Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF8163

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2003
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-002701-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van het opzettelijk invoeren (via Schiphol) van 116.370,3 gram cocaïne, medeplegen van 3x opzettelijk invoeren (via Schiphol) van hoeveelheden cocaïne, medeplegen voorbereidingshandelingen o.a. gericht op deze invoer van cocaïne en deelneming aan een misdadige organisatie.

Verwerping verweren t.a.v. ontvankelijkheid van het O.M., rechtmatigheid van het bewijs en strafmaat.

9 jaren gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2003-02-20
Opiumwet 10a, geldigheid: 2003-02-20
Opiumwet 10, geldigheid: 2003-02-20
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2003-02-20
Wetboek van Strafrecht 140, geldigheid: 2003-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002701-01

datum uitspraak 20 februari 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 19 juli 2001 in de strafzaak onder parketnummer 15/035215-00 tegen:

[verdachte]

geboren te Amsterdam op [geboortedatum] 1966

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere Binnen te Almere.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 juli 2001 en in hoger beroep van 19 maart 2002, 2 april 2002, 11 juni 2002, 10 september 2002, 19 november 2002 en 6 februari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen.

Bespreking van de gevoerde verweren.

De raadsman heeft in het onderdeel van zijn betoog dat is getiteld: "Een redelijk vermoeden van schuld" -kort samengevat- het volgende aangevoerd:

1. De gegevens, verkregen uit het FIBASE-systeem van de fiscus, zijn onrechtmatig verstrekt/verkregen. De FIOD-ambtenaren, werkzaam binnen het CARGO/HARC-team dat het opsporingsonderzoek heeft verricht, hebben gehandeld in strijd met het in deze van toepassing zijnde verbod tot bekendmaking (van gegevens uit de registers van de belastingdienst) zoals neergelegd in het van toepassing zijnde artikel 67, eerste lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Zij hebben deze gegevens verstrekt ten behoeve van de opsporing van commune/opiumwet delicten, derhalve voor een ander doel dan in genoemd artikel is aangegeven. Bewijsuitsluiting dient te volgen.

2. Ook zijn de gegevens verkregen uit het Kentekenregister, die gebruikt zijn om de vermogenspositie van [verdachte] te inventariseren met het oog op de verdenking van het plegen van opiumwetdelicten, onrechtmatig verkregen. Ook deze gegevens zijn verstrekt/gebruikt voor een ander doel dan aangegeven in de regelgeving daaromtrent, meer in het bijzonder artikel 3 van het Privacyreglement kentekenregister 1996, als gevolg waarvan bewijsuitsluiting dient te volgen.

3. De aan het opsporingsonderzoek ten grondslag liggende CID informatie (AH 01) die gelet op het onderzoek ter terechtzitting niet actueel was en gelet op het onder 1 en 2 gestelde niet kon worden opgewaardeerd met andere aanwijzingen, levert onvoldoende grond op voor een verdenking als bedoeld in artikel 27 Wetboek van Strafvordering en de inzet van dwangmiddelen. Meer in het bijzonder is onrechtmatig getapt, nu op grond van genoemde "zachte" CID-informatie niet gezegd kan worden, dat aan de voorwaarde van artikel 126m Wetboek van Strafvordering is voldaan, te weten dat het onderzoek het tappen dringend moet vorderen. Bewijsuitsluiting dient te volgen.

Voorts heeft de raadsman met betrekking tot het doorlaatverbod van artikel 126ff Wetboek van Strafvordering, het volgende betoogd.

4. Met betrekking tot op zijn minst de tenlastegelegde verdovende middelen transporten van 28 september 2000 en 14 november 2000 is er gelet op de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting sprake geweest van een redelijke mate van zekerheid met betrekking tot de aanwezigheid van verdovende middelen, zodat ingrijpen rechtens was aangewezen. Het niet ingrijpen, zoals in casu is geschied, is in strijd met de beginselen van een integere strafrechtspleging, zodat gezien het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 juli 2002 (nr. 01704/01) weliswaar niet de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het geding is, maar wel tenminste bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering op zijn plaats is.

