Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0243

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-06-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
02/1934
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

02/1934 - 19/6/03 - 18e EK

Indien belanghebbende geen premie is verschuldigd en niet is verzekerd, kan geen aanslag (ook geen nihil-aanslag) worden opgelegd in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Als geen aanslag wordt vastgesteld, kan ook geen boete worden opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte. Niet gesteld of gebleken is dat de inspecteur gronden had om te menen dat be-lang-heb-ben-de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen verschuldigd was. De inspec-teur kon redelijkerwijs dan ook niet tot de beslissing komen belang-hebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte voor die premie (artikel 6, eerste lid, van de AWR). Onder die omstandigheden kan aan belanghebbende geen boete worden opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1296
FutD 2003-1369
V-N 2003/63.6

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Achttiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

drie uitspraken van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 13 maart 2002, ingediend door A te B als gemachtigde en aangevuld bij brief van 22 april 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 20 februari 2002, betreffende de aan belanghebbende boete wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998, de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 februari 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde boete wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor de inkomsten-belasting/pre-mie volksverzekeringen voor het jaar 1998 en de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 1 maart 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde boete wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 1999.

Aan belanghebbende zijn boetes opgelegd van ƒ 2.500, ƒ 2.500 en ƒ 1.250 wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor onderscheidenlijk de inkomsten-belasting/pre-mie volksverzekeringen voor het jaar 1998, de vermogensbelasting voor het jaar 1999 en de premieheffing arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998. Na bezwaar tegen de boeten is belanghebbende bij de bestreden uitspraken niet-ont-van-kelijk verklaard in zijn bezwaren. De inspecteur heeft ambtshalve de boete met be-trek-king tot de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen verminderd tot ƒ 250.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken van de inspecteur, tot ontvankelijkverklaring van belanghebbende in zijn bezwaren en tot vernietiging of vermindering van de boeten.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert primair tot ongegrondverklaring van het beroep en subsidiair tot ongegrondverklaring van de bezwaarschriften.

Ter zitting van 7 april 2003 zijn verschenen belanghebbende in persoon, tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote, en, namens de inspecteur, C.

Het Hof heeft het vooronderzoek hervat. Belanghebbende heeft nadere inlichtingen verstrekt bij brief met bijlagen van 10 april 2003. Van deze brief met bijlagen heeft de griffier een afschrift gezonden aan de inspecteur. De inspecteur heeft daarop gereageerd bij brief van 13 mei 2003. Belanghebbende en de inspecteur hebben toestemming gegeven een nadere mondelinge behandeling achterwege te laten bij brieven van onderscheidenlijk 27 mei 2003 en van 19 mei 2003.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De inspecteur heeft in februari 1999 belanghebbende uitgenodigd vóór 1 april 1999 aangifte te doen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidson-geschikt-heids-verzekering zelfstandigen voor het jaar 1998 en de vermogensbelasting voor het jaar 1999. Toen belanghebbende geen aangifte had gedaan, heeft de inspecteur hem bij brieven van 29 september 1999, 3 november 1999 en van 4 april 1999 aangemaand binnen een gestelde termijn aangifte te doen.

2.2. Met dagtekening 26 mei 2001 heeft de inspecteur ambtshalve aan belanghebbende aansla-gen opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidson-ge-schiktheidsverzekering zelfstandigen, beide voor het jaar 1998, en vermogensbelasting voor het jaar 1999. Gelijktijdig met de vermelde aanslagen heeft de inspecteur boeten op-ge-legd wegens het niet tijdig doen van aangifte van onderscheidenlijk ƒ 2.500, ƒ 1.250 en ƒ 2.500.

2.3. Op 31 augustus 2001 ontving de inspecteur van belanghebbende het ingevulde aan-gif-te-bil-jet voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeids-onge-schikt-heidsverzekering zelfstandigen voor het jaar 1998 en de vermogensbelasting voor het jaar 1999. De inspecteur heeft dit biljet aangemerkt als bezwaarschrift tegen de hiervoor onder 2.2 vermelde aanslagen en tegen de aldaar vermelde boeten. Bij de bestreden uitspraken heeft de inspecteur belanghebbende in zijn bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar en, zo ja, of terecht en tot het juiste bedrag boeten zijn opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, beide voor het jaar 1998, en vermogensbelasting voor het jaar 1999.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Ter zitting Hebben partijen gepersisteerd bij hun ingenomen standpunten.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De inspecteur heeft het door belanghebbende ingediende aangifte biljet naar 's Hofs oor-deel terecht aangemerkt als bezwaarschrift tegen de hiervoor onder 2.2 vermelde aanslagen en - gelet op artikel 24a, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen - tegen de aldaar vermelde boeten. Het bezwaarschrift is niet ingediend binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening van de in geding zijnde boetebeschikkingen en het is ook niet ont-vangen binnen een week na afloop van deze termijn. Het is derhalve niet tijdig ingediend. Be-langhebbende stelt dat hij niet tijdig een bezwaarschrift heeft kunnen indienen, omdat hij ge-ruime tijd niet goed kon functioneren door psychische problemen. Het Hof acht zulks voldoen-de aannemelijk. Naar 's Hofs oordeel brengt dat mee dat de regel volgens welke een na afloop van de gestelde termijn gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk is, buiten toepassing moet blijven (Hoge Raad 22 juni 1988, nr. 24.998, BNB 1988/292). Belanghebbende is derhalve ontvankelijk in zijn bezwaren.

