Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AH8730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-02-2003
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-002994-02
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2002:AE5211
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord in relationele sfeer. Het slachtoffer kreeg eerst medicijnen toegediend, vervolgens werd door verdachte gepoogd het slachtoffer door verstikking om het leven te brengen, tenslotte heeft medeverdachte 1 het slachtoffer met messteken om het leven gebracht, waarna het lijk in het water werd gegooid door de diverse betrokkenen.

Verwerping beroep op psychische overmacht.

7 jaar gevangenisstraf.

Mededaders : LJN AH8721 en AH8733

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2003-02-10
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-02-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002994-02

datum uitspraak 10 februari 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank

te Alkmaar van 9 juli 2002

in de strafzaak onder parketnummer 14-010073-02

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op 6 april 1978,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring De Vecht te Nieuwersluis.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 25 juni 2002 en in hoger beroep van 27 januari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, met dien verstande dat

zij op 28 december 2001 in de gemeente Schagen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meerdere messteken in de borst en in de hals toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Namens verdachte is aangevoerd dat zij heeft gehandeld in een situatie van psychische overmacht en dientengevolge moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachtes wil was volledig gebroken. Zij was volledig getraumatiseerd door de vele mishandelingen, verkrachtingen en bedreigingen door het slachtoffer [slachtoffer]. Gelet op de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid, waarvan volgens beide deskundigen ten tijde van de voorbereiding en de uitvoering van het tenlastegelegde feit sprake is, kan het feit verdachte niet worden aangerekend. Om die reden is er sprake van een strafuitsluitingsgrond, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat verdachte jarenlang het slachtoffer is geweest van bedreigingen, mishandelingen en verkrachtingen door [slachtoffer], het latere slachtoffer. Eveneens aannemelijk is dat verdachte ernstig heeft geleden onder het feit dat haar zuster [medeverdachte 1] door [slachtoffer] werd mishandeld en dat ook haar familie door [slachtoffer] werd bedreigd.

Het niet aflatende brute optreden van [slachtoffer] en zijn dreigement ook haar 12-jaar oude halfzusje slachtoffer te maken van seksueel misbruik, hebben bij verdachte het voornemen doen postvatten [slachtoffer] van het leven te beroven.

Over verdachte zijn rapporten uitgebracht op 1 mei 2002 door de psycholoog drs. F.C.P. Zuidhof en op 16 juni 2002 door de psychiater B.J. van Eyk. Uit deze rapporten, in onderling verband en samenhang gelezen, komt, kort samengevat, naar voren dat zeer sterk aanpassende, vermijdende en vluchtende kenmerken als een rode draad door verdachtes persoonlijkheid lopen. Bij verdachte is volgens de deskundigen sprake van een (ernstige) borderline persoonlijkheidsstoornis en van post-traumatische stress-stoornis. Verdachte is een vrouw die steeds, met name door [medeverdachte 1], in bescherming is genomen, maar steeds in relaties een vragende rol aanneemt waarbij de krachtenstroom sterk egocentrisch gericht is. Er is voorts sprake van een gestoorde agressiehuishouding met volledige introjectie van de agressiegevoelens, wat een masochistisch beeld geeft.

Er is sprake van een ingeslepen reactie/leefpatroon waarbij zij steeds op vergelijkbare wijze problemen veroorzaakt, en die via anderen weer oplost. Dit is een patroon waarvan gesteld mag worden dat zij hier nauwelijks greep op had, steeds weer oplossingsbeslissingen nam in de verkeerde richting, waardoor probleemoplossingen niet plaats vonden. Er mag gesproken worden van een in de tijd vernauwend realiteitsbesef waarbij toetsingsmogelijkheden duidelijk tekort schoten en haar wilsvrijheid "gevangen werd gezet". Er moet dan ook worden gesproken van een sterk verminderde toerekeningsvatvaarheid met betrekking tot het haar tenlastegelegde.

Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof aannemelijk dat verdachte geen ander alternatief zag dan [slachtoffer] van het leven te beroven. Het karakter van die drang brengt echter niet mee, dat weerstand daartegen redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd.

