Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8353

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
08-05-2003
Zaaknummer
00/4214
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof acht aannemelijk dat sprake is van het stelselmatig doorschuiven van panden binnen een groep vennootschappen en ontleent aan deze omstandigheid en aan het niet beantwoorden van vragen van de inspecteur het vermoeden dat de desbetreffende panden binnen de onderneming van belanghebbende, vanaf het moment dat die panden zijn verworven, bestemd waren om te worden verkocht, zodat geen sprake is van bedrijfsmiddelen waarop een eerder gevormde vervangingsreserve is af te boeken. Nu overigens op balansdatum een vervangingsvoornemen ontbreekt, valt die reserve vrij.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27, geldigheid: 2003-02-25
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 8, geldigheid: 2003-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 889
FutD 2003-0887
V-N 2003/37.1.28

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap X B.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst Grote ondernemingen te P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 18 december 2000, ingediend door mr. A (B; inmiddels C vastgoedadvocaten & belastingadviseurs) te Z als haar gemachtigde (hierna: gemachtigde) en aangevuld bij brief van 16 februari 2001 en van 8 maart 2001. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 9 december 2000, betreffende de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 1996.

1.2. De aanslag is berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 13.971.065. Na bezwaar tegen de aanslag is deze bij de bestreden uitspraak verminderd tot een berekend naar een belastbaar bedrag van ƒ 13.928.065.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de aanslag tot nihil.

1.3. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

1.4. Ter zitting van 26 februari 2002 zijn verschenen gemachtigde, tot bijstand vergezeld van D, alsmede namens de inspecteur mr. E, tot bijstand vergezeld van F RA. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt. De inspecteur heeft kunnen kennisnemen en zich kunnen uitlaten over de bij de pleitnota van gemachtigde gevoegde bijlagen (genummerd als produktie 1 tot en met 4). De inspecteur heeft ter zitting nadere stukken overgelegd. De door partijen overgelegde stukken behoren tot de gedingstukken.

1.5. Gemachtigde is in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de ter zitting door de inspecteur overgelegde stukken. Van deze gelegenheid heeft gemachtigde gebruik gemaakt bij diens faxbericht van 3 mei 2002. Een kopie hiervan is op 6 mei 2002 door de griffier aan de inspecteur toegezonden. Bij brief van 13 mei 2002, met bijlage, heeft de inspecteur

gereageerd op voormeld faxbericht. Een kopie van deze brief en de daarbij behorende bijlage is op 14 mei 2002 door de griffier aan gemachtigde toegezonden.

1.6. Ter zitting van 18 juni 2002 zijn verschenen gemachtigde, tot bijstand vergezeld van D, alsmede namens de inspecteur mr. E, tot bijstand vergezeld van F RA.

1.7. Gelijktijdig en met instemming van partijen zijn ter zittingen behandeld de beroepen van X1 B.V. inzake de aanslag vennootschapsbelasting 1996, met als kenmerk 01/00550, van X2 B.V. inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 1996, 1997 en 1998, met respectievelijk de kenmerken 00/04214, 01/01651 en 01/02172, alsmede van Y B.V. inzake de aanslag vennootschapsbelasting 1997, met als kenmerk 01/01535.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. De aandelen in belanghebbende, voorheen Xx B.V. geheten, zijn op 3 juni 1996 door G B.V. gekocht. G B.V. fungeert als houdstervennootschap binnen de zogenoemde G-groep, welke groep zich onder meer bezig houdt met de aan- en verkoop van onroerende zaken. In de periode 1989 tot 1994 bestond de G-groep uit deelnemingen en acht dochtervennootschappen waaronder belanghebbende die tezamen met hun moedervennootschap, G B.V., een fiscale eenheid vormden als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.

2.2. Ten tijde van de aankoop op 3 juni 1996 had belanghebbende een in 1995 gevormde vervangingsreserve van ƒ 13.837.059. Deze vervangingsreserve is voor een deel groot

ƒ 13.140.118 afgeboekt op de aanschaffingsprijs van 22 onroerende zaken die eveneens op 3 juni 1996 door belanghebbende van andere tot de G-groep behorende vennootschappen zijn aangekocht. De meeste van deze onroerende zaken - circa 90 percent van de totale aanschaffing - waren afkomstig van tot de fiscale eenheid G B.V. behorende vennootschappen. Inclusief een bedrag aan verbouwingskosten van ƒ 4.718 bedroeg de aanschaffingsprijs van de onroerende zaken in totaal ƒ 21.911.953. In de aangifte vennootschapsbelasting 1996 heeft belanghebbende per 31 december 1996 het niet afgeboekte deel van ƒ 696.941 als vervangingsreserve verantwoord.

