Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AH8542

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
24-06-2003
Zaaknummer
01/04115
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

01/04115 - 3/6/03 - 1e MK

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het voordeel uit aanmerkelijk belang de dollarkoers van 27 maart 1997 mag worden gehanteerd, omdat blijkens de brief met dagtekening 27 maart 1997 de verkoopovereenkomst op die dag op hoofdpunten werd gesloten. Het Hof is van oordeel dat de inhoud van die brief niet als een vervreemding kan worden opgevat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2003/58.1.3
FutD 2003-1214
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 19 november 2001, ingediend door A te T als zijn gemachtigde, hetwelk is aangevuld bij brief van 7 januari 2002.

Het beroep is gericht tegen de bij brief van 25 oktober 2001 aangekondigde uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 18 december 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997. De aanslag is berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.830.372. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 19.886.917.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

1.4. De griffier heeft de gemachtigde van belanghebbende bij aangetekend schrijven van 2 juli 2002 mededeling gedaan van dag, uur en plaats van de mondelinge behandeling van het beroep. Gemachtigde heeft bij faxbericht van 13 september 2002 aangegeven dat namens belanghebbende ter zitting van 17 september 2002 niemand zal verschijnen. Namens de inspecteur is verschenen B, tot bijstand vergezeld van C. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, welke tot de gedingstukken wordt gerekend.

1.5. Op 1 oktober 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan waarvan het proces-verbaal op 11 oktober 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief ter griffie ontvangen op 5 november 2002 is door belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 41 is tijdig op de rekening van het Gerechtshof bijgeschreven.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1965, is van 1 januari 1997 tot en met 31 oktober 1997 in loondienst werkzaam bij de besloten vennootschap PBV (hierna: PBV), in welke vennootschap hij een aanmerkelijk belang bezit in de zin van artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Van 1 november 1997 tot en met 31 december 1997 is belanghebbende vervolgens in loondienst werkzaam bij de besloten vennootschap HBV

2.2. Bij overeenkomst van 5 juni 1997 heeft belanghebbende de onder 2.1 genoemde aanmerkelijkbelangaandelen in PBV voor $ 10.482.843 verkocht aan HBV. Aan deze verkoop is voorafgegaan een brief van 27 maart 1997 van HBV Company te Q (USA) aan PBV, waarvan de inhoud voor zover van belang luidt:

"As we discussed, I would like to summarize in this letter the topics we covered in our meeting on March 20th regarding the possible acquisition of PBV by HBV. (…)

As has been the case with each of our prior correspondences, the details provided in this letter are subject to the satisfactory completion of HP's due diligence, PBV and HP agreeing to the terms of a definitive agreement, and HP's obtaining any necessary corporate and third party approvals. This letter does not represent a binding commitment by HP to purchase PBV under any terms."

2.3. Belanghebbende heeft een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 ingediend, welk biljet op 3 juni 1999 ter inspectie is ingekomen en waarbij aangifte is gedaan naar een belastbaar inkomen van ¦ 19.853.574. De inspecteur heeft het in de aangifte aangegeven voordeel uit aanmerkelijk belang ¦ 19.479.850 gecorrigeerd met het bedrag van ¦ 943.455 en de ontvangen rente-inkomsten met een bedrag van ¦ 33.343, waarna het belastbaar inkomen bij de op 28 november 2000 gedagtekende aanslag is vastgesteld op ¦ 20.830.372. De correctie ter zake van het voordeel uit aanmerkelijk belang is een gevolg van de omrekening van US-dollars naar guldens. De inspecteur heeft de dollarkoers van 5 juni 1997 gehanteerd, zijnde ƒ 1,94 per dollar en belanghebbende de dollarkoers van 27 maart 1997 ten bedrage van ƒ 1,85.

2.4. Tegen voornoemde aanslag heeft de gemachtigde van belanghebbende per faxbericht, gedateerd 19 maart 2001, welk bericht de inspecteur op 20 maart 2001 heeft ontvangen, een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 18 december 2001, geadresseerd aan voornoemde gemachtigde, heeft de inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard en voorts medegedeeld dat de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar geen aanleiding gaf de aanslag ambtshalve te herzien.

3. Geschil

Tussen partijen is het volgende in geschil:

1. Is belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar?

2. Dient ter berekening van het vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang de dollarkoers van 17 maart 1997 dan wel die van 5 juni 1997 te worden genomen?