Een en ander leidt er volgens de raadsman toe dat de bewijsmiddelen die direct zijn verkregen uit de gekozen opsporingsmethode, van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Subsidiair dient strafvermindering te volgen.

Het hof verwerpt de verweren en overweegt daartoe als volgt.

Ad 1. Dit verweer moet alleen al worden verworpen omdat het miskent dat het in de onderhavige zaak in de eerste plaats gaat om het binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Europese Gemeenschap, zodat de ambtenaren van de belastingdienst (in casu de FIOD-ambtenaren die behoorden tot het CARGO/HARC-team) ingevolge de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen juncto de Douanewet hierbij een eigen controle- en opsporingstaak hadden, waarbij zij gebruik konden maken van de hun specifiek ten dienste staande middelen zoals het raadplegen van de registers van de belastingdienst.

De opvatting dat het de ambtenaren in het CARGO/HARC-team niet vrijstond aan andere in dat team werkzame opsporingsambtenaren de uit genoemde registers verkregen informatie ter beschikking te stellen, zoals nog door de raadsman betoogd, vindt overigens geen steun in het recht, ook niet in het door de raadsman in dit verband genoemde Voorschrift informatieverstrekking 1993.

Ad 2. De stelling van de raadsman dat het de ambtenaren in het CARGO/HARC-team niet vrijstond de gegevens uit het Kentekenregister te gebruiken vindt geen steun in het recht, waaronder de regelgeving daaromtrent.

Ad 3. In het proces-verbaal RCID-informatie nr. 782-187/2000 van de Dienst Centrale Recherche (Criminele Inlichtingen Eenheid) van de politie Amsterdam/Amstelland d.d. 3 mei 2000, opgemaakt door H. van Ommen, wordt zeer gedetailleerde en door de Criminele Inlichtingen Eenheid betrouwbaar geachte informatie gegeven betreffende verdachte [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte 1], waaronder een nauwkeurige beschrijving van de manier waarop al gedurende een jaar of twee cocaïne door hen met KLM-vliegtuigen binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht. De inhoud van deze informatie luidt als volgt:

"[medeverdachte 1] is al ongeveer 2 jaar bezig met de invoer van cocaïne in samenwerking met Colombianen. Zij krijgen de cocaïne binnen via een KLM-vliegtuig afkomstig van de Nederlandse Antillen/Venezuela. De cocaïne zit verstopt in de flightkit van het toestel en wordt hieruit gehaald door een KLM-medewerker, zijnde een contact van [medeverdachte 1], genaamd [verdachte]. Deze kan makkelijk bij de vliegtuigen komen. De partijen komen om de twee weken binnen. De Colombiaan staat bekend als [betrokkene].

Vliegtuigen met als eindbestemming Amsterdam worden gebruikt voor de invoer van cocaïne. Werknemers van de grondploeg, die bevoegd zijn om in laadruimte 1 of de belly de waardevolle goederen eruit te halen, zorgen er ook voor dat de cocaïne er uitgehaald wordt. De cocaïne zou verstopt zitten in lichtmetalen kisten (mogelijk aluminium) waarop een witte sticker is bevestigd met de rode letters AOG. De vliegtuigen waarin de cocaïne in de desbetreffende laadruimten wordt verstopt, komen in geen geval uit risico landen".

Deze CID-informatie -die blijkens het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de getuigeverklaring van verbalisant Van Ommen, nog steeds actueel was op 4 juli 2000- vormt voldoende grondslag voor het in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Daaraan doet niet af dat een deel van genoemde CID-informatie achteraf niet geheel juist bleek te zijn.

Aard, ernst en omvang van hetgeen via dat CIE-procesverbaal werd gerelateerd rechtvaardigden voorts de inzet van dwangmiddelen, zoals -als voldoende dringend- telefoontaps.

Ad 4. Met betrekking tot de tenlastegelegde invoer van cocaïne op 14 november 2000 faalt het verweer reeds omdat die dag wel tot inbeslagname is overgegaan.