5.2.1. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hij in het onderhavige jaar in dienstbetrekking werkzaam is en dat hij niet is verzekerd krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). De inspecteur heeft de aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen verminderd tot nihil.

5.2.2. Naar het oordeel van het Hof kan indien belanghebbende geen premie is verschuldigd en niet is verzekerd, geen aanslag worden opgelegd in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. Als geen aanslag wordt vastgesteld, kan naar 's Hofs oordeel ook geen boete worden opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte, aangezien deze boete moet worden opgelegd gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag (artikel 67a van de AWR) en ter zake geen voorziening is getroffen als in artikel 67d, derde lid, en artikel 67e, vierde lid, van de AWR.

5.2.3. Niet gesteld of gebleken is dat de inspecteur gronden had om te menen dat be-lang-heb-ben-de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen verschuldigd was. De inspec-teur kon naar 's Hofs oordeel redelijkerwijs dan ook niet tot de beslissing komen belang-hebbende uit te nodigen tot het doen van aangifte voor die premie (artikel 6, eerste lid, van de AWR). Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van het hof aan belanghebbende geen boete worden opgelegd wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte.

5.2.4. Hetgeen hiervoor onder 5.2.2 en 5.2.3 is overwogen, brengt mee dat de boete wegens het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte voor de premie arbeidsongeschikt-heids-verzekering zelfstandigen moet worden vernietigd.

5.3.1. Belanghebbende is uitgenodigd aangifte te doen zowel voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen als voor de vermogensbelasting. Deze uitnodiging is vervat in één biljet en ook de aangiften kunnen te zamen op één biljet worden gedaan. De te verstrekken gegevens verschillen echter zoveel van elkaar, dat de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en voor de vermogensbelasting zijn te beschouwen als afzonderlijke aangiften, ook als zij te zamen in één biljet zijn opgenomen. Nu belanghebbende geen van deze aangiften binnen de gestelde termijn heeft gedaan, stond het de inspecteur vrij twee boeten op te leggen. Niet in geschil is dat sprake is van een vijfde/volgend verzuim als bedoeld in § 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, zodat de hoogte van de boeten van ƒ 2.500 in overeenstemming is met de in vermelde bepaling opgenomen voorschriften.

5.3.2. Tussen de aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting bestaat niettemin een samenhang, doordat zij in één biljet zijn vervat. Nu belanghebbende beide aangiften niet binnen de gestelde termijn heeft gedaan en hem daarvoor twee boeten zijn opgelegd, wordt hij twee maal gestraft voor samenhangende feiten. Daarin vindt het Hof aanleiding beide boeten te verminderen tot ƒ 2.000 elk.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien gesteld noch gebleken is dat andere in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht vermelde kosten zijn gemaakt dan

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 1 (proceshandelingen: in dienen beroepschrift) ´ 1 (wegingsfactor gewicht van de zaak) ´ € 322, ofwel € 322. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten voor het bijwonen een zitting te Amsterdam door belang-hebbende, zal het Hof de veroordeling tot die kosten beperken. Voor vergoeding komen in aanmerking de reiskosten per openbaar vervoer, niet zijnde taxi, laagste klasse. Het Hof begroot die kosten op € 20. De kostenveroordeling komt daarmee op € 342.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur;

- vermindert de boete wegens het niet tijdig doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 tot ƒ 2.000;

- vernietigt de boete wegens het niet tijdig doen van aangifte voor de premie arbeids-ongeschiktheids-verzekering zelfstandigen;

- vermindert de boete wegens het niet tijdig doen van aangifte voor de vermogensbelasting voor het jaar 1999 tot ƒ 2.000;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 342 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 19 juni 2003 door mr. Van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. Van der Voort Maarschalk-Vencken als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.