3. Heeft de inspecteur terecht afgezien van het horen van belanghebbende?

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

4.2. Tijdens de zitting is namens de inspecteur - kort samengevat - nog het volgende toegevoegd.

De brief van 27 maart 1997, gericht aan Mr. K, heeft mijns inziens niet geleid tot de totstandkoming van een overeenkomst. In het verweerschrift heb ik in het licht van die brief ten onrechte de woorden 'ontbindende voorwaarden' genoemd. Hiermee heb ik in ieder geval niet bedoeld te zeggen dat ik ervan uitga dat er op dat moment een obligatoire overeenkomst tot stand is gekomen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ontvankelijkheid bezwaarschrift

5.1.1. Belanghebbende bestrijdt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift en voert daartoe aan dat de Belastingdienst (a) is tekortgeschoten in de toezending van het aanslagbiljet door gemachtigde erbuiten te laten en (b) vertrouwen heeft gewekt dat sprake was van ontvankelijkheid van het bezwaar. De inspecteur houdt de grieven van belanghebbende voor ongegrond, omdat (a) het aanslagbiljet slechts op verzoek van de belastingplichtige naar een ander dan deze wordt gezonden en een dergelijk verzoek hem - de inspecteur - niet heeft bereikt, zodat van schending van artikel 6:8, eerste lid, iuncto artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen sprake is, en (b) zijn brief van 9 mei 2001 niet de indruk heeft gewekt dat het bezwaar ontvankelijk zou zijn.

5.1.2. Naar het oordeel van het Hof had de inspecteur de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb achterwege behoren te laten. Immers, de inspecteur heeft bij brief van 9 november 2000 aan de bij het indienen van de aangifte van belanghebbende betrokken gemachtigde L te R, voor zover van belang, het volgende geschreven:

"Ik heb de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997 beoordeeld van de heer X, a-straat 1 in R. Deze beoordeling geeft mij aanleiding van de aangifte af te wijken. (…)

Aangegeven belastbare inkomen ƒ 19.853.574

Totaalbedrag afwijkingen ƒ 976.798 bij

--------------

Ik stel het belastbare inkomen vast op ƒ 20.830.372

Als u het niet eens bent met het vorenstaande, dan kunt u na ontvangst van de aanslag een bezwaarschrift indienen. Op het aanslagbiljet staat vermeld hoe u in dat geval moet handelen. De aanslag ontvangt u over enige tijd."

5.1.3. Aan deze brief mocht L het vertrouwen ontlenen dat hem het aanslagbiljet zou worden toegezonden, althans dat hij van de verzending van het aanslagbiljet aan een ander - in casu aan belanghebbende - op de hoogte zou worden gesteld. Nu de inspecteur het een noch het ander heeft gedaan en voorts is gesteld noch gebleken dat L dan wel A reeds ruim vóór 20 maart 2001 kennis droeg van de opgelegde aanslag of van het aan belanghebbende toegezonden aanslagbiljet, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat A met het indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest. Het bezwaar dient mitsdien alsnog ontvankelijk te worden verklaard.

5.2. Aanmerkelijkbelangwinst (artikel 20a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964)

5.2.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het voordeel uit aanmerkelijk belang de dollarkoers van 27 maart 1997 ten bedrage van ƒ 1,85 mag worden gehanteerd, omdat blijkens de brief van 27 maart 1997 de verkoopovereenkomst op die dag op hoofdpunten werd gesloten. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat uit de bewoordingen van de brief van 27 maart 1997 duidelijk blijkt dat (nog) geen overeenkomst is gesloten, waaruit de vervreemding van de aandelen kan worden geconstateerd.

5.2.2. Naar het oordeel van het Hof kan de inhoud van de brief van 27 maart 1997, als vermeld onder 2.2., niet worden opgevat als een tussen belanghebbende en HBV B.V. tot stand gekomen vervreemding van aandelen, nu klip en klaar is vermeld: "This letter does not represent a binding commitment" en uit de overige bewoordingen van die brief niet valt op te maken dat de aandeelhouders van PBV desondanks reeds op dat moment gebonden waren tot verkoop van hun aandelen. Het gelijk is in zoverre aan de inspecteur. Hieraan doet niet af dat de inspecteur in het onderhavige geval zonder instemming van belanghebbende heeft afgezien van diens horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb.

6. Proceskosten

Nu de uitspraak van de inspecteur niet in stand blijft, acht het Hof termen aanwezig om de inspecteur te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 322 x 1 (voor proceshandelingen) x 1 (voor gewicht) = € 322.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- verklaart het bezwaarschrift ontvankelijk en handhaaft de aanslag,

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 322 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen, en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld op 3 juni 2003 ter vervanging van de mondelinge uitspraak door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Kostense, leden, in tegenwoordigheid van mr. Jonk als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

a) Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

b) Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

c) Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.