Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6894

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
23-002712-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2004:AP8419
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2004:AP8419
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-002712-01

datum uitspraak 4 april 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 30 november 2000 in de strafzaak onder parketnummer 13/120075-98 van het openbaar ministerie tegen

VAN DE K.,

geboren te

wonende te

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 en 16 november 2000 en in hoger beroep van 14 en 21 januari, 14, 21 februari, 7, 18 en 21 maart 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 november 2000 op vordering van de officier van justitie en op de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2003 op vordering van de advocaten-generaal toegestane wijziging tenlastelegging. Van die dagvaarding en vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze in de bewezenverklaring verbeteren. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging omdat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De vervolging van verdachte is aangevangen op 19 mei 1998 met het doen van de vordering tot opening van het gerechtelijk vooronderzoek. 25 mei 1998, de dag van huiszoeking bij en tevens van aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte, heeft als beginpunt van de op de redelijkheid te beoordelen termijn te gelden. Van belang zijn voorts de navolgende data. Het gerechtelijk vooronderzoek is op 28 juli 1999 gesloten. Verdachte is vervolgens op 9 oktober 2000 gedagvaard tegen de terechtzitting in eerste aanleg. De zaak tegen verdachte is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 7 en 16 november 2000 waarna de rechtbank op 30 november 2000 vonnis heeft gewezen.

Namens verdachte is op 13 december 2000 hoger beroep ingesteld en door de officier van justitie op 14 december 2000. Het dossier is op 13 augustus 2001 bij het hof binnengekomen, terwijl de behandeling in hoger beroep is aangevangen op 14 januari 2003 en heden arrest wordt gewezen. Vastgesteld kan worden dat de berechting in eerste aanleg, de inzending van stukken, de berechting in hoger beroep en de procedure als geheel langer hebben geduurd dan de in het arrest van 3 oktober 2000 van de Hoge Raad (NJ 2000, 721) aangegeven termijnen.

Voorop gesteld zij dat het in dit geval om een complexe zaak gaat met een directe samenhang met omvangrijke en zo mogelijk complexere zaken tegen medeverdachten, in het bijzonder S., welke samenhang ook onmiskenbaar blijkt uit het verhandelde op de terechtzittingen in hoger beroep. Op begrijpelijke en te billijken proceseconomische gronden is in hoger beroep gestreefd naar gelijktijdige behandeling van de bij het gerechtshof aanhangige zaken in het kader van het zogeheten Clickfondsonderzoek, waarbij het hof vaststelt dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep voortvarend is geweest.

Het hof is niettemin van oordeel dat de eerderbedoelde vertragingen, voorzover deze plaatsvonden voordat de stukken bij het hof zijn ingekomen, evenzovele overschrijdingen van de in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag bedoelde redelijke termijn opleveren, nu deze vertragingen de verdachte niet kunnen worden aangerekend.

Ten aanzien van de geconstateerde termijnoverschrijdingen merkt het hof het volgende op. Dergelijke overschrijdingen dienen volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel te leiden tot matiging van een eventueel op te leggen straf; slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dienen te worden toegepast. In deze zaak is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden als door de Hoge Raad bedoeld. Het hof acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en zal bij het opleggen van de straf rekening houden met voornoemde overschrijdingen van de redelijke termijn.

Bewijslevering

De bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

- ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde -

hij op tijdstippen in de periode van 16 februari 1993 tot en met 30 september 1997 in Nederland, terwijl hij, verdachte, werkzaam was, anders dan als ambtenaar, in dienstbetrekking bij Stichting M., naar aanleiding van hetgeen, hij, verdachte, in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, te weten het verstrekken van inlichtingen en/of het geven van adviezen over effectentransacties aan E.J. S., geldbedragen, met een totaalbedrag van ongeveer fl. 510.000,-, heeft aangenomen en dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever;

- ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde -

hij op tijdstippen in de periode van 29 april 1992 tot en met 28 november 1997 telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, inzake de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen onjuist heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, toen telkens opzettelijk onjuist opgegeven, door middel van een telkens door of vanwege hem, verdachte, ingevuld en ondertekend en bij de Inspecteur der Directe Belastingen te Hilversum ingeleverd aangiftebiljet voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over respectievelijk 1991, 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996, zijnde telkens een formulier als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat zijn belastbaar inkomen bedroeg respectievelijk fl. 120.413,- (1991) en fl. 126.948,- (1992) en fl. 148.732,- (1993) en fl. 184.269,- (1994) en fl. 157.073,- (1995) en

fl. 150.077,- (1996), terwijl dat belastbaar inkomen telkens meer bedroeg, zulks terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven;

- ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde -

hij in de periode van 1 januari 1991 tot en met 25 mei 1998 te Rijswijk, gemeente Rijswijk en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, die werd gevormd door verdachte en E.J. S. en F. en R. van Z. en J.J. R., welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten omkoping, welke deelneming onder meer bestond uit het verrichten van hand- en spandiensten met betrekking tot de te plegen misdrijven, te weten het geven van inlichtingen en/of het verstrekken van adviezen over effectentransacties.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van de feiten 1 en 3

Ter terechtzitting in hoger beroep is door verdachte en diens raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging bedoelde geldbedragen die verdachte heeft ontvangen de vruchten waren van beleggingsactiviteiten die door E.J. S. waren ondernomen ten behoeve van een beleggingsclubje waartoe - naast verdachte en S. - ook R. van Z. en J.J. R. behoorden; in elk geval heeft verdachte in de veronderstelling verkeerd van een dergelijk clubje deel uit te maken.