2.3. Blijkens een ter zitting van 26 februari 2002 door de inspecteur overgelegde 'Notitie doorschuiving panden binnen G-groep' hebben in 1997 en in 1998 de volgende mutaties op de vervangingsreserve plaatsgevonden:

"Omschrijving Koper/verkoper Mutatie vvr

Saldo vervangingsreserve 1-1-1997 696.941

28-11-1997: Verkoop 21 panden X BV 14.004.472

1-9-1997: Verkoop a-straat Q Derden 135.972

………….

Totaal dotatie 1997 volgens aangifte 14.140.444

Aankopen

30-12-1997: b-weg Z

(NLG 2.121.272,-) Maatschap H 1.126.881

30-12-1997: c-str. Z

(NLG 531.498,-) Maatschap H 269.866

30-12-1997: d-weg Z

(NLG 614.800,-) Maatschap H 358.608

…………..

Aanwending vervangingsreserve 1997 - 1.755.355

……………

Saldo vervangingsreserve 1-1-1998 13.082.030

29-6-1998: verkoop b-weg Z Derden 1.336.825

12-6-1998: verkoop c-str. Z Derden 317.481

26-6-1998: verkoop d-weg X3 BV 361.170

………….

Totaal dotatie 1998 volgens aangifte 2.015.476

……………

Saldo vervangingsreserve 31-12-1998 15.097.506"

2.4. Als koper van de 21 panden die belanghebbende volgens het onder 2.3 aangehaalde overzicht op 28 november 1997 heeft verkocht, trad op X4 BV. De aandelen in deze vennootschap waren op 18 november 1997 door G B.V. verworven. Ten tijde van de verwerving door G B.V. beschikte X4 B.V. over een vervangingsreserve van ƒ 7.369.639. In totaal heeft X4 B.V. in 1997 voor ƒ 44.708.160 drieëndertig onroerende zaken van tot de G-groep behorende vennootschappen gekocht. Hiervan zijn in 1998 drie onroerende zaken aan derden verkocht en is in de eerste negen maanden van 1999 nog een aantal onroerende zaken aan derden verkocht. Van de overige onroerende zaken is het belang in 1999 voor 90 percent overgedragen aan drie andere tot de G-groep behorende vennootschappen.

2.5. De drie panden die belanghebbende in 1997 heeft verworven zijn op 29 juli 1997 door X5 B.V., een tot de fiscale eenheid G B.V. behorende vennootschap, voor haarzelf of nader te noemen meester gekocht van I. In de Notitie doorschuiving panden binnen G-groep is met betrekking tot deze zogenoemde H-panden onder meer het volgende vermeld:

"H staat voor '(…)'. (…) Bij overeenkomst van 9 oktober 1997 heeft X5 B.V. als haar meester X6 BV (…) aangewezen. Op 27 november 1997 is de maatschap H opgericht. Met betrekking tot het doel van de maatschap vermeldt de overeenkomst het volgende:

"De maatschap heeft in eerste instantie ten doel door samenwerking de koop van de woningportefeuille van Drs. I en de verkoop van deze portefeuille zoveel mogelijk middels vrijwillige openbare verkopen te houden via het veilinghuis te Z""

G B.V. is een van de drie maten van de maatschap H en is daarin gerechtigd voor 60 percent.

2.6. In een brief aan gemachtigde van 4 september 2000 heeft de inspecteur onder meer de volgende vragen gesteld:

"1. Ter inzage de huurcontracten van de 22 panden die X B.V. kocht van zustervennootschappen zoals deze contracten luidden op 3 juni 1996.

2. De panden liggen verspreid over geheel Nederland. Ik verzoek u per pand toe te lichten hoe de verkoopprijs is bepaald en waarom naar uw mening die verkoopprijzen, gezien de marktomstandigheden als zakelijk kunnen worden aangemerkt.

