Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF9797

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
02/04402 PV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AR4002
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het systeem van de Wet IB volgt volgens het Hof dat belanghebbende een bedrag gelijk aan de economische huurwaarde van de voor zijn onderneming gebruikte werkruimte in zijn woning als inkomsten uit vermogen heeft genoten. Ter zake kan belanghebbende ingevolge art. 8b Wet IB niets ten laste van zijn winst brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-1104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Zestiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Ondernemingen 1 te P, de inspecteur, gedagtekend 18 juni 2002, betreffende de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1999.

Het beroep is ter zitting behandeld op 12 maart 2003.

Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. In geschil is of belanghebbende een bedrag gelijk aan de economische huurwaarde van ¦ 11.947 ter zake van de door hem ten behoeve van zijn onderneming gebruikte werkruimte in zijn woning als inkomsten uit vermogen heeft genoten. Voorts is in geschil - indien het Hof de hiervoor genoemde vraag bevestigend beantwoordt - of sprake is van een onredelijke en willekeurige wetstoepassing, nu enerzijds het bedrag van de economische huurwaarde van de werkruimte in belanghebbendes woning op grond van artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, sub 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) niet ten laste van de winst kan worden gebracht en anderzijds de economische huurwaarde als inkomsten uit vermogen bij belanghebbende in aanmerking wordt genomen. Volgens belanghebbende is een redelijke wetstoepassing slechts te bereiken indien deze asymmetrie wordt doorbroken in die zin dat bij belanghebbende geen inkomsten uit vermogen in aanmerking worden genomen ter zake van het ter beschikking stellen van de werkruimte aan zijn onderneming. Niet in geschil is dat de werkruimte is aan te merken als werkruimte in de zin van de hiervoor genoemde bepaling en dat de met deze werkruimte verband houdende kosten en lasten op grond van deze bepaling van aftrek zijn uitgesloten. Ook de hoogte van de in geval van belastbaarheid als inkomsten uit vermogen in aanmerking te nemen economische huurwaarde is tussen partijen niet in geschil.

2. Ingevolge artikel 24 van de Wet worden als inkomsten uit vermogen aangemerkt alle niet als winst uit onderneming, als winst uit aanmerkelijk belang of als inkomsten uit arbeid aan te merken voordelen die worden getrokken uit onroerende en roerende zaken. In artikel 26 van de Wet is bepaald dat voordelen getrokken uit roerende zaken, andere dan woonschepen, voorzover deze in eigen gebruik zijn niet tot de inkomsten uit vermogen behoren en in artikel 42a van de Wet dat bij het bepalen van de zuivere inkomsten met betrekking tot een eigen woning, in afwijking in zoverre van het voorgaande, de huurwaarde wordt gesteld op 1,25 percent van de waarde van de woning waarbij onder een eigen woning wordt verstaan een gebouw of een gedeelte van een gebouw, voorzover dat, anders dan ten behoeve van een onderneming, de belastingplichtige ter beschikking staat.

3. Uit het systeem van de Wet, zoals dit voortvloeit uit de onder 2 vermelde wettelijke bepalingen, volgt naar het oordeel van het Hof dat voordelen getrokken uit onroerende zaken voorzover deze in eigen gebruik zijn tot de inkomsten uit vermogen behoren. Uit artikel 42a, tweede lid, van de Wet volgt dat de door belanghebbende ten behoeve van zijn onderneming gebruikte werkruimte niet tot de eigen woning in de zin van artikel 42a van de Wet behoort.

4. Omdat belanghebbende - zij het voor zijn onderneming - kon beschikken over de werkruimte, heeft hij daarvan in het onderhavige jaar het genot gehad in de zin van artikel 33 van de Wet. Uit het vorenoverwogene en de daarin vermelde wettelijke bepalingen volgt dan dat dit genot bij belanghebbende als inkomsten uit vermogen in aanmerking moet worden genomen en dat het moet worden gewaardeerd op de economische huurwaarde. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, is voor de belastbaarheid van dit voordeel niet vereist dat het is behaald door deelname aan het economische verkeer. Voor een nadere toelichting op het vorenoverwogene wijst het Hof op de parlementaire toelichting bij de totstandkoming van artikel 26 van de Wet (MvT, Wet van 16 december 1964, Stb. 512, Bijlage Handelingen II, 5380; nr. 3, blz. 17) waarin wordt opgemerkt:

