Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF7666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
02/04418 PV
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit een parkeervergunning en parkeert zijn auto in de Q-straat, een winkelstraat behorende tot het vergunningengebied. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbendes vergunning geen recht gaf om de auto op dat tijdstip in een winkelstraat te parkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/1002
FutD 2003-0830
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Amsterdam, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de waarnemend directeur van de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam, verweerder, gedagtekend 31 mei 2002, betreffende de naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen, gedagtekend 9 februari 2002 en met nummer 99999999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 maart 2003.

Beslissing

Het hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar,

- vernietigt de naheffingsaanslag,

- gelast de gemeente Amsterdam het gestorte griffierecht ad € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.1. De Verordening Parkeerbelastingen 1999 (verder de Verordening; tekst 2002 tot 1 april 2002) bevat onder meer de volgende artikelen:

Art. 1

Onder de naam parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting terzake het parkeren van een voertuig op een bij deze belastingveror-de-ning (inclusief de bijlagen) te bepalen plaats en tijdstip dan wel krachtens deze belas-tingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Bur-gemeester en Wethouders te bepalen wijze [Hof: verder de A- belasting];

b. een belasting terzake een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze [Hof: verder de B- belasting].

Art. 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot (….) het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande ter-reinen of weggedeelten (….)

Art. 3

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

(…)

4. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergun-ning heeft aangevraagd.

Art. 4

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het par-keren.

2. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Art. 6

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur en moet wor-den betaald bij de aanvang van het parkeren. (…)

2. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

1.2. De Parkeerverordening 1996 van de gemeente Amsterdam (gepubliceerd in het Gemeenteblad 1996, afdeling 3, volgnr. 67; tekst 2002 tot 1 april 2002, zie Besluit Burgemeester en Wethouders van Amsterdam van 26 februari 2002, gepubliceerd in Gemeenteblad 2002, afdeling 3B, volgnr. 13) bevat onder meer de volgende artikelen:

Art. 1

(…)

i vergunning: een parkeervergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerplaatsen;

(…)

Art. 3

De bewonersvergunning.

Indien en zolang de noodzakelijke reserve in een vergunningengebied aanwezig is (….), wordt op aanvraag een vergunning verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die volgens het bevolkingsregister als bewoner op een adres staat ingeschreven en het adres een zelfstandige woning betreft in een gebied waar het fiscale regime van kracht is.

Art. 10

1. (…)

2. Aan een vergunning worden de volgende voorschriften verbonden:

a. de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren met het motorvoertuig waarvan het kenteken, respectievelijk de andere aanduiding, aan de voorzijde van de vergunning is vermeld;

b. tijdens het parkeren moet de vergunning in de linkerbenedenhoek achter de achterruit zijn aangebracht. Dit dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van de vergunning duidelijk vanaf de buitenkant van het motorvoertuig is te lezen;

c. ingeval één of meer van de hiervoren genoemde voorschriften niet wordt (worden) na-geleefd, wordt er zonder vergunning geparkeerd;

2.1. Belanghebbende, wonende op de Q-straat nummer 107 III te Amster-dam, beschikt over een van gemeentewege verstrekte parkeervergunning, zijnde een bewonersvergunning als bedoeld in artikel 3 van de Parkeerverordening 1996 [ver-der de vergunning]. De vergunning verleent belanghebbende het recht om een motor-voertuig in het vergunningengebied waartoe de Q-straat behoort, te par-keren.

Q-straat 2.2. Belanghebbendes auto met kenteken XX-YY-99, merk Mazda, kleur rood (verder de auto), stond op 9 februari 2002 om 16.35 uur geparkeerd in de Q-straat ter hoogte van nummer 95 te Amsterdam.

Ten tijde van het parkeren had belanghebbende de vergunning op de voorgeschreven wijze in de auto aan-gebracht.

2.3. Een parkeercontroleur van Stadstoezicht heeft tijdens een controle geconstateerd dat belanghebbende de A-belasting niet had voldaan en heeft een naheffingsaanslag in de A-belasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat in-gevolgde de Verordening voor het parkeren in de Q-straat een par-keerbelasting als bedoeld in artikel 1 van de Verordening verschuldigd is en dat belanghebbende de B-belasting tijdig heeft voldaan.