3. Met welk oogmerk kocht X B.V. op 3 juni 1996 de 22 panden?

4. Indien het antwoord op de vorige vraag luidt: 'Ter belegging', waarom werden de panden dan op 18 november 1997 weer verkocht?

(…)

7. Specificatie van de werkzaamheden die de manager heeft verricht met vermelding van de tijd die daarmee was gemoeid."

2.7. Gemachtigde heeft de onder 2.5 aangehaalde brief in zijn schrijven van 3 oktober 2000 onder meer als volgt beantwoord:

"1. Alle huurcontracten bevinden zich bij de beheerder de heer J. De heer F is naar ik heb begrepen recentelijk nog op bezoek geweest bij de heer J. Belanghebbende machtigt uw inspectie om alle huurcontracten die u zou willen inzien rechtstreeks bij J op te vragen.

2. De verkoopprijzen zijn gebaseerd op de commerciële boekwaarden.

3. Ter belegging.

4. In verband met de reorganisatie van het onroerend goed bezit binnen de groep.

(…)

7. Dergelijke specificaties zijn niet aanwezig."

2.8. Naar aanleiding van de brief van gemachtigde van 3 oktober 2000 schrijft de inspecteur hem in een brief van 6 oktober 2000 onder meer het volgende:

"Bij vraag 1 verwijst u mij naar derden. Met een dergelijke verwijzing kan ik geen genoegen nemen. (…) Ik heb gevraagd naar stukken die tot de administratie van de vennootschap behoren. Zij zal die dan ook zelf aan mij ter beschikking moeten stellen. U treedt op als gemachtigde van de vennootschap weshalve ik mij uitsluitend tot u wens te richten.

Het antwoord op vraag 2 is onvolledig. Mocht u het daarbij laten dan zal ik dat aanmerken als een weigering om de gevraagde inlichtingen te verschaffen."

2.9. In een brief aan de inspecteur van 17 oktober 2000 reageert gemachtigde onder meer als volgt op de onder 2.7 aangehaalde brief van de inspecteur :

"Het is algemeen aanvaard dat men geen stukken behoeft te verstrekken die niet bestaan en evenmin dat men stukken behoeft te verstrekken die men niet in bezit heeft. (…)

Uw stelling dat u alleen met mij wenst te corresponderen is onjuist. Zoals u weet correspondeert de heer van F met vrijwel iedereen die in relatie staat tot belanghebbenden. Daarnaast worden ook vrijwel alle partijen met een verzoek vereerd. Het is dus niet zo vreemd om dan in het onderhavige geval u een expliciete machtiging te geven om huurcontracten op te vragen bij de beheerder (waar de heer F kortgeleden nog geweest is). Dit is efficiënter dan dat er diverse tussenschakels worden aangebracht. Overigens zijn de huurcontracten niet in mijn bezit zodat ik in ieder geval ze niet aan u kan doen toekomen."

2.10. Tot de namens belanghebbende overgelegde stukken behoort een geschrift met onder meer de volgende inhoud:

"DIRECTIE- EN AANDEELHOUDERSBESLUIT

Ondergetekende:

de heer K (…) ten deze handelende als directeur met zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid van de besloten vennootschappen (…):"

Hierna zijn de namen van 22 tot de G-groep behorende vennootschappen vermeld, waaronder die van belanghebbende en G B.V. Het geschrift vervolgt dan met:

"en (…) tevens namens de enig aandeelhouder van opgemelde vennootschappen exclusief G B.V.,

overwegende dat door opgemelde vennootschappen in het boekjaar 1996 onroerende zaken zijn verkocht,

verklaart dat opgemelde vennootschappen het voornemen bij deze vastleggen om tot vervanging van de verkochte onroerende zaken over te gaan, waartoe een vervangings-reserve zal worden gevormd.

Aldus besloten en getekend (…) 30 december 1996"

2.11. In zijn brief van 3 mei 2002 informeert gemachtigde de griffier onder meer als volgt:

"Naar aanleiding van uw brief van 4 april 2002 bericht ik u dat belanghebbende op dit moment geen opmerkingen heeft over de door de inspecteur opgestelde notitie.

De notaris van belanghebbende heeft de zaak nu in onderzoek en als daar iets uitkomt, dan zal ik dat zo spoedig mogelijk laten weten."

