Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8354

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
01/00550
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende maakt het bestaan van een vervangingsvoornemen op balansdatum niet aannemelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-0887

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 16 februari 2001, ingediend door mr. A (B; inmiddels C vastgoedadvocaten & belastingadviseurs) te Z als haar gemachtigde (hierna: gemachtigde) en aangevuld bij brief van 12 april 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 9 januari 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 935.361. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot een vastgesteld naar een belastbaar bedrag van ƒ 24.861.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4. Ter zitting van 26 februari 2002 zijn verschenen gemachtigde, tot bijstand vergezeld van D, alsmede namens de inspecteur mr. E, tot bijstand vergezeld van F RA. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. De inspecteur heeft kunnen kennisnemen en zich kunnen uitlaten over de bij de pleitnota van gemachtigde gevoegde bijlagen (genummerd als produktie 1 tot en met 4). De inspecteur heeft ter zitting nadere stukken overgelegd. De door partijen overgelegde stukken behoren tot de gedingstukken.

1.5. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de ter zitting door de inspecteur overgelegde stukken. Van deze gelegenheid heeft gemachtigde gebruik gemaakt bij diens faxbericht van 3 mei 2002. Een kopie hiervan is op 6 mei 2002 door de griffier aan de inspecteur toegezonden. Bij brief van 13 mei 2002, met bijlage, heeft de inspecteur gereageerd op voormeld faxbericht. Een kopie van deze brief en de daarbij behorende bijlage is op 14 mei 2002 door de griffier aan gemachtigde toegezonden.

1.6. Ter zitting van 18 juni 2002 zijn verschenen gemachtigde, tot bijstand vergezeld van D, alsmede namens de inspecteur mr. E, tot bijstand vergezeld van F RA

1.7. Gelijktijdig en met instemming van partijen zijn ter zittingen behandeld de beroepen van X B.V. inzake de aanslag vennootschapsbelasting 1996, met als kenmerk 01/00550, van X1 B.V. inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 1996, 1997 en 1998, met respectievelijk de kenmerken 00/04214, 01/01651 en 01/02172, alsmede van Y B.V. inzake de aanslag vennootschapsbelasting 1997, met als kenmerk 01/01535.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende, vóór 19 november 1996 Xx B.V. geheten, bezat eind 1995 de navolgende onroerende zaken:

- a-straat te Q

- b-plein te R

- c-weg te R

Deze panden zijn op 30 september 1993 door belanghebbende aangekocht voor ƒ 1.150.000. De fiscale boekwaarde van deze objecten bedroeg eind 1995 ƒ 498.000.

2.2. In 1996 heeft belanghebbende haar onroerende zaken verkocht. De panden a-straat zijn op 18 november 1996 voor ƒ 195.000 verkocht aan de Stichting Xx. De overige panden zijn op 22 oktober 1996 voor ƒ 1.205.000 verkocht aan G en vervolgens voor ƒ 1.550.000 doorverkocht aan X2 B.V., voorheen geheten X3 B.V.

2.3. In een brief van 20 augustus 1996 van H B.V. is mr. I, notaris, geïnformeerd over de onder 2.2 vermelde verkoop van panden aan achtereenvolgens G en X3 B.V. H B.V. heeft de aandelen in belanghebbende op 19 november 1996 verworven van J, K, L, M, N en O. H B.V. fungeert als houdstermaatschappij binnen de zogenoemde H-groep, welke groep zich onder meer bezig houdt met de aan- en verkoop van onroerende zaken.

2.4. Met de onder 2.2 vermelde transacties heeft belanghebbende een fiscale boekwinst behaald van ƒ 910.500 welke als volgt is berekend:

Opbrengst verkoop panden ƒ 1.400.000

Boekwaarde panden per 31 december 1995 ƒ 498.000

Afschrijving 1996 8.500

489.500

Boekwinst ƒ 910.500

2.5. Ter grootte van de hiervoor vermelde boekwinst ad ƒ 910.500 heeft belanghebbende in haar aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 1996 een toevoeging aan de vervangingsreserve en een per ultimo tot dat bedrag aanwezige vervangingsreserve verant-woord.

2.6. In een brief aan de accountant van belanghebbende van 15 maart 1999 heeft de inspecteur naar aanleiding van deze aangifte onder meer de volgende vragen aan belanghebbende gesteld:

"1. (…)

Ik ontvang graag informatie waaruit het vervangingsvoornemen per 31-12-1996 en 31-12-1997 blijkt.

2. Heeft er inmiddels vervanging plaatsgevonden?"

2.7. De accountant van belanghebbende heeft de brief van de inspecteur van 15 maart 1999 bij brief van 19 mei 1999 onder meer als volgt beantwoord:

"Antwoord vraag 1

Zie bijlage 1.

Antwoord vraag 2

Er heeft nog geen vervanging plaats gevonden."

De hiervoor vermelde bijlage 1 bestaat uit een kopie van twee pagina's van de akte van levering van de aandelen in belanghebbende van 19 november 1996.

2.8. Naar aanleiding van het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift schrijft de inspecteur op 15 november 2000 onder meer het volgende aan gemachtigde:

"2.7

Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat de panden die Xx B.V. in 1996 heeft verkocht voor haar geen bedrijfsmiddelen (meer) vormden maar doorschuifvoorraad. Als gevolg daarvan kan geen vervangingsvoornemen worden gevormd. Indien al zou moeten worden aangenomen dat wel sprake was van bedrijfsmiddelen, dan ben ik van mening dat de vennootschap geen reëel vervangingsvoornemen had en heeft.

