Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AH9836

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2003
Datum publicatie
15-07-2003
Zaaknummer
02/01448 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

02/01448 PV - 24/6/03 - 3e EK

Hetgeen partijen verdeeld houdt betreft onder meer de vraag tot welk moment op de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht kan worden teruggekomen, opdat nog aan de voorwaarden voor de middelingsregeling wordt voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1288
FutD 2003-1354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Derde Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

de uitspraak van het Hoofd van Belastingdienst Particulieren te P, de inspecteur, gedagtekend 14 januari 2002, betreffende het verzoek om middeling over de jaren 1998, 1999 en 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 juni 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende, geboren in 1971 en ongehuwd, heeft de Italiaanse nationaliteit en woont vanaf 1 januari 1998 in Nederland, alwaar hij is gaan werken voor de besloten vennootschap ABV (hierna: werkgever). Op 28 januari 1999 hebben werkgever en belanghebbende op grond van het Besluit van de staatssecretaris van financiën van 29 mei 1995, nr DB95/119 M (hierna: het Besluit), gezamenlijk een formulier 'Verzoek loonbelasting/premie volksverzekeringen' ingediend voor toepassing van de zogeheten 35%-vergoedingsregeling als bedoeld in het Besluit. De inspecteur heeft bij beschikking van 6 april 1999 aangegeven dat belanghebbende voor de 35%-vergoedingsregeling in aanmerking komt. Deze regeling geldt in beginsel voor een tewerkstelling van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2007.

2. In het formulier waarop het verzoek is gedaan is door de aanvrager bij onderdeel 4 aangekruist dat de optie "De werknemer woont in Nederland. Werkgever en werknemer verzoeken de werknemer als fictief buitenlands belastingplichtig aan te merken" van toepassing is. De inspecteur heeft voor de jaren 1999 en 2000 aangiftebiljetten C aan belanghebbende uitgereikt.

3. Belanghebbende heeft met aangiftebiljetten afkomstig uit een computer voor de jaren 1999 en 2000 aangifte gedaan als fictief buitenlands belastingplichtige naar een belastbaar inkomen van ¦ 171.021 respectievelijk ¦ 280.431. Over het jaar 1998 heeft belanghebbende met een zogenoemd T-biljet aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ¦ 38.975.

De aanslagen over de jaren 1998, 1999 en 2000 zijn overeenkomstig de aangiften opgelegd en respectievelijk gedagtekend 8 augustus 2001, 24 april 2001 en eveneens 8 augustus 2001.

4. Belanghebbende heeft bij brief van 23 augustus 2001 en op de voet van artikel 66a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) aan de inspecteur verzocht om middeling van de belastbare sommen over de jaren 1998, 1999 en 2000, waarbij hij zijn teruggaaf heeft berekend op ¦ 8.409. De inspecteur heeft het verzoek afgewezen bij voor bezwaar vatbare beschikking van 14 januari 2002. Belanghebbende is tegen deze beschikking in bezwaar gegaan. De inspecteur heeft de beschikking in zijn uitspraak op bezwaar gehandhaafd en gesteld dat middeling alleen mogelijk is indien er sprake is geweest van binnenlandse belastingplicht gedurende het desbetreffende tijdvak van drie jaren of van buitenlandse belastingplicht, waarbij wordt voldaan aan de zogenoemde 90%-regeling. Belanghebbende voldoet volgens de inspecteur niet aan de gestelde voorwaarden.

5. Belanghebbende stelt dat zijn verzoek tot middeling dient te worden toegewezen, omdat hij op zijn keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht bij de indiening van de aangiften is teruggekomen door om middeling te verzoeken. De gemachtigde van belanghebbende heeft in dit verband een van hem afkomstige brief, gericht aan de Belastingdienst en gedagtekend 25 mei 2001 overgelegd, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

"Gelieve hierbij aan te treffen de aangiften inkomstenbelasting 1998 voor de heren C en X.

De aangiften zijn ingediend met het oog op de toepassing van de middelingsregeling voor de jaren 1998 tot en met 2000."

6. Ingevolge artikel 66a van de Wet wordt aan degene die gedurende een tijdvak van drie aaneengesloten gehele kalenderjaren (middelingstijdvak) binnenlands belastingplichtig is geweest, op verzoek een teruggaaf van belasting (middelingsteruggaaf) verleend. Vaststaat dat belanghebbende heeft verzocht om te worden aangemerkt als fictief buitenlands belastingplichtige en dat de inspecteur dat verzoek heeft toegewezen. Deze omstandigheid staat in beginsel aan het toepassen van de middelingsregeling in de weg. De keuze om als fictief buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt, kan evenwel worden herzien.