2.12. De aanslag vennootschapsbelasting 1996 ten name van belanghebbende is als volgt vastgesteld:

Aangegeven belastbare winst (negatief) ƒ 533.386

bijtelling vervangingsreserve 13.837.059

bijtelling management fee 504.000

bijtelling rente rekening-courant 135.000

bijtelling advies- en notariskosten 28.392

Belastbare winst/belastbaar bedrag ƒ 13.971.065

3. Geschil

In geschil is of het belanghebbende is toegestaan om de vervangingsreserve die in 1995 is gevormd af te boeken op de aanschaffingsprijs van de panden die zij op 3 juni 1996 heeft verworven en voorts of zij deze vervangingsreserve per 31 december 1996 geheel dan wel gedeeltelijk nog in aanmerking mag nemen.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar de namens partijen overgelegde pleitnota's.

4.2. Voor hetgeen partijen ter zitting van 26 februari 2002 hebben verklaard verwijst het Hof naar het proces-verbaal van deze zitting.

4.3. Ter zitting van 18 juni 2002 is namens belanghebbende - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. Op het rapport van de inspecteur heb ik van belanghebbende geen reactie gehad. Ik ga ervan uit dat de feiten die in het rapport staan juist zijn. Het strafdossier betreffende L behandel ik niet. Met de drie kostenbijtellingen wordt akkoord gegaan.

4.4. Ter zitting van 18 juni 2002 heeft de inspecteur - kort samengevat en zakelijk weergegeven - nog het volgende toegevoegd. Als met betrekking tot belanghebbende het standpunt van de inspecteur voor het jaar 1996 wordt gevolgd, dan vervallen de correcties van de vervangingsreserve voor de jaren 1997 en 1998.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Vaststaat dat belanghebbende in 1995 een vervangingsreserve heeft gevormd ten bedrage van ƒ 13.837.059, dat belanghebbende op 3 juni 1996 van gelieerde vennootschappen 22 panden heeft verworven voor een bedrag van ƒ 21.907.235 en dat zij op deze kostprijs een gedeelte groot ƒ 13.140.118 van de hiervoor vermelde vervangingsreserve heeft afgeboekt. Van de op 3 juni 1996 verworven panden is op 1 september 1997 een pand voor ƒ 135.972 aan een derde verkocht en zijn de overige 21 panden op 28 november 1997 aan een gelieerde vennootschap verkocht.

5.2. Vaststaat voorts dat belanghebbende in december 1997 drie panden heeft verworven en dat belanghebbende in juni 1998 twee van deze panden aan derden heeft verkocht en één aan een gelieerde vennootschap.

5.3. De inspecteur heeft gesteld dat de panden die belanghebbende in 1996 en in 1997 heeft verworven niet bestemd zijn geweest om door belanghebbende duurzaam als beleggingspand te worden geëxploiteerd en dat deze panden als verkoopvoorraad niet dezelfde (bedrijfs-) economische functie vervullen als de panden die belanghebbende in 1995 heeft vervreemd. Belanghebbende heeft de stelling van de inspecteur betwist.

5.4. De inspecteur heeft zijn stelling in het verweerschrift, waarin de afkorting VVR betrekking heeft op een vennootschap met een vervangingsreserve, als volgt gemotiveerd:

"4.7. Zodra een VVR is aangekocht wordt vrijwel steeds aan de vervangingsverplich-ting voldaan door overheveling van een al in de groep aanwezige onroerende zaak of onroerende zaken naar de VVR. Nagenoeg alle panden zijn daardoor één of meermalen doorgeschoven naar een nieuw aangekochte VVR. Bij de vennootschap die haar nieuwe zustervennootschap aldus van dienst is bij het voldoen aan haar vervangingsverplichting ontstaat dan een vervangingsreserve van veelal gelijke omvang.

(…)

4.8. Bij het naar elkaar doorschuiven van panden worden overdrachtsprijzen gehanteerd die geen of weinig verband houden met de werkelijke waarde van die panden.

(…)

4.9. Om de aankoop van een nieuwe VVR te financieren wordt een kasrondje gedraaid. G B.V. leent het benodigde bedrag voor de koopsom van een bank. Zodra de notariële akte is gepasseerd en levering van de aandelen heeft plaatsgevonden, wordt de banklening afgelost uit de liquide middelen van de aangekochte VVR. (…)

Vervolgens schuiven de vennootschappen panden naar elkaar door waarbij koopsom-men in rekening-courant schuldig worden gebleven.