4.1. Verweerder stelt dat de Q-straat een winkelstraat is en dat de vergun-ning niet het recht geeft om de auto tussen 9.00 uur en 19.00 uur in een winkelstraat te parkeren. Verweerder heeft tevens gesteld dat belanghebbende een folder/boekje is uitgereikt waarin een en ander duidelijk staat aangegeven.

4.2. Belanghebbende heeft gesteld dat hij de voorwaarden behorende bij de vergun-ning nooit heeft ontvangen en dat hij niet wist dat de vergunning overdag in de Q-straat niet geldig was. Belanghebbende vermoedt dat hij tot februari 2002 nog nooit een dergelijke naheffingsaanslag heeft ontvangen omdat hij vanwege zijn werk normaliter overdag in de Q-straat niet parkeert.

Tevens heeft hij aangevoerd dat in de auto een zogenoemde Parkadammertje lag dat hij eenvoudig in werking had kunnen stellen. Uit het feit dat hij dat apparaat niet in werking had gesteld blijkt wel, aldus belanghebbende, dat hij niet wist dat zijn ver-gunning op dat moment niet geldig was.

Pas na het indienen van zijn bezwaarschrift heeft hij het boekje met parkeervergun-ningvoorwaarden ontvangen en - zo stelt belanghebbende - weet hij dat hij overdag in de Q-straat voor het parkeren belasting moet betalen.

Tevens beroept belanghebbende zich erop dat van 'parkeren' geen sprake was, omdat hij zijn boormachine aan het laden en lossen was.

5.1. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, nr. 32 834 (gepu-bliceerd in BNB 1998/46) is het stelsel van de Verordening dat de A-belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de B-belasting is voldaan. In-dien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Uit het stelsel van de wet volgt dat in dat geval belanghebbende de A-belasting verschul-digd is.

5.2. Het Hof stelt voorop dat op verweerder de last rust te bewijzen dat het belastbare feit, terzake waarvan de aanslag is opgelegd, zich heeft voorgedaan. Nu vaststaat dat de vergunning in beginsel in de Q-straat geldig was en dat de vergunning op de voorgeschreven wijze was aangebracht, betekent het voorgaande dat verweerder dient te bewijzen dat de vergunning geen recht gaf op het omstreeks 16.35 uur par-keren van de auto.

5.3. Uit hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd leidt het Hof af dat parkeer-vergunningen door het Dagelijks Bestuur van het desbetreffende stadsdeel (verder het DB) worden uitgegeven en dat zij aan de vergunningverlening voorwaarden kunnen verbinden. Verweerder stelt dat het DB bepaald heeft dat de Q-straat een winkelstraat is in de zin van de Parkeerverordening en dat in een winkelstraat de ver-gunning van 9.00 uur tot 19.00 uur niet geldig is.

Nu verweerder het desbetreffende besluit van het DB, noch de op de vergunning van toepassing zijnde voorwaarden heeft overgelegd, is het Hof van oordeel dat verweer-der niet aannemelijk gemaakt heeft dat de vergunning geen recht gaf om op het des-betreffende tijdstip en de desbetreffende plek de auto te parkeren.

Het Hof verwerpt de stelling van verweerder dat uit de enkele omstandigheid dat de naheffingsaanslag is opgelegd kan worden afgeleid dat de vergunning op het parkeer-tijdstip niet geldig is in de desbetreffende straat.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet aannemelijk gemaakt heeft dat belang-hebbende de A-belasting verschuldigd was.

5.4. Nu het gelijk aan belanghebbende is behoeven belanghebbendes overige verweren geen bespreking meer.

6. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn niet gesteld of gebleken. Wel dient het betaalde griffierecht aan belanghebbende te worden vergoed.

De uitspraak is gedaan op 8 april 2003 door mr. Goes, in tegenwoordigheid van Wessel als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van de mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.