Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AG1656

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
02/01961
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

02/01961 - 19/5/03 - 2e MK

Belanghebbende, een in 1992 failliet gegane tuinder, heeft nog een schuld aan de Rabobank van ¦ 695.000,63. In 1995 schreef de bank dat de vordering inmiddels ¦ 776.000 beliep. De bank heeft niet geprobeerd in te vorderen en, volgens de inspecteur, het bedrag al in 1993 ten laste van de VAR gebracht. Het Hof acht dat alles onvoldoende voor vrijval van de schuld in 1996. De vordering van de bank was nog niet verjaard en er bestond nog steeds een risico dat de bank zou gaan invorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1093
FutD 2003-1164
V-N 2003/31.3.4
V-N 2003/39.11

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tweede Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Particulieren/Ondernemingen te Hoorn, thans Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 15 maart 2002, ingediend door mr. A te B als gemachtigde en aangevuld bij brief van 14 juli 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 21 februari 2002 betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1996.

Aan belanghebbende is een aanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ¦ 45.746 met toepassing van tariefgroep 1, zonder verrekening van WIR-premie en zonder verrekening van verliezen. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ¦ 45.746 met toepassing van tariefgroep 2 en met verrekening van ¦ 6.664 aan WIR premie.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot

vermindering van de aanslag tot naar een belastbaar inkomen, na verliesverrekening, van nihil.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De inspecteur heeft een conclusie van dupliek ingezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 17 maart 2003. Voor een overzicht van het verhandelde ter zitting alsmede van de aldaar verschenen personen verwijst het Hof naar het bijgaande proces-verbaal. De door partijen overgelegde pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende heeft een tuindersbedrijf geëxploiteerd te C. Op 16 januari 1992 is belanghebbende failliet verklaard. Het faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten op 12 november 1992. Blijkens het eindverslag dat door de curator is opgesteld, beliep het bedrag aan openstaande schulden op dat moment ¦ 968.802,15. Tot de schulden behoort een schuld aan de Rabobank D (de Rabobank) van ¦ 695.999,63.

2.2. Bij brief van 20 juli 1995 schreef de Rabobank aan belanghebbende onder meer het volgende:

"Op 16 januari 1992 bent u in staat van faillissement verklaard en heeft de bank destijds aan u verstrekte financieringen opgezegd.

Zoals u bekend zal zijn, konden niet alle schulden aan de bank worden verhaald uit de opbrengst van de gestelde zekerheden. Derhalve heeft onze bank nog van u te vorderen een bedrag van ¦ 776.936,92 (…) te vermeerderen met nog nader vast te stellen rente en kosten."

Na deze brief heeft de Rabobank geen verdere actie ondernomen om de schuld in te vorderen.

2.3. Het bedrag aan compensabele verliezen van belanghebbende beliep op 1 januari 1996 ¦ 602.764.

2.4. De inspecteur is bij de aanslagregeling uitgegaan van een vrijval van de schuld aan de Rabobank tot een bedrag van ¦ 602.764 en van verrekening van de compensabele verliezen met de door deze vrijval ontstane winst, waardoor er voor verrekening met het overige inkomen van 1996 geen verlies meer resteert.

3. Geschil

In geschil is of de schuld van belanghebbende aan de Rabobank per ultimo 1996 moet worden afgewaardeerd omdat belanghebbende de schuld niet zal voldoen. Niet meer in geschil is dat de schuld na het faillissement en ook in het onderhavige jaar is blijven behoren tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding alsmede naar het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Indien vaststaat of zo goed als zeker is dat een ondernemer bepaalde ondernemingsschulden niet of niet volledig behoeft te voldoen, treedt daardoor voor die ondernemer een vermogensvermeerdering op die als winst uit onderneming in de zin van artikel 7 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet worden beschouwd (Hoge Raad 18 oktober 2002 nr. 37413, V-N 2002/51.18).

5.2. De inspecteur heeft zijn stelling dat belanghebbende de schuld in het onderhavige jaar moet afwaarderen, gebaseerd op (1) het feit dat belanghebbende niets op de schuld aan de Rabobank heeft afgelost en, naar de inspecteur stelt doch belanghebbende betwist, niet op de schuld wilde aflossen, (2) telefonische informatie van de Rabobank dat de vordering op belanghebbende reeds in 1993 ten laste van de Voorziening Algemene Reserve is gebracht en dat bij de Rabobank toen al geen hoop meer bestond dat de vordering geïnd zou kunnen worden en (3) het feit dat de Rabobank na de onder 2.2. vermelde brief geen enkele actie meer heeft ondernomen om de vordering te innen.

5.3. Het Hof is van oordeel dat geen van de door de inspecteur gestelde feiten ertoe kan leiden dat de schuld aan de Rabobank tot een bedrag van ¦ 602.764 verplicht dient vrij te vallen in het onderhavige jaar. De inspecteur heeft ter zitting erkend dat de brief van de Rabobank uit 1995 de verjaring van de vordering heeft gestuit. Belanghebbende liep derhalve ultimo 1996 nog steeds het risico dat de Rabobank ten aanzien van de schuld invorderingsmaatregelen zou gaan treffen. De door de inspecteur geponeerde stelling dat de Rabobank dat niet zou doen omdat de vordering al in 1993 was afgeschreven, wordt niet door de feiten ondersteund. Als die stelling juist zou zijn, zou de Rabobank de onder 2.2. vermelde brief niet hebben verstuurd. Bovendien heeft de Rabobank nooit aan belanghebbende aangegeven de vordering te laten varen; het enkele feit dat de bank daartoe mogelijk intern wel een besluit had genomen, regardeert belanghebbende niet aangezien een dergelijk aan belanghebbende niet kenbaar gemaakt intern besluit voor belanghebbende geen rechten schept en het de bank vrij zou staan daar later op terug te komen.

5.4. Het enkele feit dat de schuld aan de Rabobank tot ultimo 1996 onbetaald is gebleven, kan, mede gezien het onder 5.3. overwogene, niet leiden tot de conclusie dat op dat tijdstip vaststond of zo goed als zeker was dat belanghebbende die schuld niet of niet volledig behoefde te voldoen. Daar komt nog bij dat, naar het Hof aannemelijk acht, ultimo 1996 nog de kans bestond dat de bank de schuld geheel of gedeeltelijk zou kwijtschelden. Het Hof is dan ook van oordeel dat belanghebbende terecht de schuld is blijven waarderen op de nominale waarde.

5.5. Voor zover de inspecteur heeft beoogd te stellen dat ook ten aanzien van andere schulden dan de schuld aan de Rabobank een vrijval moet worden geconstateerd, verwerpt het Hof deze stelling aangezien de inspecteur ter onderbouwing daarvan geen feiten en gegevens omtrent die schulden en de betreffende crediteuren heeft aangevoerd. Uit het vorenoverwogene volgt dat de door de inspecteur gestelde vrijval van schulden zich in het jaar 1996 niet heeft voorgedaan. De inspecteur heeft belanghebbendes inkomen dan ook ten onrechte met ¦ 602.764 verhoogd. Het Hof volgt de door belanghebbende voorgestane berekening van het belastbare inkomen.

6. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten gesteld op € 1.207,50 (2,5 punten voor proceshandelingen à € 322 maal 1,5 voor het gewicht van de zaak).

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen, na verrekening van verliezen, van nihil met toepassing van tariefgroep 1;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 1.207,50 en wijst de Staat als rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende zal voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 19 mei 2003 door mrs. Van Hilten, Beukers-van Dooren en Otto, in tegenwoordigheid van drs. Plat als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

- Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

- Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.