Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8913

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
20-05-2003
Zaaknummer
006/03 SKG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15 mei 2003

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUOTE PUBLISHING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

procureur: mr. M.Ch. Kaaks,

t e g e n

de heer ENDSTRA,

GEÏNTIMEERDE,

procureur: mr. S.F. Kalff.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De partijen worden hierna Quote en Endstra genoemd.

1.2. Bij dagvaarding van 17 december 2002 is Quote in hoger beroep gekomen van een vonnis dat de voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam op 21 november 2002 in deze zaak onder rolnummer KG 02/2625 P heeft gewezen tussen Endstra als eiser en Quote als gedaagde. De appèldagvaarding bevat de grieven.

1.3. Bij memorie, overeenkomstig de appèldagvaarding, heeft Quote vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd en geconcludeerd dat het hof, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal vernietigen en de (toegewezen) vorderingen van Endstra alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Endstra in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4. Endstra heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd, dat het hof Quote niet ontvankelijk zal verklaren, althans het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, zonodig onder verbetering van gronden, met veroordeling van Quote in de kosten van het geding in hoger beroep, zulks uitvoer bij voorraad.

1.5. Vervolgens hebben partijen door hun procureur haar standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van dit hof van

16 april 2003, beiden aan de hand van nadien overgelegde notities.

1.6. Ten slotte hebben partijen de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd, overgelegd en hebben zij arrest gevraagd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de appèldagvaarding.

3. Feiten

De president heeft in rechtsoverweging 1. onder a. tot en met e. een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof die feiten tot uitgangspunt zal nemen.

4. Beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak, voor zover in hoger beroep van belang, om het volgende.

Quote is uitgeefster van het maandblad Quote. Daarnaast geeft Quote ieder jaar de Quote 500 uit, welk tijdschrift is gewijd aan de 500 rijkste Nederlanders. Endstra, een vastgoedhandelaar die investeert in onroerend goed in binnen- en buitenland, staat in het overzicht van de Quote 500 van het jaar 2002 (hierna: de Quote 500) op de 36ste plaats van de rijkste Nederlanders. Op pagina 48 e.v. van de Quote 500 is in de rubriek 'MAN IN HET NIEUWS' een artikel over Endstra geplaatst met de titel 'Stille Willem'. Bij dit artikel is op pagina 48 - zonder toestemming van Endstra - een foto met het portret van Endstra afgedrukt. De foto was genomen tijdens een besloten gala. Endstra maakt geen bezwaar tegen zijn vermelding in de Quote 500, noch tegen publicatie van genoemd artikel, maar wel tegen openbaarmaking van zijn portret.

4.2. De voorzieningenrechter te Amsterdam heeft bij het bestreden vonnis van 21 november 2002 op vordering van Endstra Quote, zakelijk weergegeven, veroordeeld aan al haar afnemers, niet zijnde particulieren, schriftelijk te berichten dat de Quote 500 uit de handel genomen moet worden onder gelijktijdig aanbod de nog aanwezige exemplaren tegen betaling terug te nemen alsmede de openbaarmaking, verveelvoudiging en distributie daarvan te staken en gestaakt te houden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere overtreding van dit bevel met een maximum van € 100.000,-, alsmede een volledige en correcte door een register-accountant gewaarmerkte opgave te doen van de oplage van de Quote 500, het aantal van de door haar geleverde exemplaren en het aantal van haar afnemers en het aantal brieven dat aan die afnemers is verzonden waarin staat dat de Quote 500 op last van de voorzieningenrechter uit de handel genomen moet worden, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 100.000,-.

De voorzieningenrechter heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat het belang van Endstra verschoond te blijven van een inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer in de vorm van publicatie van zijn portret met mogelijke risico's voor zijn persoonlijke veiligheid, zwaarder weegt dan het belang van Quote bij haar recht op vrije meningsuiting.

Quote is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

4.3. In een tweede kort geding procedure tussen Endstra en Quote, waarmee Endstra publicatie van zijn portret bij een aan hem gewijd artikel in het decembernummer van Quote wilde voorkomen, heeft de voorzieningenrechter vanwege nieuwe feiten en omstandigheden de belangen van Quote bij publicatie zwaarder laten wegen dan de belangen van Endstra. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 22 november 2002 Endstra verboden de bij het thans bestreden vonnis van 21 november 2002 opgelegde dwangsommen te executeren en heeft Quote ontheven van haar bij dat vonnis opgelegde verplichtingen.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.3. is weergegeven, heeft Endstra aangevoerd dat Quote in haar hoger beroep in de onderhavige procedure niet ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien zij daarbij geen belang meer heeft, nu dit appèl geen nuttig effect teweeg kan brengen en er dus voor Quote niets meer te winnen valt.