"Het (Hof: inkomensbegrip) heeft zich ontwikkeld als een praktisch, empirisch begrip, dat in de loop der jaren ten behoeve van de heffing van deze draagkrachtbelasting is gevormd. Eensdeels bepaald door rechtsovertuiging en maatschappelijke gewoonten, die zich niet uit één enkel theoretisch beginsel laten verklaren, wordt aan het fiscale inkomensbegrip anderdeels inhoud gegeven door de strekking van de inkomensbelasting en de specifieke eisen van belastingtechnische aard. Dit brengt onder meer mede dat lijfrentetermijnen geheel tot het inkomen worden gerekend, mede in overeenstemming met de heffing van inkomstenbelasting van pensioenen als opbrengst van een vroegere dienstbetrekking. Evenzo is het, ter wille van een gelijke fiscale behandeling van huurders van woonhuizen en degenen die een eigen huis bewonen, gewenst de huurwaarde van het zelfbewoonde huis voor de eigenaar als inkomen te doen gelden. (...)

In de vorenstaande beschouwingen komt tot uitdrukking, dat men voor de inhoud van het fiscale inkomensbegrip vooralsnog is aangewezen eensdeels op een directe waarneming van de in de maatschappij levende opvattingen hieromtrent, anderdeels op een praktische beoordeling van de vraag in welke opzicht het maatschappelijke inkomensbegrip correctie behoeft om het doel van de inkomstenbelasting, een evenwichtige verdeling van lasten naar draagkracht, nader te brengen".

5. Ter zake van de door belanghebbende bepleite redelijke wetstoepassing teneinde de onder 1 weergegeven asymmetrie weg te nemen, overweegt het Hof het volgende. Uit hetgeen is opgemerkt in de memorie van toelichting bij de invoering van artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, sub 1, van de Wet (Wet van 27 april 1989, Stb. 124, Kamerstukken II, 20 874, nr. 3, blz. 12) over gevallen als het onderhavige kan worden afgeleid dat de onder 1 aangegeven asymmetrie uitdrukkelijk door de wetgever is bedoeld:

"Er zij op gewezen dat de omstandigheid dat ter zake van de onderhavige kantoorruimte geen kosten en lasten meer ten laste van de winst kunnen worden gebracht, niet wegneemt dat de economische huurwaarde van die ruimte voor de belastingplichtige nog wel inkomsten uit vermogen vormt. Ter zake van die inkomsten uit vermogen blijven aftrekbaar de op die inkomsten drukkende kosten, lasten en afschrijvingen. Naast de afschrijving valt te denken aan het zakelijke gedeelte van de gemeentelijke onroerend-goedbelastingen, onderhoud en verzekering."

6. Voorzover belanghebbendes grieven zijn gericht tegen de Wet als zodanig is het Hof niet bevoegd daarover te oordelen. In artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk, is bepaald dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken en dat hij in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen. De bezwaren van belanghebbende tegen de Wet behoren dan ook gericht te worden aan het adres van de wetgever.

7. Belanghebbende stelt dat de aanslag inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen 2000 conform de aangifte is vastgesteld en dat in de desbetreffende aangifte ten aanzien van het gebruik van de werkruimte in de eigen woning geen bedrag ter grootte van de economische huurwaarde in aftrek is gebracht van de winst en evenmin zodanig bedrag als inkomsten uit vermogen in aanmerking is genomen. Voorzover belanghebbende hiermee een beroep beoogt te doen op het vertrouwensbeginsel, overweegt het Hof als volgt. Voor het in rechte te beschermen vertrouwen dat de inspecteur de aangifte op een bepaald punt zal volgen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur bij het regelen van de aanslag over een later jaar op dit punt de aangifte heeft gevolgd. Belanghebbende heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat bij het vaststellen van de aanslag over het jaar 2000 sprake is geweest van omstandigheden die bij belanghebbende de indruk hebben kunnen wekken dat de gedragslijn van de inspecteur op dit punt berustte op een bewuste standpuntbepaling.

8. Gelet op het vorenoverwogene is het Hof van oordeel dat het gelijk aan de inspecteur is.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Wet.

De uitspraak is vastgesteld op 26 maart 2003 door mr. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Couperus als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt en door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het Gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht.

De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het Gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het Gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.