij op het juiste adres staat ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie, althans dat aan hem op dat adres gezonden post hem bereikt. Het Hof zal geen schadevergoeding toekennen voor het verlies van de aanhangwagen.

Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet voor vergoeding in aanmerking komen tijdverlies voor het opstellen van stukken en bezoeken aan verweerder en kosten van kopieën, telefoon, fax en porti. Wel voor vergoeding in aanmerking komen verletkosten en reiskosten voor het bijwonen van de zitting van het Hof door belanghebbende en zijn gemachtigde. Het Hof begrijpt de door belanghebbende overgelegde opstelling zo dat daarin als verletkosten voor het bijwonen van de zitting door twee personen in totaal 4 uren à € 45 zijn begrepen. Het Hof zal deze vergoeding van € 180 toekennen. Als reiskosten komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op € 15. De proceskostenvergoeding bedraagt daarmee € 195.

De uitspraak is gedaan op 10 juni 2003 door mr. Van de Merwe, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.