Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF7123

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-01-2003
Datum publicatie
13-10-2004
Zaaknummer
23-003019-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van ca. 9 kg heroïne, medeplegen opzettelijk vervoeren van 400 gram heroïne en voorhanden hebben pistool met munitie.

4 jaar gevangenisstraf.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Wet wapens en munitie 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003019-00

datum uitspraak 24 januari 2003

tegenspraak

Verkort arrest van het Gerechtshof te Amsterdam

gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen

het vonnis van de arrondissementsrechtbank

te Haarlem van 3 oktober 2000

in de strafzaak onder parketnummer 15/035115-99

tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1969,

wonende te [adres]

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 19 september 2000 en in hoger beroep van 10 januari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals op de terechtzitting in hoger beroep van 19 juli 2002 op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De inhoud daarvan wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het zich daarmee niet verenigt.

Ter terechtzitting gevoerd verweer

1. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg met bijstand van een tolk had moeten geschieden, nu de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerst. Aangezien het onderzoek in eerste aanleg is voortgezet zonder bijstand van een tolk voor de Turkse taal, mag volgens de raadsman geen acht geslagen worden op de door de verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring en mag deze verklaring niet voor het bewijs gebezigd worden.

Het hof overweegt en beslist hieromtrent als volgt.

Voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2003 is de verdachte vele malen (door ambtenaren van politie, door de rechter-commissaris, door de raadkamer van de rechtbank en het hof, ter terechtzittingen van de rechtbank en het hof), waarvan een aantal malen in aanwezigheid van zijn raadsman, verhoord in de Nederlandse taal zonder bijstand van een tolk. Bij geen van die gelegenheden heeft de verdachte of zijn raadsman aangevoerd dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerste, terwijl in de stukken ook geen enkel houvast is te vinden voor de mening dat dit het geval zou zijn. Ook ter terechtzitting van 10 januari 2003 is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de Nederlandse taal niet voldoende beheerst. Dat hij toen is bijgestaan door een tolk, maakt dit niet anders. Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag en wordt daarom verworpen.

2. Door en namens de verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat de rol van de verdachte ten aanzien van feit 1 vrijwel alleen in het optreden als tolk heeft bestaan en hoogstens medeplichtigheid oplevert, hetgeen niet is tenlastegelegd.

Het hof verwerpt dit betoog, aangezien de handelingen van de verdachte, zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, in aanmerkelijk méér dan alleen het optreden als tolk heeft bestaan en een zo wezenlijke bijdrage aan de uitvoer van de heroïne vormden, dat het aandeel van de verdachte daarin als medeplegen valt aan te merken.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 is tenlastegelegd, met dien verstande dat:

feit 1 primair: hij in de periode van 1 juni 1999 tot en met 25 juni 1999, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 9 kilo heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

feit 2: hij op 21 maart 2000 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft vervoerd ongeveer 400 gram heroïne, zijnde heroïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

feit 3: hij in de periode van 1 april 1999 tot en met 23 maart 2000 te Zaandam, gemeente Zaanstad, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk FN Browning, kaliber 7,65, en munitie van categorie III, te weten 50 patronen onder meer van het merk Tokarev en het merk Leader, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders onder 1 primair, 2 en 3 is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte ten aanzien van het toenmalige feit 1 primair (een overtreding) veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 6 maanden en ten aanzien van de feiten 2 en 3 tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijkomende beslissing ten aanzien van wapen en munitie.

De Officier van Justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Namens verdachte heeft de raadsman hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd de verdachte ten aanzien van de feiten 1 primair (thans gewijzigd in een misdrijf), 2 en 3 te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijke uitvoer van een grote hoeveelheid, 9 kilogram, heroïne, een voor de gezondheid van personen zeer schadelijke stof.

Deze hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in heroïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ook de door de gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Bovendien heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van opzettelijk vervoer van ongeveer 400 gram heroïne en aan het voorhanden hebben van een pistool en munitie.

Mede in aanmerking genomen de strafoplegging in soortgelijke gevallen is het hof van oordeel dat aan verdachte een vrijheidbenemende gevangenisstraf moet worden opgelegd en wel van na te noemen duur.

Uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 31 oktober 2002 blijkt dat de verdachte - voor en ook nadat hij de onderhavige feiten pleegde - voor het plegen van strafbare feiten is veroordeeld.

Sedert het plegen van het bewezenverklaarde en sedert de afloop van de voorlopige hechtenis van de verdachte is reeds geruime tijd verstreken.

Het voorgaande overwegende acht het hof oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen - als vermeld op de aangehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummers 1 t/m 5 - , dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte feit 3 is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 (oud) en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd

van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

en voorts

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- een pistool (kleur zwart, FN)

- 32 stuks munitie (Leader 7,65 mm br)

- 7 stuks munitie (kleur goud, 9 mm x 19)

- 4 stuks munitie (kleur goud, Tokarev 7,62)

Dit arrest is gewezen door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Chorus, Nijboer en Van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr. Van Haaren als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 januari 2003.