Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF7665

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
23-04-2003
Zaaknummer
02/04050 PV
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AO1502
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belangh. bezit een parkeervergunning, maar betaalt de voor december verschuldigde belasting eerst op 18 de­cember. Op 19 december parkeert hij zonder de feitelijke parkeerbelasting te voldoen. De vergun­ning voor de maand december ontvangt hij kort daarna. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is terecht opge­legd. Stadsdeel Q, een onbevoegd bestuursorgaan, heeft verzuimd belanghebbendes bezwaarschrift tijdig door te zen­den.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Tiende Enkelvoudige Belastingkamer

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Amsterdam, belanghebbende,

tegen

de uitspraak van de waarnemend directeur van de dienst Stadstoezicht van de gemeente Amsterdam, verweerder, gedagtekend 13 juni 2002, betreffende de naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen, gedagtekend 19 december 2001 en met nummer 99999999.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 maart 2003.

Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. De Verordening Parkeerbelastingen 1999 (verder de Verordening; tekst 2001) bevat onder meer de volgende artikelen:

Art. 1

Onder de naam parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting terzake het parkeren van een voertuig op een bij deze belastingveror-de-ning (inclusief de bijlagen) te bepalen plaats en tijdstip dan wel krachtens deze belas-tingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het College van Bur-gemeester en Wethouders te bepalen wijze [Hof: verder de A- belasting];

b. een belasting terzake een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze [Hof: verder de B- belasting].

Art. 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot (….) het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande ter-reinen of weggedeelten (….)

Art. 3

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

(…)

4. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergun-ning heeft aangevraagd.

Art. 4

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het par-keren.

2. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

Art. 6

1. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte dan wel door middel van het werpen van geld in parkeerapparatuur en moet wor-den betaald bij de aanvang van het parkeren. (…)

2. De belasting, bedoeld in art. 1, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.

1.2. De Parkeerverordening 1996 van de gemeente Amsterdam (gepubliceerd in het Gemeenteblad 1996, afdeling 3, volgnr. 67; tekst 2001) bevat onder meer de volgende artikelen:

Art. 1

(…)

i vergunning: een parkeervergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerplaatsen;

(…)

Art. 3

De bewonersvergunning.

Indien en zolang de noodzakelijke reserve in een vergunningengebied aanwezig is (….), wordt op aanvraag een vergunning verleend aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die volgens het bevolkingsregister als bewoner op een adres staat ingeschreven en het adres een zelfstandige woning betreft in een gebied waar het fiscale regime van kracht is.

Art. 10

1. (…)

2. Aan een vergunning worden de volgende voorschriften verbonden:

a. de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren met het motorvoertuig waarvan het kenteken, respectievelijk de andere aanduiding, aan de voorzijde van de vergunning is vermeld;

b. tijdens het parkeren moet de vergunning in de linkerbenedenhoek achter de achterruit zijn aangebracht. Dit dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van de vergunning duidelijk vanaf de buitenkant van het motorvoertuig is te lezen;

c. ingeval één of meer van de hiervoren genoemde voorschriften niet wordt (worden) na-geleefd, wordt er zonder vergunning geparkeerd;

2.1. Belanghebbende, wonende in de A-straat nummer 117 II te Amster-dam, beschikt over een van gemeentewege verstrekte parkeervergunning, zijnde een bewonersvergunning als bedoeld in artikel 3 van de Parkeerverordening 1996 [ver-der de vergunning]. De vergunning verleent belanghebbende het recht om een motor-voertuig in het vergunningengebied waartoe de A-straat behoort, te par-keren.

2.2. Belanghebbendes auto met kenteken XX-YY-00, merk Opel, kleur grijs (verder de auto), stond op 19 december 2001 om 12.31 uur geparkeerd in de A-straat ter hoogte van nummer 121 te Amsterdam.

Ten tijde van het parkeren bevond zich in de auto een tot 1 december 2001 geldige vergunning.

2.3. Een parkeercontroleur van Stadstoezicht heeft tijdens een controle geconstateerd dat de in het voertuig aanwezige vergunning niet geldig was en heeft een naheffings-aanslag in de A-belasting (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.

3.1. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Niet in geschil is dat in-gevolgde de Verordening voor het parkeren in de A-straat een par-keer-belasting als bedoeld in artikel 1 van de Verordening verschuldigd is.

4.1. Belanghebbende heeft - in de stukken en ter zitting - samengevat en zakelijk weergegeven het volgende gesteld:

Ik heb begin december 2001 een betalingsherinnering voor de B-belasting inzake de vergunning voor het tijdvak 1 december 2001 tot 1 maart 2002 ontvangen. Normaal ontvang ik de betalingsherinnering veel eerder. Begin december 2001 ben ik ziek geworden. Als gevolg daarvan ben ik niet in staat geweest de B-belasting tijdig te vol-doen. Ik heb op 13 december 2001 tevergeefs geprobeerd bij het servicepunt van par-keerbeheer de B-belasting contant te voldoen. Het verschuldigde bedrag is daarna op 18 december 2001 van mijn bankrekening afgeschreven.

