Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8496

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
02/04163
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Van een pensioenlichaam in de zin van artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet, 1956 is sprake indien de bezittingen - voor zover zij niet staan tegenover het aandelen kapitaal - voor 90% of meer dienen ter dekking van de pensioenverplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21626
FED 2003/339
FutD 2003-0926
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de eenheid Registratie en successie P van de Belastingdienst, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. De Hoge Raad heeft op 12 juli 2002 onder nummer 36 508 arrest gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 augustus 2000, nr. BK 98/02770, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van de verkrijging uit de nalatenschap van A, overleden op 31 januari 1996. Na bezwaar is de aanslag bij de bestreden uitspraak van de inspecteur verminderd tot een aanslag berekend naar een verkrijging van f 66.448.

1.2. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij voormelde uitspraak de uitspraak waarvan beroep vernietigd, alsmede de aanslag. De Hoge Raad heeft de uitspraak van genoemd hof vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

1.3. Bij brief van 25 juli 2002 heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke toelichting te geven omtrent het geschil na verwijzing. Namens belanghebbende heeft B (...) te Q van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij brief van 22 augustus 2002 en de inspecteur heeft bij brief van 18 oktober 2002 van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De griffier heeft op 21 oktober 2002 kopieën van deze brieven aan de wederpartij gezonden.

1.4. Partijen zijn uitgenodigd aanwezig te zijn ter zitting van 21 maart 2003, alwaar zij niet zijn verschenen. Desgevraagd hebben beiden telefonisch verklaard akkoord te gaan met het achterwege laten van een mondeling behandeling.

2. Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest onder 3.3 overwogen:

3.3. De in artikel 13a van de Wet opgenomen fictie dat aandelen in een vennootschap geacht worden krachtens erfrecht te zijn verkregen, kan slechts worden toegepast indien sprake is van aandelen in een pensioen- of lijfrentelichaam in de zin van artikel 13a, lid 4, van de Wet. Van een

pensioenlichaam in de zin van die bepaling is slechts sprake als de bezittingen van het lichaam (na aftrek van de schulden) ten tijde van het overlijden van de pensioengerechtigde voor 90 percent of meer dienen tot dekking van de pensioenverplichtingen, met dien verstande dat de bezittingen tot het bedrag van het op aandelen gestorte kapitaal in beginsel geacht worden te dienen tot dekking van de pensioenverplichtingen (vgl. HR 10 augustus 2001, nr. 35435, BNB 2001/351, rechtsoverweging 3.9). Voor de beoordeling of een lichaam is aan te merken als een pensioenlichaam in de voormelde zin, is beslissend de toestand op de sterfdatum - onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden - van de pensioengerechtigde (zie rechtsoverweging 3.5 van het vorenvermelde arrest).

Het Hof heeft weliswaar geoordeeld dat de vennootschap - anders dan door belanghebbende voor het Hof was betoogd - na staking van haar bedrijfsactiviteiten is aan te merken als een pensioenlichaam, maar heeft niet vermeld op welke gronden het tot dat oordeel is gekomen en evenmin naar welk tijdstip de vennootschap is beoordeeld. Indien het Hof tot zijn oordeel is gekomen omdat het aan het begrip pensioenlichaam een andere - ruimere - betekenis heeft toegekend dan hiervoor is vermeld, dan berust het oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. Dit is ook het geval indien het Hof de vraag of van een pensioenlichaam sprake is, heeft beoordeeld naar een ander tijdstip dan de toestand op de sterfdatum, onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden van de zwager. Mocht het Hof wel het juiste criterium en tijdstip voor ogen hebben gestaan, dan is het oordeel onvoldoende gemotiveerd omdat de uitspraak geen gegevens bevat over de vermogenstoestand van de vennootschap op het moment dat de zwager overleed, zodat niet kan worden vastgesteld dat de vennootschap op dat tijdstip een pensioenlichaam was in de voormelde zin. Het Hof heeft mitsdien geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven, zodat zijn uitspraak niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

Voor de tussen partijen vaststaande feiten verwijst het Hof naar de door de Hoge Raad onder 3.1 van zijn arrest omschreven feiten.