Met betrekking tot de tenlastegelegde invoer van cocaïne op 28 september 2000 is van handelen in strijd met het doorlaatverbod zoals bedoeld in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering geen sprake, nu blijkens de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting, meer in het bijzonder blijkens de verklaring van de ter terechtzitting als getuige gehoorde verbalisant Oosterhof, de aanwijzingen omtrent de aanwezigheid en vindplaats van drugs niet zodanig waren dat die aanwijzingen redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel lieten dat er verdovende middelen op een bepaalde plaats en tijdstip aanwezig waren.

Voorzover er overigens op enig tijdstip al sprake zou zijn geweest van een situatie waarin ingevolge artikel 126ff Wetboek van Strafvordering een plicht tot inbeslagneming zou hebben bestaan, dan nog kan verdachte zich niet beroepen op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering terzake, reeds omdat het bepaalde in artikel 126ff Wetboek van Strafvordering niet in het leven is geroepen in het belang van verdachte en voor hem derhalve geen rechtens te beschermen belang in het geding is.

De bewezenverklaring

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

-Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde-

hij in de periode van 12 tot en met 14 november 2000 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 116.370,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

-Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde-

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2000 tot en met 1 oktober 2000 (te weten op of omstreeks 11 september 2000 en 15 september 2000 en 28 september 2000) te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

-Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde-

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2000 tot en met 21 november 2000, te weten op of omstreeks

11 september 2000 en

15 september 2000 en

28 september 2000 en

30 oktober 2000 en

14 november 2000 en

17 november 2000 en/of

20 november 2000,

in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten (telkens) het opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en telkens (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4) binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, telkens

- een ander heeft trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of mede te plegen en/of

- zich en/of één of meer anderen telkens gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en/of voorwerpen, en/of vervoermiddelen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) telkens:

- contacten gelegd en/of onderhouden met elkaar en/of met (een contactpersoon van) de afzender/verzender (van de cocaïne) (in Suriname) en/of besprekingen gevoerd en/of bijgewoond en/of afspraken gemaakt over:

* data en tijdstippen van verzending en/of aankomst van (een) vliegtuig(en) (in Nederland) in welk(e) vliegtuig(en) zich (vervolgens) de cocaïne bevond/zou bevinden en/of

* welke hoeveelheden cocaïne zouden worden verzonden (naar Nederland) en/of

* op welke wijze de cocaïne zou worden verpakt en vervoerd en/of verborgen en/of

* door wie en op welk moment aan boord van het (in Nederland aangekomen) vliegtuig zou worden gekeken of de cocaïne zich aan boord bevond en/of door wie de cocaïne (vervolgens) van boord zou worden gehaald en/of

* aan wie en op welke plaats en op welk moment de cocaïne (vervolgens) zou worden overgedragen en/of afgeleverd en/of in ontvangst genomen en/of

* op welke wijze en plaats de (partij) cocaïne (in porties) verdeeld zou worden en/of

* de (te ontvangen en/of uit te betalen) beloning(en) en/of

* de wijze en de tijdstippen waarop informatie zou worden verstrekt en/of ontvangen en/of

- vluchtgegevens omtrent (in Nederland) binnenkomende vliegtuigen (waarin zich de cocaïne bevond/zou bevinden) verkregen en/of verstrekt en/of

- verpakkingsmateriaal (voor de te verzenden cocaïne) verschaft en/of overhandigd aan (een tussenpersoon van) de afzender/verzender (van de cocaïne) en/of

- een (bestel)auto voorhanden/ter beschikking gehad waarin cocaïne geplaatst kon worden,

zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

-Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde-

hij in de periode van 1 april 2000 tot en met 21 november 2000 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door verdachte en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het telkens opzettelijk verrichten van handelingen zoals omschreven in de Opiumwet artikel 10a, eerste lid, zulks om een feit als bedoeld in de Opiumwet artikel 10, derde of vierde lid, voor te bereiden en/of te bevorderen

en

het telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne en

het plegen van handelingen, gericht op het verdere vervoer en de opslag en de aflevering en ontvangst en overdracht van een (binnen het grondgebied van Nederland gebrachte) hoeveelheid van een materiaal, bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, welke deelneming bestond uit:

