Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AH8733

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2003
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-002996-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2002:AE5210
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen [slachtoffer]. van het leven beroofd. Ter uitvoering van een vooraf beraamd plan hebben verdachtes mededaders het slachtoffer een -grote- hoeveelheid medicijnen toegediend en toen [slachtoffer] daaraan niet bleek te zijn bezweken, vervolgens pogingen in het werk gesteld het slachtoffer door verstikking om het leven te brengen. Daarna heeft een van verdachtes mededaders, na hieromtrent advies aan verdachte te hebben gevraagd, overeenkomstig dit advies het slachtoffer met een mes zodanige verwondingen toegebracht dat hij als gevolg daarvan is overleden.

Medeplegen moord in relationele sfeer, nadere overweging met betrekking tot het medeplegen.

5 jaar gevangenisstraf.

Mededaders: LJN AH8721 en AH8730

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2003-02-10
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-02-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002996-02

datum uitspraak 10 februari 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank

te Alkmaar van 9 juli 2002

in de strafzaak onder parketnummer 14-010071-02

tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [datum] 1976,

wonende te [adres]

thans gedetineerd in het huis van bewaring Demersluis te Amsterdam.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 juni 2002 en in hoger beroep van 27 januari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

hij op 28 december 2001 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meerdere messteken in de borst en in de hals toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere motivering

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is waaruit zou kunnen volgen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord dan wel doodslag, noch aan medeplichtigheid aan genoemde delicten.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft op 10 februari 2002 tegenover de politie -zakelijk weergegeven- voor zover hier van belang als volgt verklaard:

U zegt mij dat ik vóór de moord wist dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] [slachtoffer] gingen vermoorden. Het klopt inderdaad dat ik vóór de moord door hen op de hoogte ben gesteld. Ik wist de avond voor de moord dat ik moest wachten totdat zij [slachtoffer] hadden vermoord en dat ze mij daarna zouden bellen. U vraagt mij wanneer ik voor het eerst wist dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van plan waren [slachtoffer] te vermoorden. Ik denk dat het een week voor de moord was. Na de markt kwamen ze bij mij thuis en ze zeiden tegen mij dat ze van plan waren [slachtoffer] te vermoorden. Ze zeiden ook dat ik niet bij de moord hoefde te helpen maar dat ik na afloop wel moest helpen met het wegmaken van het lichaam. Ze zeiden dat ze hem wilden vermoorden met medicijnen. Over het wegmaken van het lichaam kon ik ze geen advies geven. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei dat we het lichaam moesten begraven. Ik zei dat dit geen goed idee was omdat dat altijd gevonden wordt. Ik heb tegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezegd dat ze hem beter in het water konden gooien.

De avond voor de moord, dus 27 december 2001, vroegen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan mij of ik met [naam] en [kind 1] naar de disco wilde gaan. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hadden mij verteld dat ze die avond [slachtoffer] gingen vermoorden en ze zeiden dat ik die avond mijn telefoon moest aanlaten zodat ze mij konden bellen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hadden tegen mij gezegd dat ik [kind 1] en [naam] omstreeks 23.00 uur terug naar de woning van [medeverdachte 1] moest brengen. Ik hoorde dat [medeverdachte 2] tegen mij zei dat ze die avond [slachtoffer] gingen doodmaken.

Ik denk dat ik omstreeks 01.00 uur wakker werd van de GSM. [medeverdachte 2] zei dat ik naar Schagen moest komen omdat [slachtoffer] boven bewusteloos in de slaapkamer was met [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] zei ook dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] had vastgebonden. Ik ben in de auto naar Schagen gereden. [medeverdachte 2] belde tijdens de rit. [medeverdachte 2] zei dat ze niet wisten wat ze met [slachtoffer] moesten doen. Een paar minuten later belde [medeverdachte 2] weer en huilde. Ze zei weer dat ze niet wisten wat ze met [slachtoffer] moesten doen. Ik zei toen dat ze een stok moesten pakken en hem moesten doodslaan. [medeverdachte 2] zei dat ze dat niet wilden doen. Ik zei toen dat ze dan maar een mes moesten pakken en hem daarmee moesten doodsteken. Dat was mijn advies aan hen. Een paar straten bij de woning van [medeverdachte 1] vandaan ben ik gestopt. Ik ben uit de auto gestapt. Op dat moment heb ik mijn telefoon opgenomen en ik hoorde dat ik [medeverdachte 1] aan de lijn had. Ik hoorde dat [medeverdachte 1] zei: We hebben het gedaan, we hebben het gedaan, we hebben hem vermoord.

