Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0313

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2003
Datum publicatie
23-07-2003
Zaaknummer
02/4621
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

02/4621 - 16/6/03 - 18e EK

Het Hof kan toepassing van de uitsmeerregeling toetsen. De uitsmeerregeling kan ook worden toegepast bij de vaststelling van een voorlopige aanslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 13
Algemene wet inzake rijksbelastingen 63
Wet inkomstenbelasting 2001 3.146
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1438 met annotatie van Efstratiades
FutD 2003-1391
V-N 2003/36.1.3
V-N 2003/50.12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achttiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 18 juli 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 juli 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de inkomsten-belasting/pre-mie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.806. De verschuldigde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen bedraagt € 7.392, waarvan na verrekening van de gecombineerde heffingskorting (€ 705) en voorheffingen (€ 3.921) een te betalen bedrag van € 2.766 resteert. Voorts is € 37 heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar tegen de voorlopige aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de voorlopige aanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting van 7 april 2003 is verschenen mr. A namens de inspecteur.

Het Hof heeft het vooronderzoek hervat. De inspecteur heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brief van 7 mei 2003 met bijlagen. Van deze brief met bijlagen heeft de griffier een afschrift gezonden aan belanghebbende, die daarop heeft gereageerd bij brief van 11 mei 2003. Belanghebbende en de inspecteur hebben toestemming gegeven een nadere mondelinge behandeling achterwege te laten bij brieven van onderscheidenlijk 11 mei 2003 en van 16 mei 2003.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar een uitkering ontvangen krachtens de Wet uitkering burgeroorlogsslachtoffers (hierna: Wubo), welke uitkering betrekking heeft op de kalenderjaren 1999 tot en met 2001. Het belastbare inkomen uit werk en woning van belanghebbende bedraagt € 33.806. Toepassing van de uitsmeerregeling (Besluit van 5 december 2002, CPP2002/1006M) leidt tot een vermindering van de aan belanghebbende op te leggen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 van € 2.159.

2.2. Het Besluit van 5 december 2002, CPP2002/1006M, BNB 2003/80, inzake de uitsmeerregeling (hierna: het Besluit) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" 1. Inleiding

In bepaalde gevallen is (onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964) tot en met het jaar 2000 aan de progressienadelen in de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, die zijn veroorzaakt door nabetaalde inkomsten, op grond van de hardheidsclausule tegemoet gekomen door toepassing van de zogenoemde uitsmeerregeling. Voor de Wet IB 1964 is dit goedgekeurd in het Besluit van 4 oktober 1991, nr. DB91/4045.

Thans wordt dit besluit uitgebracht voor nabetaalde inkomsten die zijn ontvangen na 1 januari 2001 en die mede betrekking hebben op de jaren tot en met 2000. (…)

3. Goedkeuring

(…)

De tegemoetkoming wordt geëffectueerd door vermindering van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar van ontvangst van de nabetaalde inkomsten.

(…)

6. Verzoek om toepassing van de uitsmeerregeling

Toepassing van de uitsmeerregeling geschiedt op verzoek van de belastingplichtige. Het verzoek moet worden gedaan bij de inspecteur binnen 36 maanden nadat de aanslag, voorheffing en beschikking om geen aanslag op te leggen, van het jaar waarin de nabetaalde inkomsten zijn ontvangen, onherroepelijk zijn geworden. "

2.3. Het Besluit van 4 oktober 1991, nr. DB91/4045, BNB 1991/347, inzake de uitsmeerregeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

" 7. Wijze waarop de tegemoetkoming wordt verleend.

