Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AG1655

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
02/1853
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

02/1853 - 31/3/03 - 13e EK

De Belastingdienst stelt de aangifte omzetbelasting van belanghebbende niet te hebben ontvangen. Wel heeft belanghebbende de omzetbelasting ruim op tijd betaald. Het Hof acht de verklaring van belanghebbende aannemelijk dat zij de aangifte tijdig heeft ingezonden. Er is ten onrechte een boete opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Algemene wet inzake rijksbelastingen 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Dertiende Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

ter vervanging van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 12 maart 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 26 januari 2002, betreffende de aan belanghebbende opgelegde boete wegens het niet doen van aangifte voor de omzetbelasting over het tijdvak september 2001.

Aan belanghebbende is een boete opgelegd berekend van ƒ 250. Na bezwaar tegen de boete is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en van de boete.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Van het verhandelde ter zitting van 3 december 2002 heeft de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Op 17 december 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 18 december 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief van 8 januari 2003, ter griffie ingekomen op 9 januari 2003, heeft de inspecteur verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het verschuldigde griffierecht van € 163,50 is tijdig betaald.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende diende de aangifte voor de omzetbelasting over het tijdvak september 2001 uiterlijk 31 oktober 2001 te doen. De in geding zijnde boete is opgelegd omdat belanghebbende de vermelde aangifte niet binnen die termijn zou hebben gedaan.

2.2. Belanghebbende heeft de over het tijdvak september 2001 verschuldigde omzetbelasting per bank voldaan. Deze betaling is met valutadatum 11 oktober 2001 van haar bankrekening afgeschreven.

3. Geschil

In geschil is of belanghebbende de aangifte voor de omzetbelasting voor het tijdvak september 2001 tijdig heeft gedaan.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. De bestreden uitspraak is gedagtekend (zaterdag) 26 januari 2002. De termijn van zes weken voor het instellen van beroep eindigde derhalve (maandag) 11 maart 2002. Het beroepschrift is per post ingediend en ter griffie ontvangen op 12 maart 2002. Het Hof acht aannemelijk dat het voor het einde van de termijn, dus uiterlijk 11 maart 2002 ter post is bezorgd. Nu het ook niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen, is het beroepschrift tijdig ingediend.

5.2. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat haar vorige boekhouder vaak fouten maakte en dat zij daarom haar aangiften omzetbelasting met ingang van het onderhavige tijdvak liet verzorgen door Administratiekantoor A te B. Dit kantoor heeft, aldus belanghebbende, de aangifte begin oktober 2001 opgemaakt. Belanghebbende heeft de aangifte toen ondertekend en het verschuldigde bedrag van ƒ 1.083 aan de Belastingdienst betaald. Administratiekantoor A heeft, aldus belanghebbende, gezorgd voor de onmiddellijke toezending van het aangiftebiljet aan de Belastingdienst. Ter zitting heeft C als medewerker van het vermelde administratiekantoor bevestigd dat het kantoor heeft zorggedragen voor tijdige verzending van het aangiftebiljet.

5.3. Het Hof acht de verklaringen van belanghebbende geloofwaardig, te meer nu reeds op 11 oktober de verschuldigde omzetbelasting is voldaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat de aangifte op die datum reeds was opgemaakt. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat het aangiftebiljet op of omstreeks 8 oktober 2001 ter post is bezorgd. Daaruit volgt dat belanghebbende de onderwerpelijke aangifte tijdig heeft gedaan, zodat de in geding zijnde boete ten onrechte is opgelegd.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, veroordeelt het Hof de inspecteur in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief op: 1 (proceshandelingen: verschijnen ter zitting) ´ 1 (wegingsfactor gewicht van de zaak) ´ € 322, ofwel € 322.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vernietigt de beschikking waarbij de in geding zijnde boete is opgelegd;

- gelast de Staat het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden; en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 322 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen.

De uitspraak is ter vervanging van de mondelinge uitspraak vastgesteld op 31 maart 2003 door mr. Beukers-Van Dooren, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.