4.5. Dit standpunt van Endstra moet worden verworpen. Quote heeft nog belang bij haar hoger beroep, omdat zij heeft gevorderd Endstra te veroordelen in de proceskosten die zij in eerste aanleg en in hoger beroep heeft gemaakt. Hoewel de in eerste aanleg getroffen voorziening in hoofdzaak niet meer tegen haar geldt en Endstra de proceskostenveroordeling ten laste van Quote niet heeft geëxecuteerd noch van plan is te executeren, heeft Quote om die reden belang bij haar hoger beroep behouden.

4.6. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij stellen tezamen de vraag aan de orde of bij de afweging van het aan Quote ingevolge artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet toekomende recht op vrijheid van meningsuiting en het recht van Endstra op de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer ex artikel 8 EVRM de juiste balans is getroffen. Die maatstaf heeft de voorzieningenrechter op zichzelf met juistheid tot uitgangspunt gekozen. Dat is in hoger beroep tussen partijen ook niet omstreden. In hoger beroep is het debat van partijen toegespitst op de betekenis van twee bij die afweging in acht te nemen omstandigheden, te weten de kwestie of Endstra als een 'public figure' dient te worden beschouwd en de vraag of de omstreden publicatie een veiligheidsrisico voor Endstra inhoudt.

4.7. Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat Endstra één van de rijkste vastgoedhandelaren van Nederland is en op de 36ste plaats van de rijkste Nederlanders in het overzicht van de Quote 500 staat vermeld, een zekere mate van publieke belangstelling meebrengt. Daar komt bij dat Endstra gedurende de maanden voorafgaand aan de omstreden publicatie in de publiciteit is gekomen - door artikelen en een televisieprogramma - waarin werd gesteld dat Endstra contacten met de onderwereld onderhoudt en zich schuldig zou maken aan witwaspraktijken. Ter terechtzitting in hoger beroep is bovendien gebleken dat tegen Endstra een gerechtelijk vooronderzoek loopt, althans heeft gelopen. Een en ander betekent dat Endstra figureerde in de publieke arena en het portret van Endstra ten tijde van de publicatie nieuws- en informatiewaarde vertegenwoordigde. De omstandigheid dat Endstra niet zelf actief de publiciteit heeft opgezocht, doet aan het bovenstaande niet af.

4.8. De stelling van Endstra dat vermogende personen als hijzelf een verhoogde kans lopen te worden ontvoerd of te worden afgeperst en dat Quote door de openbaarmaking van zijn portret in de Quote 500 hem daarmee willens en wetens in gevaar brengt, althans de gerede kans daarop vergroot, acht het hof onvoldoende concreet om redengevend te kunnen zijn voor het door hem bepleite verbod tot publicatie van zijn foto. Bezwaarlijk valt immers in te zien dat nu juist de openbaarmaking van de omstreden foto in dit verband verschil maakt; dat geldt te meer nu door publicatie van de 36ste plaats in de Quote 500 en het artikel - tegen publicatie waarvan Endstra geen bezwaren heeft - toch al de aandacht op Endstra wordt gevestigd. Endstra was bovendien, reeds vóórdat de foto met zijn portret in de Quote 500 was openbaargemaakt, meermalen bedreigd. Derhalve kan vooralsnog niet de conclusie worden getrokken dat Endstra als gevolg van de publicatie van zijn portret in de Quote 500, in welk tijdschrift bovendien vele foto's met portretten van andere vermogende Nederlanders zijn afgedrukt, een (nog) groter veiligheidsrisico loopt dan voorheen.

4.9. Hernieuwde afweging van beide bovengenoemde fundamentele rechten - met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen - leidt tot het oordeel dat het belang van Quote bij publicatie van de foto ter illustratie van het artikel over Endstra tegenover de op zichzelf gerechtvaardigde belangen van Endstra bij het achterwege blijven van die publicatie in de gegeven omstandigheden zoals die in het bestreden vonnis zijn vermeld zwaarder weegt, zodat publicatie van de betreffende foto in de Quote 500 niet onrechtmatig is jegens Endstra.

4.10. Gelet hierop behoeven de overige argumenten van Quote geen verdere bespreking.

5. Slotsom

5.1. Het hoger beroep heeft succes. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en alsnog de vorderingen van Endstra afwijzen.

5.2. Endstra zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Endstra alsnog af;

veroordeelt Endstra in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, en begroot deze kosten aan de zijde van Quote in eerste aanleg op € 896,36 en in hoger beroep op

€ 2.609,47;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Coeterier, Streefkerk en Van der Reep en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2003.