Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AG0134

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
16-06-2003
Zaaknummer
7069 - 14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Aan artikel 71, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering ligt de bedoeling van de wetgever ten grondslag dat verdachte éénmaal de gelegenheid moet worden geboden om bezwaren tegen zijn gevangenhouding of de verlenging daarvan in hoger beroep te laten beoordelen. In dit licht dwingen de bewoordingen van dat artikel er niet toe dat verdachte wordt verstoken van het daarin toegekende hoger beroep indien hij tegen een der eerdere bevelen hoger beroep heeft ingesteld en dit vóór de behandeling heeft ingetrokken dan wel dat hoger beroep niet heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren tegen de gevangenhouding of de verlenging daarvan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Amsterdam

zitting houdende te Arnhem

pkn: 16-350267-03

avnr: 7069 - 14

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

[Verdachte].

geboren te '[geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

verblijvende in het huis van bewaring te Nieuwegein.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Utrecht van 20 mei 2003, houdende het bevel tot verlenging van de geldigheidsduur van de gevangenhouding en de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, in raadkamer van heden.

Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 20 mei 2003.

OVERWEGINGEN:

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het appel niet-ontvankelijk is, omdat verdachte eerder in hoger beroep is gekomen tegen het bevel gevangenhouding, welk beroep bij beschikking van dit hof van 9 april 2003 niet-ontvankelijk is verklaard.

Het hof overweegt dat aan artikel 71, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering de bedoeling van de wetgever ten grondslag ligt dat verdachte althans éénmaal de gelegenheid moet worden geboden om bezwaren tegen zijn gevangenhouding of de verlenging daarvan in hoger beroep te laten beoordelen. In dit licht dwingen de bewoordingen van dat artikel er niet toe dat verdachte wordt verstoken van het daarin toegekende hoger beroep indien hij tegen een der eerdere bevelen hoger beroep heeft ingesteld en dit vóór de behandeling heeft ingetrokken dan wel dat hoger beroep niet heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling van de bezwaren tegen de gevangenhouding of de verlenging daarvan. Het hof oordeelt het hoger beroep in zoverre ontvankelijk.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat het hoger beroep gelet op artikel 87, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk is voorzover dit betreft de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof is van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn beroep voorzover dit is gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat het hier niet betreft een afwijzende beslissing op een eerste verzoek tot schorsing, zoals bedoeld in artikel 87, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof is na onderzoek gebleken dat de gronden waarop de rechtbank het bevel tot verlenging van de geldigheidsduur van de gevangenhouding van verdachte heeft gegeven ook thans nog bestaan, zodat de beschikking van de rechtbank voorzover daarvan beroep is ingesteld en dit beroep ontvankelijk is met overneming van de gronden dient te worden bevestigd.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof verklaart het beroep voorzover gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot schorsing niet-ontvankelijk en bevestigt de beschikking voorzover houdende het bevel tot verlenging van de geldigheidsduur van de gevangenhouding.

Aldus gegeven op 4 juni 2003 door mrs Buyne, voorzitter, Van Kuijck en Clarenbeek, raadsheren, in tegenwoordigheid van Berendsen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.