Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AI0242

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
22-07-2003
Zaaknummer
02/1434
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

02/1434 - 19/5/03 - 2e MK

B was gedurende enige tijd directeur van belanghebbende. Hij heeft verklaard werkzaamheden verricht voor belanghebbende en voor privé-bestedingen geld uit de kas en van de bankrekening van belanghebbende opgenomen. Derhalve genoot B loon uit een dienstbetrekking tot belanghebbende. Geen loonadministratie, daarom omkering bewijslast.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1490
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X B.V. (voorheen: Y B.V) te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 20 februari 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 16 januari 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de loon-belasting/pre-mie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd van ƒ 32.003 aan loonbelasting/premie volksverzekeringen, met een verhoging van 100% van de nageheven belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Na bezwaar tegen de naheffingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit is de naheffingsaanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd en de verhoging kwijtgescholden tot op 50% van de nageheven belasting.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en van de naheffingsaanslag.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 maart 2003. Van het verhandelde ter zitting van heeft de griffier proces-verbaal opgemaakt.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is opgericht op 29 april 1993 onder de naam Y B.V. Na 1996 is de naam van belanghebbende gewijzigd in X B.V. Bestuurders van belanghebbende waren A (tot en met 30 november 1994 en vanaf 2 januari 1996), B (1 december 1994 tot en met 2 januari 1996) en C 1 januari 1995 tot en met 15 januari 1995). Belanghebbende hield vanaf 20 december 1994 onder nummer 43.35.65.063 een bankrekening aan bij de D-bank te E. Op deze bankrekening zijn in 1995 naast contante stortingen (ƒ 23.800) en opnamen (ƒ 15.975) bedragen ontvangen tot een totaalbedrag van ƒ 45.528 en uitgaven gedaan tot een totaalbedrag van ƒ 53.306. B heeft de rekening geopend. Hij was bevoegd te beschikken over het tegoed op deze rekening en hij had de beschikking over een bij deze rekening behorende "europas". Deze bankrekening en de mutaties daarop zijn niet in de boekhouding van belanghebbende opgenomen.

2.2. Op 30 juni 1998 heeft B aan twee medewerkers van de Belastingdienst/Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (hierna: FIOD) onder meer het volgende verklaard:

" Ik heb toen een koffiemelange uitgevonden. (…) Toen de koffie perfect was geworden moest er een naam verzonnen worden, dit werd Y. Het hele koffiegebeuren zouden we gaan voeren in een nieuwe B.V., Y B.V. Die is opgericht in 1993. A was daar weer aandeelhouder van. In het begin was A directeur, later werd ik dat. (…)

Ik hoorde van F dat hij een gay café (…) wilde beginnen. Hij kon het echter niet rond krijgen. Ik heb zijn plannen doorgenomen, de zaak uitgelegd aan A. Omdat F geen geld had stelde ik voor dat ik de verbouwing gratis voor hem zou verrichten en dat hij mij dan later zou gaan betalen. (…) A was aandeelhouder en kon zich hierin vinden. Het was de bedoeling dat Y B.V. deze werkzaamheden zou verrichten. Ik heb een contract opgemaakt waarin staat dat Y op deze wijze ƒ 90.000 leent aan F. (…)

Ik had nergens rechten. Ik was immers geen aandeelhouder terwijl ik wel zeer veel uren voor de bedrijven van A werkte. Maar het was wel de bedoeling dat alles via Y B.V. zou lopen. (…)

Ik heb uiteraard wel eens geld uit de kas van G B.V. of Y B.V. gehaald. (…) A vond alles best, die heeft er immers nooit wat over gezegd. (…) Ik mocht destijds overigens gratis wonen op het adres H-straat 1 te I. Op dat adres was beneden de espressozaak gevestigd. Ik woonde daarboven. "

2.3. Op 24 november 1998 heeft B aan twee medewerkers van de FIOD op de vraag waarvoor het geld bestemd was dat hij van de hiervoor onder 2.1 vermelde bankrekening had opgenomen, onder meer het volgende verklaard:

" Ik heb ook geld voor privé opgenomen, dat heb ik ook al de vorige keer verteld. Voor privé heb ik alleen voor noodzakelijke levensbehoeften opgenomen. Ik weet niet meer hoeveel dat geweest is. "

3. Geschil

In geschil is of de in geding zijnde naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat B van 1 december 1994 tot en met 2 januari 1996 directeur was van belanghebbende. B heeft verklaard werkzaamheden te hebben verricht voor de bedrijven van A, waaronder belanghebbende. B heeft voorts verklaard voor privé-bestedingen geld uit de kas en van de bankrekening van belanghebbende te hebben opgenomen. Belanghebbende heeft de verklaringen van B niet weersproken. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat B geen opbrengst ter zake van zijn werkzaamheden als directeur heeft vermeld in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting. Het Hof acht op grond van deze feiten en omstandigheden aannemelijk dat de vermelde opnamen een vergoeding waren voor de werkzaamheden die B ten behoeve van belanghebbende verrichtte en dat B zijn werkzaamheden verrichtte in een gezagsverhouding tot belanghebbende. Daaruit volgt dat B loon genoot in de zin van artikel 10 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet).

5.2. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende een loonadministratie voerde als bedoeld in artikel 28, onderdeel c, van de Wet. De kasadministratie is, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, ondeugdelijk, terwijl aannemelijk is dat B ook uit de kas loon heeft ontvangen. Het Hof is van oordeel dat gelet op deze omstandigheden het door B genoten loon niet op een voldoende betrouwbare wijze uit de administratie van belanghebbende is af te leiden. Het Hof acht de schatting van de inspecteur (ƒ 48.000 netto loon) onder de gegeven omstandigheden redelijk. Niet in geschil is dat uitgaande van dat netto loon de nageheven loonbelasting/premie volksverzekeringen tot het juiste bedrag is berekend.

5.3. Aan belanghebbende is een verhoging opgelegd, omdat het aan haar opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting was geheven. Uitgaande van het standpunt dat sprake was van opzet heeft de inspecteur de verhoging kwijtgescholden tot op 50% van de nageheven belasting. Belanghebbende heeft tegen de boete en de hoogte daarvan op zichzelf geen grieven aangevoerd. Het Hof acht de opgelegde boete onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 19 mei 2003 door mrs. Bijl, Beukers-Van Dooren en Van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. Goedhart als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.