Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF9279

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
28-05-2003
Zaaknummer
23-003584-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer ...

rolnummer 23-003584-01

datum uitspraak 28 mei 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 14 november 2000 in de strafzaak onder parketnummer 16/038008-99 tegen

[verdachte],

geboren te […] op […],

wonende te [..].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 10 en 13 november 2000 en in hoger beroep van 15 mei 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof met betrekking tot een in hoger beroep gevoerd verweer ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde het navolgende overweegt.

Bespreking van een in hoger beroep gevoerd verweer ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het hof heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde vastgesteld dat overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM heeft plaatsgevonden in de fase van het hoger beroep, nu tussen de datum waarop hoger beroep is ingesteld en de datum van de einduitspraak in hoger beroep een periode van ruim negenentwintig maanden is verstreken. Anders dan de raadsman hieromtrent heeft betoogd, acht het hof geen termen aanwezig voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn recht op vervolging van het onder 2 tenlastegelegde. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat volgens vaste jurisprudentie voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn slechts plaats is in zéér uitzonderlijke, naar 's hofs oordeel hier niet aan de orde zijnde, omstandigheden.

Voorzover de raadsman -subsidiair- het oog mocht hebben gehad op matiging van de op te leggen straf wegens voormelde overschrijding, wordt zijn betoog eveneens verworpen. Het hof overweegt daartoe -mede- dat het onder 2 tenlastegelegde deel uitmaakt van een gecompliceerd en omvangrijk strafdossier waaraan ook nog in de appelfase een aantal processen-verbaal van onderzoekshandelingen zijn toegevoegd, waarbij opmerking verdient dat de behandeling in eerste aanleg voortvarend is geweest, nu deze, naar uit de stukken volgt, in minder dan 13 maanden heeft plaatsgevonden.

Beslissing

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervooroverwogene.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Veldhuisen, Scholten en Van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr. Heijermans als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei 2003.