Verdachtes voornemen [slachtoffer] van het leven te beroven heeft zich enkele weken voor het delict gevormd. Het hof acht niet aannemelijk dat zich in de periode die is verlopen vanaf dat tijdstip tot de uitvoering van het delict, geen enkel moment heeft voorgedaan waarop verdachte in staat moest worden geacht zich te onttrekken aan de drang die zij voelde [slachtoffer] te vermoorden en in zoverre een andere keuze te maken dan die welke zij heeft gemaakt. Dit geldt temeer nu niet is aangevoerd noch aannemelijk geworden, dat in voormelde periode een concrete het voornemen versterkende, dreiging van de elders wonende [slachtoffer] uitging.

Naar het oordeel van het hof, waarvoor bevestiging kan worden gevonden in de rapporten van de gedragsdeskundigen, zijn veeleer de bij verdachte geconstateerde kinderlijke ontwikkelingsstagnatie in het kader van een ernstige borderlinestoornis en een posttraumatische stress-stoornis de kiem geweest voor het onderhavige delict, dan een ten tijde van het delict bestaande drang. Dit brengt mee dat de door verdachte ervaren drang moet worden bezien in het licht van de (geringe mate van) toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook indien deze omstandigheid en -in samenhang daarmee- de psychische gesteldheid van verdachte in aanmerking worden genomen, kan niet worden gesproken van een drang die van zodanige aard is geweest, dat weerstand daartegen redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd.

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft samen met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven beroofd. Verdachte en haar zus hadden reeds enige tijd het plan opgevat om het slachtoffer [slachtoffer] om het leven te brengen. Vanaf het moment van het ontstaan van dat plan tot de uitvoering van de daad hebben verdachte en haar zus weloverwogen de mogelijkheden onderzocht op welke wijze zij [slachtoffer] van het leven konden beroven. Na het zien van de film La Bella Maffia kwamen verdachte en haar zus tot het besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven op de wijze zoals het slachtoffer in de film werd vermoord. Verdachte is naar een apotheek gegaan om te informeren of het gif, dat in de film werd gebruikt, verkrijgbaar was. Vervolgens heeft verdachte bij haar moeder medicijnen ontvreemd, alsmede een mes meegenomen. Op deze wijze hebben verdachte en/of haar zus weloverwogen de benodigde materialen in huis gehaald om aan hun plan uitvoering te geven. Op de avond van het gebeuren heeft verdachte [slachtoffer] telefonisch gevraagd bij haar te komen. Nadat aan [slachtoffer] een grote hoeveelheid medicijnen is toegediend en hij daaraan niet bleek te zijn bezweken, heeft vervolgens verdachte pogingen in het werk gesteld om het slachtoffer door verstikking om het leven te brengen en werd aan de medeverdachte [medeverdachte 2] telefonisch gevraagd wat te doen. Hij adviseerde om het slachtoffer dood te slaan of te steken. Daarna heeft de zus van verdachte, terwijl verdachte het lichaam van [slachtoffer] in bedwang hield, het slachtoffer, met het meegenomen mes, een groot aantal messteken toegebracht tengevolge waarvan het slachtoffer [slachtoffer] is overleden. Hierna is het lijk door de diverse betrokkenen in het water gegooid.

Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte zeer weloverwogen te werk is gegaan. Het hof neemt het verdachte tevens buitengewoon kwalijk dat zij en haar zus de jonge kinderen [kind A] en [kind B], die eveneens van de plannen op de hoogte waren en getuige zijn geweest van de fatale gebeurtenissen, bij hun daad hebben betrokken.

Moord is een feit waarop door de wetgever de zwaarst mogelijke straf is gesteld. Door twee zeer jeugdige familieleden bij de uitvoering van dit feit te betrekken, werden zij door verdachte en haar zuster aan zeer traumatische ervaringen blootgesteld. Daarvan kunnen zij nog lang psychische gevolgen ondervinden.

Voorts is aan de nabestaanden van het slachtoffer een onherstelbaar verlies toegebracht.

