Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8218

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-004001-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op 12 juni 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 11.988 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

48 maanden gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Opiumwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-004001-02

datum uitspraak 8 april 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van

1 oktober 2002 in de strafzaak onder parketnummer 15-000703-02 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te district [...], Suriname, op [geboortedatum] 1972,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de P.I. Flevoland - HvB Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 17 september 2002 en in hoger beroep van 25 maart 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ter terechtzitting gevoerde verweer

De raadsman heeft betoogd dat in eerste aanleg het door de verdediging gedane aanhoudingsverzoek ten onrechte is afgewezen. Naar de raadsman stelt, is door de handelswijze van de rechtbank Haarlem aan [verdachte] een fundamenteel recht onthouden, te weten het recht op behandeling van de strafzaak in twee feitelijke instanties. De door de verdachte gekozen raadsman heeft ruim twee weken voor de zitting in eerste aanleg aangegeven dat hij verhinderd zou zijn, terwijl hij de enige beëdigde advocaat ten kantore is. Door het aanhoudingsverzoek af te wijzen en de zaak inhoudelijk af te doen heeft de rechtbank Haarlem het beginsel 'equality of arms' zoals verwoord in artikel 14 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten met voeten getreden.

Voorts dient daarbij in aanmerking te worden genomen dat de door de verdachte ondertekende afstandsverklaring niet moet worden opgevat als het doen van afstand van het recht om ter zitting te verschijnen, maar als afstand van het vervoer naar de zitting op 17 september 2002, nu verdachte in de veronderstelling verkeerde dat deze zitting geen doorgang vond.

Het ten onrechte afwijzen van het aanhoudingsverzoek van de verdediging door de rechtbank Haarlem dient te leiden tot vernietiging van het vonnis in eerste aanleg en tot terugverwijzing van de zaak naar dezelfde rechtbank om door deze opnieuw te worden berecht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat het aan de zittingsrechter is om te beslissen op een van de zijde van de verdediging ingediend verzoek tot uitstel van de behandeling van een zaak en dat een absoluut recht van de verdediging op aanhouding van de behandeling van een zaak als zodanig niet bestaat.

Vaststaat dat op 11 september 2002 aan (het kantoor van) de raadsman als beslissing van de desbetreffende meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem is medegedeeld dat het door deze op voorhand, schriftelijk gedane verzoek om uitstel van de behandeling van de zaak ter zitting van 17 september 2002 -enkel gebaseerd op de verhindering van de raadsman die dag- om de rechtbank moverende redenen niet (naar het hof begrijpt: in elk geval niet op voorhand) werd ingewilligd.

Ter terechtzitting van 17 september 2002 zijn verdachte, die een op die datum gestelde zogenaamde "afstandsverklaring" heeft ondertekend, noch zijn raadsman verschenen en is na verstekverlening de zaak door de rechtbank behandeld en op 1 oktober 2002 vonnis gewezen.

Uit niets blijkt dat door verdachte slechts bedoeld is afstand te doen van de mogelijkheid van vervoer naar de rechtbank, zoals de raadsman stelt. In redelijkheid moet worden aangenomen, gelijk kennelijk ook de rechtbank heeft gedaan, dat verdachte afstand heeft willen doen van zijn aanwezigheidsrecht. Zo de verdachte er, bij ondertekening van de afstandsverklaring, al van zou zijn uitgegaan dat de zaak door de rechtbank niet inhoudelijk zou worden behandeld, dan komt dit, gelet op de afwijzing op voorhand van het uitstelverzoek als hiervoor bedoeld, waarvan, zo moet worden aangenomen de verdachte door zijn raadsman op de hoogte was gesteld, in ieder geval had behoren te worden gesteld, geheel voor zijn rekening. Immers de raadsman wist op 11 september 2002 dat zijn verzoek was afgewezen als voormeld.

De stelling van de raadsman dat de verdachte persé door hem, als gekozen raadsman, wenste te worden bijgestaan doet in zoverre niet terzake, dat niet gebleken is dat bij ontstentenis van de raadsman, niet een andere raadsman naar keuze van de verdachte beschikbaar kon zijn op de zittingsdatum.

Uit het vorenstaande volgt dat naar het oordeel van het hof niet gezegd kan worden dat sprake is van een ter gelegenheid van de behandeling en beslissing van de zaak in eerste aanleg tot nietigheid leidend verzuim.

Reeds daarom komt de door de raadsman verzochte vernietiging van het vonnis in eerste aanleg en in het verlengde daarvan verzochte verwijzing van de zaak door het hof naar de eerste rechter, wat van dit laatste overigens ook zij, niet aan de orde.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Bewijslevering

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

op 12 juni 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 11.988 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 (oud), eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met verbeurdverklaring van 2.045 USD en 495 euro.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 11.988 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 12 maart 2003, is verdachte niet eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van 2.045 USD en 495 euro, dat verdachte geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden, dient te worden verbeurdverklaard en is daarvoor vatbaar aangezien het bewezenverklaarde met behulp van dit voorwerp is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud) en 10 (oud) van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijslevering omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een geldbedrag groot 2.045 USD;

- een geldbedrag groot 495 euro.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Scholten, Heuveling van Beek en Voncken, in tegenwoordigheid van mrs. Van Harten en Bons als griffiers en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 april 2003.