U zegt mij dat ik heb meegeholpen met het inpakken van het lijk. Dat klopt. Ik heb het toen gedaan.

Uit deze verklaring van verdachte blijkt dat deze wist dat zijn partner [medeverdachte 2] en haar zuster [medeverdachte 1] een plan hadden gemaakt om [slachtoffer] van het leven te beroven en waren begonnen aan dat plan uitvoering te geven alsmede dat hij wist dat in dat plan voor hem, verdachte, een belangrijke rol was ingeruimd. In plaats van zich aan de uitvoering van dat plan te onttrekken, of zich daarvan te distantiëren dan wel de uitvoering van het plan te verijdelen door het waarschuwen van het slachtoffer of officiële instanties, heeft verdachte:

- zich op de bewuste avond telefonisch ter beschikking van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gehouden

en

- een auto voor de uitvoering van het misdrijf ter beschikking gehouden

en

- de (minderjarige) medeplichtigen met die auto vervoerd naar de plaats waar het delict zou worden gepleegd en

- telefonisch aanwijzingen gegeven over de manier waarop die (inmiddels gedrogeerde) [slachtoffer] moest worden gedood.

Aldus is de samenwerking van verdachte en zijn mededaders zo volledig en nauw geweest dat er sprake is van medeplegen als bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht. Het betoog van de raadsman gaat derhalve niet op.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitlsuit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met anderen [slachtoffer] van het leven beroofd. Ter uitvoering van een vooraf beraamd plan hebben verdachtes mededaders het slachtoffer een -grote- hoeveelheid medicijnen toegediend en toen [slachtoffer] daaraan niet bleek te zijn bezweken, vervolgens pogingen in het werk gesteld het slachtoffer door verstikking om het leven te brengen. Daarna heeft een van verdachtes mededaders, na hieromtrent advies aan verdachte te hebben gevraagd, overeenkomstig dit advies het slachtoffer met een mes zodanige verwondingen toegebracht dat hij als gevolg daarvan is overleden.

Moord is een feit waarop door de wetgever de zwaarst mogelijke straf is gesteld. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is een onherstelbaar verlies toegebracht. Bovendien is door dit gewelddadig handelen de rechtsorde ernstig geschokt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

-een uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van 1 november 2002, betreffende verdachte;

-een rapport van de Reclassering Nederland, arrondissement Alkmaar, opgemaakt door R. Delis, reclasseringswerkster, van 21 juni 2002;

-het rapport van drs. J.M. Oudejans, psycholoog, van 18 juni 2002;

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op haar plaats is.

Gelet op alle omstandigheden is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, met name gelet op het volgende:

Verdachte was op de hoogte van het plan dat zijn echtgenote en haar zus het latere slachtoffer van het leven wilde beroven. In plaats van zijn echtgenote en haar zus te weerhouden dit plan tot uitvoering te brengen, dan wel op andere wijze te pogen dit ophanden zijnde misdrijf te verijdelen, heeft verdachte zijn medewerking aan de uitvoering van het misdrijf verleend. Bovendien neemt het hof hem zeer kwalijk dat hij, terwijl hij wist van het voornemen om het slachtoffer [slachtoffer] om het leven te brengen, de jonge kinderen [kind 1] en [kind 2] mede door zijn toedoen bij het misdrijf zijn betrokken. Alhoewel het aandeel van verdachte in dit misdrijf van geringer aard is geweest dan dat van zijn mededaders was hij blijkens het hiervoor genoemde psychologische rapport - in tegenstelling tot zijn mededaders - op het moment van het tenlastegelegde, niet lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, zodat hij in staat was de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te zien en in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen.

Op grond hiervan acht het hof - met eenparigheid van stemmen - oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (VIJF) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Boumans, IJland-van Veen en Dekkers in tegenwoordigheid van Bekker als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2003.