7. Hetgeen partijen verdeeld houdt betreft onder meer de vraag tot welk moment op de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht kan worden teruggekomen, opdat nog aan de voorwaarden voor de middelingsregeling wordt voldaan. Bedacht moet daarbij worden dat een herziening van de bij de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht zoals door belanghebbende is gemaakt bij het onder 2 vermelde verzoek, in het onderhavige geval vermoedelijk ook een herziening zou inhouden van het met inachtneming van die keuze in de gedane aangiften verantwoorde belastbaar inkomen. Desgevraagd heeft de inspecteur verklaard dat hij niet bekend is met het wereldinkomen van belanghebbende en heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat er hooguit wat rente-inkomsten niet zijn aangegeven. Dat de gedane aangiften voor wat betreft het daarin aangegeven belastbaar inkomen niet zouden behoeven te worden herzien acht het Hof niet aannemelijk.

8. Naar het oordeel van het Hof kan op gedane aangiften niet meer worden teruggekomen, zodra deze onherroepelijk vaststaan. In zoverre het middelingsverzoek inhoudt dat de met betrekking tot het middelingstijdvak gedane aangiften zouden moeten worden herzien, dient het herzien van de eerder gemaakte keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht te geschieden voordat de aanslagen voor de jaren van het middelingstijdvak onherroepelijk vaststaan. Nu niet aannemelijk is geworden dat het terugkomen op de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht geen gevolgen heeft voor de voor de jaren 1998, 1999 en 2000 door belanghebbende aangegeven belastbare inkomens, dient hierna, en zulks in overeenstemming met de aard van de middelingsregeling, te worden nagegaan of belanghebbende zijn keuze om als fictief buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt, tijdig heeft herzien, dat wil zeggen, voordat de aanslagen voor de jaren van het middelingstijdvak onherroepelijk zijn komen vast te staan.

9. Aangezien hierover door partijen in afwijkende zin niets is gesteld, gaat het Hof ervan uit dat de onder 3 vermelde aanslagen zes weken na dagtekening van die aanslagen onherroepelijk zijn geworden. Dit betekent dat belanghebbende nog op zijn keuze om als fictief buitenlands belastingplichtige te worden aangemerkt kon terugkomen tot 6 juni 2001, dat wil zeggen zes weken na de dagtekening van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999.

10. Het Hof kan, gelet op de bewoordingen daarvan, belanghebbende niet volgen in zijn stelling dat de onder 5 vermelde brief als verzoek tot herziening dient te worden aangemerkt. Belanghebbende stelt zich voorts op het standpunt dat de onder 4 vermelde brief, waarin hij verzoekt om middeling, met als dagtekening 23 augustus 2001, door de inspecteur zou moeten worden opgevat als een verzoek tot herziening van de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht. Deze brief dateert echter van ruim na het onder 9 vermelde tijdstip waarop de keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht nog had kunnen worden herzien. Dit betekent dat belanghebbende niet aan de voorwaarden voor toepassing van de middelingsregeling voldoet. In zoverre is het beroep ongegrond.

11. Ter zitting heeft belanghebbende nog de stelling ingenomen dat uit de omstandigheid dat door middel van met de computer aangemaakte aangiftebiljetten-Q aangifte is gedaan, moet worden afgeleid dat belanghebbende zijn keuze voor fictieve buitenlandse belastingplicht heeft herzien. Deze stelling kan het Hof niet volgen.

12. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, inhoudende dat belanghebbende recht heeft op toepassing van de middelingsregeling aangezien deze niet is onthouden aan een andere cliënt van gemachtigde, de heer C, die overigens in dezelfde omstandigheden als belanghebbende verkeerde, faalt. De inspecteur heeft gesteld en het Hof acht aannemelijk dat de middelingsregeling als gevolg van een incidentele fout bij C is toegepast. Dat de inspecteur een begunstigend beleid heeft gevoerd dan wel dat in een meerderheid van met belanghebbende gelijk te stellen gevallen gunstiger is behandeld, is niet aannemelijk geworden.

13. Gezien het vorenoverwogene, is het gelijk aan de inspecteur.

Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 24 juni 2003 door mr. Van der Ouderaa, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Hiervan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.

Het lid van de belastingkamer heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.