4. Geschil

In geschil is of de aandelen die belanghebbende op 31 januari 1996 hield in B.V. "..." (hierna: de vennootschap) zijn aan te merken als aandelen in een pensioenlichaam in de zin van artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet 1956.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken, waaronder de onder 1.3 vermelde brief van de belanghebbende, waarbij de balans per 31 december 1995 van de vennootschap is opgenomen. Belanghebbende komt aan de hand van die balans tot de volgende opstelling:

Totaal bezittingen f 529.214,56

af: Schulden f 6.046,00

Netto bezittingen f 523.168,56

af: Gestort kapitaal f 50.000,00

f 473.168,56

Pensioenvoorziening f 395.410,92

'Vrije' bezittingen f 77.757,64

Zij berekent het gedeelte van het vermogen van de vennootschap dat niet dient voor dekking van haar pensioenverplichtingen vervolgens op: 77.757,64/529.214,56 x 100% = 14,69% en stelt dat er geen sprake is van een pensioenlichaam als bedoeld in artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet 1956.

De inspecteur heeft in zijn onder 1.3 vermelde brief de gronden uit zijn verweerschrift herhaald.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. De Hoge Raad heeft in onderdeel 3.3 van het verwijzingsarrest - onder verwijzing naar HR 10 augustus 2001, nr. 35 435, BNB 2001/351 - geoordeeld dat voor de beoordeling of een lichaam is aan te merken als een pensioenlichaam in de zin van artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet 1956 beslissend is de toestand op de sterfdatum - onmiddellijk voorafgaande aan het overlijden - van de pensioengerechtigde.

6.2. A is overleden op 31 januari 1996. Het Hof is met belanghebbende van oordeel, dat het in het onderhavige geval geen bezwaar ontmoet om voor het bepalen van de toestand op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan dit overlijden aan te sluiten bij de balans van de vennootschap per 31 december 1995. Het ligt, gelet op de samenstelling van het vermogen van de vennootschap, niet voor de hand dat in het korte tijdvak tussen de balansdatum en voormeld tijdstip veranderingen van wezenlijke betekenis zijn opgetreden in de vermogenstoestand van de vennootschap. De inspecteur heeft ook geen gronden aangevoerd waarom aansluiting bij deze balansdatum onjuist zou zijn. Niet gesteld of gebleken is voorts dat de waarden in het economische verkeer van de bezittingen en de pensioenverplichtingen afwijken van de balanswaarden.

6.3. De Hoge Raad heeft in onderdeel 3.3 van het verwijzingsarrest - onder verwijzing naar HR 10 augustus 2001, nr. 35 435, BNB 2001/351 - geoordeeld dat van een pensioenlichaam in de zin van artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet 1956 slechts sprake is als de bezittingen van het lichaam (na aftrek van de schulden) ten tijde van het overlijden van de pensioengerechtigde voor 90 percent of meer dienen tot dekking van de pensioenverplichtingen, met dien verstande dat de bezittingen tot het bedrag van het op aandelen gestorte kapitaal in beginsel geacht worden te dienen tot dekking van de pensioenverplichtingen.

6.4. Het Hof leest deze overweging aldus dat de bezittingen - voorzover zij niet staan tegenover het aandelenkapitaal - voor 90% of meer moeten dienen ter dekking van de pensioenverplichtingen. In het onderhavige geval bedragen de bezittingen, voorzover zij niet staan tegenover het aandelenkapitaal, f 473.168,56. De pensioenverplichtingen bedragen f 395.410,92. Hieruit volgt dat 83,57% van de bezittingen dient ter dekking van de pensioenverplichtingen. De bezittingen - voorzover niet toe te rekenen aan het aandelenkapitaal - dienen derhalve voor minder dan 90% ter dekking van de pensioenverplichtingen, waardoor de vennootschap niet is aan te merken als een pensioenlichaam als bedoeld in artikel 13a, vierde lid, van de Successiewet 1956.

Het standpunt van de inspecteur dat sprake is van een pensioenlichaam omdat het gehele vermogen dient ter dekking van de pensioenverplichtingen of in ieder geval tot financiering van de pensioenbetalingen, gaat - gezien het verwijzingsarrest van de Hoge Raad - uit van een onjuiste maatstaf.

6.5. Het gelijk is aan de zijde van de belanghebbende, zodat de bestreden uitspraak en de daarbij verminderde aanslag niet in stand kunnen blijven en moeten worden vernietigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit oordeel betreft zowel de kosten van het geding na verwijzing als de kosten van het geding voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De kosten van het geding voor het Gerechtshof te 's-Gravenhage stelt het Hof, in navolging van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, vast op € 966,55 (f 2.130) en de kosten van het geding na verwijzing bedragen wegens het indienen van een schriftelijke uiteenzetting € 161.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep alsmede de aanslag en

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1127,55 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 29 april 2003 door mrs. Onnes, Steenbergen en Van Vijfeijken, in tegenwoordigheid van mr. Van der Laan als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.