Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AH9400

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
08-07-2003
Zaaknummer
02/05467 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

02/05467 PV - 27/6/03 - 14e EK

Door vader betaald collegeld wordt schuldig erkend. Aflossing van deze schuld is niet het doen van uitgaven ter zake van studie in de zin van artikel 46, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1261
V-N 2003/34.1.10

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Veertiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 15 juli 2002, betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 juni 2003, alwaar partijen niet zijn verschenen, zoals voorafgaande aan de zitting schriftelijk hadden bericht.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. Belanghebbende, geboren in 1972, heeft in de jaren 1992 tot en met 1996 een opleiding gevolgd aan de Hogeschool te Q. Het voor deze opleiding verschuldigde collegegeld is in de desbetreffende jaren betaald door zijn vader.

Belanghebbende en zijn vader hebben afgesproken dat dit collegegeld door belanghebbende aan zijn vader zou worden terugbetaald. Belanghebbende heeft het aldus aan zijn vader verschuldigde bedrag in het onderhavige jaar betaald.

1.2. In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2000 heeft belanghebbende het desbetreffende bedrag ad ƒ 7.600 als tot de buitengewone lasten te rekenen uitgaven voor studie op zijn onzuivere inkomen in aftrek gebracht. Bij het regelen van de aanslag heeft de inspecteur deze aftrek niet in aanmerking genomen.

2. Belanghebbende stelt dat in de jaren waarin zijn vader het collegegeld voor hem betaalde, een schuld ontstond, die in het jaar van aflossing in aftrek kan worden gebracht. Hij verwijst hierbij naar het in BNB 1957/25 opgenomen arrest van de Hoge Raad van 28 november 1956, nr. 13 022.

3.1. Het Hof stelt voorop dat een ter bestrijding van uitgaven voor studie aangegane lening niet verhindert dat die uitgaven op de belastingplichtige drukken ten tijde dat zij worden gedaan.

Dit houdt ook in dat, indien ouders in enig jaar studiekosten betalen en het bedrag van die kosten - overeenkomstig een tussen de ouders en het kind/de belastingplichtige bestaande overeenkomst - door het kind/de belastingplichtige schuldig wordt gebleven, zodat op het moment van betaling door de ouders op het kind/de belastingplichtige een vordering ontstaat, het voor het kind/de belastingplichtige in beginsel mogelijk is de kosten als buitengewone lasten in aanmerking te nemen op het moment van betalen van die kosten door de ouders.

3.2. Zoals belanghebbende ook stelt is in het onderhavige geval door de betaling van de door belanghebbende verschuldigde collegegelden een schuld ontstaan van belanghebbende aan zijn vader. De aflossing van deze schuld is niet het doen van uitgaven ter zake van studie in de zin van artikel 46, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Te dezen doet zich niet voor het geval dat een buitengewone last wordt schuldig gebleven aan de oorspronkelijke crediteur. Het beroep van belanghebbende op het arrest van BNB 1957/25 faalt dus. Het Hof wijst op het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1969, nr. 16 146, BNB 1969/147.

4. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht termen te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De uitspraak is gedaan op 27 juni 2003 door mr. Van Loon, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door voornoemd lid en de griffier is ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Vervanging

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.