(…)

4.10. Indien een VVR lid wordt van de G-groep dan treedt zij niet tevens toe tot de (…) fiscale eenheid."

5.5. Uit de brief van de inspecteur van 4 september 2000 als vermeld onder 2.6 leidt het Hof af dat de inspecteur heeft getracht na te gaan welke bestemming de op 3 juni 1996 verworven panden hadden binnen het kader van de door belanghebbende gedreven onderneming, alsmede getracht de door belanghebbende gestelde bestemming op haar realiteitsgehalte te beoordelen. De door de inspecteur gestelde vragen kunnen voor de toepassing van artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van belang zijn, omdat op grond van genoemde bepaling aan de vervangende vermogensbestanddelen als voorwaarde wordt gesteld dat zij voor de desbetreffende onderneming een bedrijfsmiddel vormen en dat zij binnen die onder-neming bedrijfseconomisch dezelfde functie vervullen als de te vervangen bedrijfsmiddelen.

5.6. Dat er aanleiding was om te veronderstellen dat de op 3 juni 1996 door belanghebbende verworven panden voor de door haar gedreven onderneming mogelijk geen bedrijfsmiddel vormden en niet dezelfde bedrijfseconomische functie vervulden als de panden die zij in 1995 had vervreemd, is af te leiden uit de omstandigheid dat die panden zijn verworven van een groepsvennootschap en binnen betrekkelijk korte tijd aan een andere groepsvennootschap met een vervangingsreserve en een daaruit voortvloeiende vervangingsverplichting zijn doorver-kocht. Op grond van hetgeen is vermeld onder 2.1 tot en met 2.4 en onder verwijzing naar de door de inspecteur ter zitting van 26 februari 2002 overgelegde 'Notitie doorschuiving panden binnen G-groep', acht het Hof het aannemelijk dat binnen de G-groep stelselmatig sprake was van een verwerven van vennootschappen met een vervangingsreserve en van het binnen die groep aan deze vennootschappen verkopen ('doorschuiven') van panden en van het op de aldus doorgeschoven panden afboeken van een in de kopende vennootschap aanwezige vervangingsreserve teneinde een vrijval van die reserve te voorkomen. Aan deze

gang van zaken en aan de onvolkomen beantwoording door belanghebbende van de op 4 september 2000 door de inspecteur gestelde vragen ontleent het Hof het vermoeden dat de panden die belanghebbende op 3 juni 1996 heeft verworven, binnen de onderneming van belanghebbende en vanaf het moment dat zij werden verworven, bestemd waren om door haar aan een andere groepsvennootschap te worden verkocht, in welk geval die panden binnen de onderneming van belanghebbende niet als bedrijfsmiddel zijn te beschouwen. Op grond van het vorenstaande acht het Hof tevens het vermoeden gerechtvaardigd dat de in 1996 verworven panden, zo al deze panden als bedrijfsmiddel zouden zijn te beschouwen, in bedrijfseconomische niet dezelfde functie vervulden als de panden die belanghebbende in 1995 heeft vervreemd.

5.7. Het vorenstaande vindt bevestiging in de gang van zaken rond de drie panden die belanghebbende in december 1997 heeft gekocht. Weliswaar zijn twee van deze panden in juni 1998 aan derden verkocht, maar uit de doelomschrijving van de bij deze transactie betrokken maatschap H is af te leiden dat het ten tijde van de verwerving van de zogenoemde H-panden door belanghebbende de bedoeling is geweest om die panden op afzienbare termijn te verkopen. Eén van deze panden is, zoals de inspecteur niet weersproken door belanghebbende in het verweerschrift heeft gesteld, op 26 juni 1998 aan M B.V. verkocht. Deze vennootschap is eveneens op 26 juni 1998 door de G-groep gekocht en beschikte op dat tijdstip, zoals door de inspecteur onweersproken is gesteld, over een vervangingsreserve van

ƒ 5.200.000 die uiterlijk in 1998 moest zijn aangewend.