Bovendien is door dit gewelddadig handelen de rechtsorde ernstig geschokt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

-een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 1 november 2002, betreffende verdachte;

-een rapport van de Reclassering Nederland arrondissement Alkmaar van 19 juni 2002, opgemaakt door T. Houtenbos, reclasseringswerkster;

-het rapport van B.J. van Eyk, psychiater, van 16 juni 2002;

-het rapport van F.C.P. Zuidhof, justitieel forensisch-psycholoog van 10 mei 2002.

Het rapport van psychiater Van Eyk houdt , zakelijk weergegeven,

- onder meer - het volgende in:

Er mag bij betrokkene worden gesproken van een in de tijd zich vernauwend realiteitsbesef waarbij toetsingsmogelijkheden duidelijk tekort schoten en haar wilsvrijheid "gevangen werd gezet". Er moet dan ook worden gesproken van een sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid terzake van het tenlastegelegde.

Vanuit psychiatrisch oogpunt valt recidive niet te verwachten c.q. is nagenoeg uit te sluiten. Wel is een behandeling bij de GGZ geïndiceerd waarbij de behandeling dient te liggen in de lijn van de persoonlijkheidsontwikkeling in de gestagneerde ontwikkelingsgang.

Met deze conclusies kan het hof zich verenigen.

Het rapport van forensisch-psycholoog F.C.P. Zuidhof houdt - onder meer - het volgende in:

De rapporteur meent dat de delictvorming gezien kan worden tegen de achtergrond van de persoonlijke omstandigheden van onderzochte en een ziekelijke stoornis der geestvermogens in de zin van een waarschijnlijk te achten borderline persoonlijkheidsstoornis en waarbij er dominant sprake was van een (post) traumatische stresstoestand vanuit de chronische traumatisering door het latere slachtoffer [slachtoffer], waarbij uiteindelijk de dreigende verkrachting van [kind B] en de sterke invloeden van de folie à quatre alsmede de voorbeeldfunctie vanuit de film Bella Maffia de triggers zijn geweest om het realiteitsbesef te vernauwen, waardoor het delict vanuit een haast collectieve waan ten uitvoer is gebracht. Gelet op het voorgaande zou ondergetekende onderzochte willen beschouwen als zijnde geweest op het moment van de delictvorming sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Recidive in soortgelijke delictvorming ligt niet voor de hand. Toepassing van de maatregel van TBS ter beveiliging van personen wordt vanuit gedragskundige optiek niet als aangewezen geacht. Onderzochte dient wel behandeld te worden binnen de GGZ en wel in een klinisch centrum voor gespecialiseerde psychotraumabehandeling. Dit kan vanuit een civiel vrijwillig kader.

Met de voormelde conclusies van dit rapport kan het hof zich verenigen.

Gelet op alle omstandigheden is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Het hof acht, gelet op het vorenstaande, - met eenparigheid van stemmen -oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het hof is van oordeel, dat de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

-1.00 STK Binddraad Kl: Wit;

-1.00 STK Plaid Kl: Paars;

-1.00.STK Veter Kl: Wit;

-1.00 STK Plaid Kl: Blauw:

-1.00 STK Riem Kl: Zwart;

-1.00 STK Deken Kl: Bruin en

-1.00 STK Hoeslaken Kl: Creme

dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien de opsporing van het bewezenverklaarde feit met behulp van deze goederen is belemmerd.

Van de overige inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zal de teruggave aan verdachte worden gelast.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van 7 (ZEVEN) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten:

-1.00 STK Binddraad Kl: Wit;

-1.00 STK Plaid Kl: Paars;

-1.00.STK Veter Kl: Wit;

-1.00 STK Plaid Kl: Blauw:

-1.00 STK Riem Kl: Zwart;

-1.00 STK Deken Kl: Bruin;

-1.00 STK Hoeslaken Kl: Creme.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten:

-1.00 STK Toilettas Kl: Paars;

-2.00 STK Foto Kl: Grijs;

-1.00 STK Schrijfmap Kl: Bruin

aan verdachte.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Boumans, IJland-van Veen en Dekkers , in tegenwoordigheid van Bekker als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 februari 2003.