- het ontwikkelen van plannen om vorenbedoelde misdrijven te plegen en het leggen van contacten en het maken van afspraken met betrekking tot deze misdrijven en uit het medeplegen van voornoemde misdrijven (Opiumwet artikel 2 lid 1 onder A en/of Opiumwet artikel 10a lid 1) en

- het verstrekken en inwinnen van inlichtingen en (het geven van) aanwijzingen met betrekking tot de uitvoering en voorbereiding van deze misdrijven en het verrichten van diensten met betrekking tot deze misdrijven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van een feit bedoeld in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden en bevorderen door een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen en zich of een ander gelegenheid of inlichtingen tot het plegen van het feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen en gelden voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van het feit, meermalen gepleegd;

De onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten beschouwt het hof als een voortgezette handeling van de onder 3 op of omstreeks 11, 15 en 28 september 2000 alsmede op of omstreeks 14 november 2000 bewezenverklaarde feiten.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straffen en maatregel

De rechtbank heeft verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen ten aanzien van het beslag, een en ander als in het vonnis vermeld.

De verdachte heeft hoger beroep doen instellen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van het beslag gevorderd te beslissen conform de rechtbank.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft gedurende een langere periode deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met de invoer in Nederland van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne en de voorbereiding daarvan.

De ingevoerde cocaïne was afkomstig uit Suriname en werd per KLM-vliegtuig, verstopt in KLM-boxen, vervoerd. Bij aankomst op Schiphol werden door (een) KLM-medewerker(s), de boxen met daarin de cocaïne van boord gehaald.

Verdachte was één van de organisatoren en coördinatoren van de onderhavige drugslijn en bekleedde aldus een leidinggevende rol binnen de organisatie. Niet alleen was verdachte, die werkzaam was op Schiphol, (mede)bedenker van de wijze waarop de cocaïne werd verborgen in de vliegtuigen, ook heeft hij een collega KLM-medewerker benaderd voor het verstrekken van vluchtinformatie en het -na aankomst in Nederland - uit het vliegtuig halen van de cocaïne. Ook met andere leden van de organisatie onderhield verdachte contacten. Hij gaf instructies en zorgde ervoor dat zij betaald werden voor bewezen diensten.

Zelf heeft hij hieraan veel geld verdiend.

Daarnaast heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het verrichten van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne in Nederland.

Aldus heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van een markt voor cocaïne in Europa, in het bijzonder in Nederland. Cocaïne is voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijk en het gebruik ervan is bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee veelal gepaard gaande criminaliteit door verslaafden.

Verdachte heeft zich laten leiden door winstbejag ten koste van anderen en heeft -evenals een medeverdachte- misbruik gemaakt van de positie die hij bekleedde bij de KLM.

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met:

- de rol van verdachte binnen de hierboven beschreven organisatie;

- een rapport van de Reclassering Nederland Ressort Arnhem, Unit Flevoland Zuid, opgemaakt d.d. 29 juni 2001 en hetgeen omtrent verdachte uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken;

- een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 24 januari 2002, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Gelet op het bovenstaande is de straf die de rechtbank heeft opgelegd alleszins gerechtvaardigd. Het hof wil evenwel rekening houden met de omstandigheid dat verdachte opening van zaken heeft gegeven en deswege de door de rechtbank opgelegde straf matigen.

Al het voorgaande in aanmerking nemende acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: een mobiele telefoon merk Nokia en lood, type TBO, kleur grijs, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen voorwerp twee wikkels cocaïne, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en deze voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane feiten zijn aangetroffen en deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36d, 47, 56, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van NEGEN (9) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd: één mobiele telefoon merk Nokia en lood, type TBO, kleur grijs.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: twee wikkels cocaïne.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Bockwinkel, Houben en Van Breukelen-Van Aarnhem, in tegenwoordigheid van mr. Oosterhof als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 februari 2003.

Mr. Houben is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.