5.8. Naar het oordeel van het Hof ligt het op de weg van belanghebbende om de onder 5.6 verwoorde vermoedens te weerleggen. Hierin acht het Hof belanghebbende wegens gebrek aan bewijs niet geslaagd. Belanghebbende heeft haar stelling dat de in 1996 verworven panden ter belegging waren verworven niet, althans niet voldoende, onderbouwd. Zo had in het kader van deze stelling van belanghebbende mogen worden verwacht dat zij de inspecteur en vervolgens het Hof nader inzicht bood in de zakelijkheid van de overeengekomen koopprijzen van de in 1996 verworven panden en in de met betrekking tot die panden destijds lopende verhuurovereenkomsten. Hierbij laat het Hof in het midden of de niet volledige beantwoording van de door de inspecteur gestelde vragen in het onderhavige geval van een zodanig gewicht is dat dit de zogenoemde omkering van de bewijslast rechtvaardigt als bedoeld in artikel 27e van Algemene wet inzake rijksbelastingen.

5.9. Het oordeel onder 5.8 leidt ertoe dat de aanschaffingsprijs van de op 3 juni 1996 verworven panden door belanghebbende ten onrechte op de in 1995 gevormde vervan-gingsreserve is afgeboekt, zodat de in 1995 gevormde vervangingsreserve geacht moet worden na de verwerving van panden op 3 juni 1996 nog geheel te bestaan. Met betrekking tot deze vervangingsreserve rijst de vraag of belanghebbende op 31 december 1996 het voornemen had om de door haar in 1995 vervreemde zaken te vervangen. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende op 31 december 1996 niet over een dergelijk voornemen beschikte. Het ligt dan op de weg van belanghebbende om met betrekking tot de in 1995 door haar vervreemde panden per 31 december 1996 de aanwezigheid van een voornemen tot vervanging aannemelijk te maken. Hierbij geldt dat sprake dient te zijn van een vervan-gingsvoornemen van de belastingplichtige die de vervangingsreserve heeft gevormd.

5.10. Belanghebbende heeft voor het bestaan van een vervangingsvoornemen verwezen naar het 'Directie- en aandeelhoudersbesluit' als vermeld onder 2.10. Voor het bestaan van een vervangingsvoornemen per 31 december 1996 vormt dit geschrift naar het oordeel van het Hof onvoldoende bewijs. Dit besluit geeft weliswaar een verklaring omtrent een vervangings-voornemen van meer dan twintig vennootschappen, waaronder de enig aandeelhouder van belanghebbende, maar daaruit is niet zonder meer af te leiden dat op genoemde datum een vervangingsvoornemen bij belanghebbende aanwezig was. Zonder ondersteunend nader be-wijs volstaat een dergelijke algemene verklaring niet. Enige concrete handeling van of namens het bestuur van belanghebbende gericht op de vervanging van het in 1996 verkochte pand, zodanig dat daaruit per 31 december 1996 het bestaan van een voornemen tot vervanging zou zijn af te leiden, is niet door haar aannemelijk gemaakt. Een dergelijke handeling is ook niet af te leiden uit overigens door belanghebbende ondernomen bedrijfs-activiteiten. Van belang is voorts dat niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende na 31 december 1996 nog vervangende panden heeft verworven. Weliswaar heeft in 1997 nog drie zogenoemde H-panden verworven, maar deze panden hebben naar het oordeel van het Hof op grond van hetgeen is overwogen onder 5.7 in de onderneming van belanghebbende niet de functie van bedrijfsmiddel vervuld.

5.11. Belanghebbende heeft ter zitting nog gesteld dat de bestreden uitspraak en de aanslag moeten worden vernietigd, omdat de inspecteur zich zou hebben schuldig gemaakt aan 'détournement de pouvoir'. De inspecteur heeft deze stelling gemotiveerd weersproken. Gelet hierop, in welk verband het Hof verwijst naar het proces-verbaal van de zitting van 26 februari 2002, heeft gemachtigde de stelling dat de inspecteur zich aan 'détournement de pouvoir' schuldig zou hebben gemaakt naar het oordeel van het Hof geenszins aannemelijk gemaakt.

5.12. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van belanghebbende ongegrond is.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is vastgesteld op 25 februari 2003 door mrs. Dutmer, voorzitter, Van der Ouderaa en Kostense, leden, in tegenwoordigheid van mr. Kreijns-Mostermans als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van deze uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.