(…)

Alvorens uitspraak te doen (…) ontvang ik gaarne antwoord op de volgende vragen.

(…)

6. Heeft X B.V. inmiddels aan haar vervangingsverplichtingen voldaan. Zo ja dan ontvang ik gaarne de aankoopakte(n) ter inzage."

2.9. De onder 2.8 aangehaalde vraag van de inspecteur is door de belastingadviseur van belanghebbende bij brief van 29 december 2000 als volgt beantwoord:

"Antwoord vraag 6

Er is voor zover ons bekend nog niet vervangen."

2.10. Tot de namens belanghebbende overgelegde stukken behoort een geschrift met onder meer de volgende inhoud:

"DIRECTIE- EN AANDEELHOUDERSBESLUIT

Ondergetekende:

de heer Aa (…) ten deze handelende als directeur met zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid van de besloten vennootschappen (…):"

Hierna zijn de namen van 22 tot de H-groep behorende vennootschappen vermeld, waaronder die van belanghebbende en H B.V. Het geschrift vervolgt dan met:

"en (…) tevens namens de enig aandeelhouder van opgemelde vennootschappen exclusief H B.V.,

overwegende dat door opgemelde vennootschappen in het boekjaar 1996 onroerende zaken zijn verkocht,

verklaart dat opgemelde vennootschappen het voornemen bij deze vastleggen om tot vervanging van de verkochte onroerende zaken over te gaan, waartoe een vervangings-reserve zal worden gevormd.

Aldus besloten en getekend (…) 30 december 1996"

2.11. De inspecteur heeft de in geschil zijnde aanslag als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbaar bedrag ƒ 24.861

Bij: vervangingsreserve 910.500

Vastgesteld belastbaar bedrag ƒ 935.361

3. Geschil

In geschil is of het belanghebbende is toegestaan om per 31 december 1996 een vervangings-reserve in aanmerking te nemen uit hoofde van de boekwinsten op de in 1996 door haar verkochte panden.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de namens partijen overgelegde pleitnota's.

4.2. Voor hetgeen partijen ter zitting van 26 februari 2002 hebben verklaard verwijst het Hof naar het proces-verbaal van deze zitting.

4.3. Ter zitting van 18 juni 2002 is namens belanghebbende - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. Op het rapport van de inspecteur heb ik van belanghebbende geen reactie gehad. Ik ga ervan uit dat de feiten die in het rapport staan juist zijn. Het strafdossier betreffende Bb behandel ik niet.

4.4. Ter zitting van 18 juni 2002 heeft de inspecteur - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. Na de verkoop van de panden door belanghebbende is er in die vennootschap niets gebeurd. Er was geen vervangingsvoornemen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 kan de boek-winst bij vervreemding van een bedrijfsmiddel bij het bepalen van de winst worden gereserveerd, indien en zolang het voornemen tot vervanging of herstel van dat bedrijfsmiddel bestaat. Met betrekking tot de in 1996 door belanghebbende verkochte panden stelt belanghebbende dat per 31 december 1996 een voornemen tot vervanging van die panden aanwezig was. De inspecteur heeft de aanwezigheid van een vervangingsvoornemen per balansdatum betwist.

5.2. Ervan uitgaande dat de vervreemde panden als een bedrijfsmiddel zijn aan te merken, ligt het naar het oordeel van het Hof op de weg van belanghebbende om de aanwezigheid van het door haar gestelde vervangingsvoornemen aannemelijk te maken. Hierbij geldt dat sprake dient te zijn van een vervangingsvoornemen van de belastingplichtige die de vervangings-reserve heeft gevormd. Belanghebbende heeft voor het bestaan van een vervangingsvoor-nemen verwezen naar het 'Directie- en aandeelhoudersbesluit' als vermeld onder 2.10. Voor het bestaan van een vervangingsvoornemen per 31 december 1996 vormt dit geschrift echter onvoldoende bewijs. Dit besluit geeft weliswaar een verklaring omtrent een vervangingsvoor-nemen van meer dan twintig vennootschappen, waaronder de enig aandeelhouder van belanghebbende, maar daaruit is niet zonder meer af te leiden dat op genoemde datum een vervangingsvoornemen aanwezig was bij belanghebbende. Zonder enig ondersteunend verder bewijs volstaat een dergelijke algemene verklaring niet. Enige concrete handeling van of namens het bestuur van belanghebbende gericht op de vervanging van het in 1996 verkochte pand, zodanig dat daaruit per 31 december 1996 het bestaan van een voornemen tot vervanging zou zijn af te leiden, is niet door haar aannemelijk gemaakt. Een dergelijke handeling is ook niet af te leiden uit door belanghebbende ondernomen bedrijfsactiviteiten. Nadat belanghebbende haar onroerende zaken in 1996 heeft verkocht, heeft zij zich, in ieder geval tot en met het jaar 2000, niet meer met de verhuur van onroerende zaken bezig gehouden.

5.3. Belanghebbende heeft ter zitting nog gesteld dat de bestreden uitspraak en de aanslag moeten worden vernietigd, omdat de inspecteur zich zou hebben schuldig gemaakt aan 'détournement de pouvoir'. De inspecteur heeft deze stelling gemotiveerd weersproken. Gelet hierop, in welk verband het Hof verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 26 februari 2002, heeft gemachtigde de stelling dat de inspecteur zich aan 'détournement de pouvoir' schuldig zou hebben gemaakt naar het oordeel van het Hof geenszins aannemelijk gemaakt.

5.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 25 februari 2003 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Kostense, leden, in tegenwoordigheid van mr. Kreijns-Mostermans als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.