(…) Ingeval de desbetreffende aanslag nog niet is opgelegd, worden de nabetaalde inkomsten zo mogelijk reeds bij het vaststellen van de aanslag op vorenbedoelde wijze belast. "

3. Geschil

In geschil is de hoogte van de voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende stelt dat de Stichting 1940-1945 en de inspecteur hem telefonisch hebben meegedeeld dat over de uitkering krachtens de Wubo niet meer belasting en premie verschuldigd zou zijn dan daarop als loonbelasting/premie volksverzekeringen reeds werd ingehouden. De inspecteur stelt daartegenover dat inkomstenbelasting wordt geheven over het totale inkomen van de belastingplichtige en dat elke uitkeringsinstantie bij het inhouden van loonbelasting/premie volksverzekeringen slechts rekening kan houden met de hoogte van de door haar betaalde uitkering. Daardoor kan, aldus de inspecteur, een verschil ontstaan tussen de ingehouden belasting en de verschuldigde belasting. Medewerkers van de Belastingdienst zullen daarom, zo stelt de inspecteur, onder omstandigheden als hier aan de orde nooit toezeggen dat geen aanslag in de inkomstenbelasting zal worden opgelegd. Gelet op de betwisting door de inspecteur, heeft belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, niet aannemelijk gemaakt dat hem zou zijn toegezegd dat over het onderhavige jaar geen aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zou worden opgelegd.

5.2.1. Niet in geschil is dat toepassing van de uitsmeerregeling in dit geval leidt tot een vermindering van de te betalen belasting over het onderhavige jaar met € 2.159. De uitsmeerregeling is een regeling die is getroffen op grond van de hardheidsclausule (artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)) en beoogt voor een groep van gevallen tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard. De regeling is met instemming van de Belastingdienst gepubliceerd en leent zich voor rechtstreekse toepassing door de rechter. Op grond daarvan is het Hof van oordeel dat het bevoegd is te oordelen over beslissingen van de inspecteur omtrent de toepassing van die regeling.

5.2.2. De inspecteur stelt dat de vermindering op grond van de uitsmeerregeling pas kan worden verleend nadat een definitieve aanslag is opgelegd. Hij wijst er daartoe op dat het hiervoor onder 2.2 aangehaalde Besluit vermeldt dat het verzoek om toepassing van de uitsmeerregeling moet worden gedaan binnen 36 maanden nadat de aanslag onherroepelijk is geworden. Voorts voert de inspecteur aan dat over een middelingsteruggaaf geen heffingsrente wordt vergoed, dat gelet op de samenhang tussen de middelings-regeling en de uitsmeerregeling over een teruggaaf op grond van de uitsmeerregeling evenmin heffingsrente wordt vergoed en dat toepassing van de uitsmeerregeling bij het opleggen van een voorlopige of definitieve aanslag wel gevolgen zou hebben voor de heffingsrente.

5.2.2. Onder de tot en met 2000 geldende uitsmeerregeling kon de belastingvermindering reeds bij het opleggen van de aanslag worden toegepast, zoals blijkt uit het hiervoor onder 2.3 aangehaalde Besluit. Nu de uitsmeerregeling zoals die met ingang van 2001 geldt, een voortzetting is van die regeling en deze nieuwe regeling daaromtrent geen uitdrukkelijke bepaling bevat, is het naar 's Hofs oordeel ook onder de met ingang van 2001 geldende regeling mogelijk haar reeds bij het opleggen van de aanslag toe te passen. Artikel 13, eerste lid, van de AWR brengt dan mee dat ook bij het vaststellen van een voorlopige aanslag de uitsmeerregeling kan worden toegepast. Daaraan doet niet af dat het Besluit vermeldt dat het verzoek moet worden gedaan binnen 36 maanden nadat de aanslag is opgelegd, nu daarmee kennelijk slechts is beoogd een uiterste datum te stellen voor de indiening van het verzoek om uitsmering. Dat toepassing van de uitsmeerregeling bij het opleggen van een voorlopige of definitieve aanslag gevolgen heeft voor de berekening van de heffingsrente, doet daaraan niet af, omdat de tegemoetkoming op grond van de uitsmeerregeling wordt verleend door vermindering van de aanslag en niet - zoals een middelingsteruggaaf - bij afzonderlijke beschikking.

5.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de in geding zijnde voorlopige aanslag met de aan belanghebbende toekomende tegemoetkoming op grond van de uitsmeerregeling van € 2.159 moet worden verminderd tot € 607 (€ 2.766 - € 2.159).

6. Proceskosten

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft gemaakt.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de voorlopige aanslag tot € 607; en

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 16 juni 2003 door mr. Van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.