4.2. Verweerder heeft - in de stukken en ter zitting - samengevat en zakelijk weer-gegeven het volgende gesteld:

Omdat er ten tijde van het parkeren geen geldige vergunning in de auto was aan-gebracht, is de naheffingsaanslag opgelegd.

Het systeem van toezending van de verleende vergunning is in grote lijnen als volgt. Vergunningen gelden voor een tijdvak van 3 maanden. Enige weken voorafgaande aan de ingangsdatum van de nieuwe vergunning wordt de belanghebbende een betalings-herinnering toegestuurd, tenzij de belanghebbende de gemeente gemachtigd heeft om het bedrag automatisch van de bankrekening af te schrijven. Na ontvangst van de betaling stuurt de gemeente de belanghebbende de nieuwe vergunning toe.

Ingeval de B-belasting niet tijdig wordt betaald, krijgt de belanghebbende alsnog de vergunning (met de oorspronkelijke ingangsdatum) toegestuurd. Doorgaans vindt bij niet-tijdige betaling van de B-belasting geen naheffing van die belasting plaats. Omdat belanghebbende alsdan niet in staat is om een geldige vergunning in de auto aan te brengen, loopt hij dan wel het risico een naheffingsaanslag in de A-belasting te krij-gen.

In dit geval heeft belanghebbende de betalingsherinnering omstreeks begin november 2001 ontvangen. De uiterste betaaldatum was 15 november 2001. Belanghebbendes betaling van de B-belasting inzake de vergunning voor het tijdvak 1 december 2001 tot 1 maart 2002 is op 20 december 2001 ontvangen. Hij heeft na de ontvangst van zijn betaling een vergunning ontvangen die op 1 december 2001 inging.

Belanghebbende is ervan op de hoogte gebracht dat met ingang van eind december 2001 contante betaling van de B-belasting niet (meer) mogelijk was.

5.1. Omdat de aanslag is gedagtekend op 19 december 2001 en belanghebbendes bezwaarschrift - blijkens een stempel van de afdeling gemeentebelastingen Amster-dam - op 8 maart 2002 door verweerder is ontvangen, is het bezwaarschrift na de ter-mijn van zes weken (als bedoeld in art. 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna de Wet) ingediend.

Ter zitting is gebleken dat belanghebbende zijn bezwaarschrift, gedagtekend 16 januari 2002, bij "Stadsdeel Q t.a.v. Parkeerbeheer' persoonlijk heeft afgegeven. "Stadsdeel Q" heeft dit bezwaarschrift kennelijk enige tijd laten liggen en het eerst kort voor 8 maart 2002 naar verweerder doorgezonden.

In het arrest BNB 2000/39 * (HR 8 december 1999, Nr. 34 984) overwoog de Hoge Raad als volgt. Indien een bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een on-bevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, en zich niet een van de in artikel 6:15, lid 3, van de Wet genoemde gevallen voordoet waarin het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend is voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, voorziet de Wet niet in de gevolgen van een verzuim van het onbevoegde orgaan het geschrift zo spoedig mogelijk door te zenden. Een dergelijk verzuim mag echter niet voor rekening van de indiener van het geschrift komen. Indien het geschrift binnen twee weken wordt doorgezonden, kan nog juist worden gesproken van een zo spoedig mogelijke doorzending. In overeen-stemming hiermee moet bij doorzending op een later tijdstip het geschrift geacht wor-den te zijn ingediend bij het bevoegde orgaan twee weken na binnenkomst bij het on-bevoegde orgaan.

Ervan uitgaande dat Stadsdeel Q een onbevoegd bestuursorgaan is volgt uit het voorgaande dat het bezwaarschrift geacht wordt te zijn ingediend twee weken na 16 januari 2001, derhalve op 30 januari 2002. Dit betekent dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

5.2. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, nr. 32 834 (gepu-bliceerd in BNB 1998/46) is het stelsel van de Verordening dat de A-belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een vergunning waarvoor de B-belasting is voldaan. In-dien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Uit het stelsel van de wet volgt dat in dat geval belanghebbende de A-belasting verschul-digd is.

5.3. Nu vaststaat dat er ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag geen geldige vergunning in de auto was aangebracht, was er geen sprake van parkeren met een ver-gunning. Belanghebbendes stelling dat hem vanwege ziekte in de maand december 2001 niet verweten kan worden dat hij de vergunning niet tijdig heeft ontvangen, kan hem niet baten. Immers het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende begin november een betalingsherinnering inzake de vergunning voor het tijdvak 1 december 2001 tot 1 maart 2002 heeft ontvangen. Belanghebbendes standpunt dat hij als gevolg van zijn ziekte niet in staat was tijdig te betalen en dat hem dus geen verwijt kan worden gemaakt, is der-halve onjuist. Ook is niet van belang dat bewezen heeft dat de B-belasting voor de datum van parkeren van belanghebbendes bankrekening is afgeschreven.

5.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat belanghebbende voor het parkeren de A-belasting verschuldigd was. Nu hij deze belasting niet tijdig heeft voldaan is de nahef-fingsaanslag terecht opgelegd. Het beroep is mitsdien ongegrond.

6. Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak is gedaan op 8 april 2003 door mr. Goes, in tegenwoordigheid van Wessel als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Het hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. De vervanging van een mondelinge uitspraak strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van de mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.