Het hof acht deze voorstelling van zaken onaannemelijk, reeds omdat verdachte blijkens zijn eigen verklaring nooit geld heeft ingebracht ten behoeve van beleggingen, hij niet wist wat wanneer werd gekocht of verkocht, er bij afrekening geen onderliggende bescheiden werden overgelegd en verdachte niet wist waar de door S. gedane betalingen precies betrekking op hadden, hij niet heeft kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk belegd is, hij het geld altijd contant heeft gekregen, er alleen maar positieve beleggingsresultaten waren en hij de consequenties van verliesgevende investeringen nooit had besproken. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het bestaan van het door de verdediging bedoelde 'beleggingsclubje' niet aannemelijk is geworden en dat evenzeer onaannemelijk is dat verdachte - die geen onbekende was op het terrein van beleggingen - dit destijds niet heeft begrepen. Evenmin is aannemelijk geworden dat verdachte feitelijk beleggingsrisico heeft gelopen.

Ten aanzien van feit 1

Waar het bestaan van een 'beleggingsclubje' niet aannemelijk is geworden, is het hof van oordeel dat de gelden die verdachte in ontvangst heeft genomen, moeten worden aangemerkt als giften die hij in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgeefster. Immers, verdachte - destijds werkzaam bij Stichting M. - ontving deze geldbedragen naar aanleiding van inlichtingen en/of adviezen over effectentransacties die hij had gegeven aan S., directeur van F. (verder te noemen: F.) dat een vaste relatie van Stichting M. was. Aldus oefende verdachte ten eigen bate een goed betaalde nevenfunctie uit ten behoeve van een relatie van zijn werkgeefster op een terrein dat nauw verwant was aan dat van zijn reguliere werkzaamheden bij Stichting M. De extra inkomsten die hij op die manier door belangenverstrengeling verwierf waren dusdanig ongebruikelijk dat hij deze tegenover zijn werkgeefster niet geheim kon houden zonder daarmee in strijd te handelen met de goede trouw, in de zin zoals dit begrip wordt gebezigd in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht (waartoe het hof - kortheidshalve - verwijst naar Kamerstuk TK 8437, nr. 4, p. 15 en 16 (1965-1966)).

Strafbaarheid van de feiten

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op

- ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in zijn betrekking heeft gedaan, aannemen van een gift en dit aannemen in strijd met de goede trouw verzwijgen tegenover zijn werkgever, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd;

- ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uren (in plaats van tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden) en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest en voorts tot een geldboete van NLG 600.000, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 jaar.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld en door de officier van justitie.

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van voorarrest en voorts tot een geldboete van € 225.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft hierbij tevens acht geslagen op de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde notitie "Persoonlijke gegevens" met bijlagen.

De verdachte, werkzaam als fundmanager ten behoeve van Stichting B. bij Stichting M., heeft de ontvangst van aanzienlijke geldbedragen, die hij van E.J. S. voor door hem verstrekte inlichtingen met betrekking tot effectentransacties heeft ontvangen - over welke informatie hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking kon beschikken - niet gemeld aan zijn werkgeefster. Genoemde S. was directeur van F., welk bedrijf als broker opdrachten voor Stichting M. uitvoerde. Deze opdrachten werden door verdachte in zijn hoedanigheid van fundmanager verstrekt. Door aldus te handelen is sprake van een ontoelaatbare belangenverstrengeling en heeft verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit en openheid die in een dienstbetrekking voorop dienen te staan. Verdachte handelde hierbij louter uit financieel gewin en heeft hiervoor een zeer groot bedrag opgestreken, dat in werkelijkheid aanzienlijk groter is dan de in de tenlastelegging genoemde NLG 510.000, die het hof bij het bepalen van de straf niettemin als uitgangspunt zal hanteren. Deze omkoping vond gedurende een langere periode en in een dusdanig stelselmatig verband plaats dat de verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een misdadige organisatie, met bedoelde niet-ambtelijke omkoping als oogmerk. Aldus is ernstige inbreuk gemaakt op de financiële integriteit die in de effectenbranche voorop dient te staan.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist invullen van aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1996 door een te laag belastbaar inkomen op te geven. Blijkens het op 10 juni 2002 door verdachte met de belastinginspecteur gesloten compromis is over 4 van de 6 bewezenverklaarde opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen een correctie toegepast van NLG 1.700.000 boven de in de aangiften aangegeven belastbare inkomens. Door deze onjuiste opgaven is te weinig belasting geheven, waardoor de verdachte de fiscus in het bijzonder en daarmee de maatschappij in het algemeen voor een aanzienlijk bedrag heeft benadeeld. De te weinig geheven belasting over die periode zal - gelet op het compromis - minimaal NLG 750.000 (€ 340.335,-) bedragen.

Op deze ernstige feiten dient in beginsel te worden gereageerd met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Tevens is een geldboete van een aanzienlijke omvang op zijn plaats.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het gegeven dat de vervolging ingrijpende gevolgen voor de verdachte heeft meegebracht, nu hij onder meer zijn baan is kwijtgeraakt, veelvuldig in de publiciteit is gekomen en ten gevolge van een veroordeling nauwelijks perspectieven heeft om in de hem bekende effectenbranche werkzaam te zijn. Voorts is de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 27 november 2002 niet eerder veroordeeld en is sprake van oude feiten.

Wanneer de hiervoor genoemde schending van de redelijke termijn zich niet had voorgedaan, had het hof in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend gevonden. Rekening houdend met voornoemde schending bepaalt het hof de duur van de op te leggen gevangenisstraf op 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Ten aanzien van het onvoorwaardelijk op te leggen gedeelte van de gevangenisstraf - te weten: 6 maanden - ziet het hof aanleiding in plaats hiervan onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uren op te leggen, mede gelet op het aanbod van de verdachte daartoe.

Ten aanzien van de op te leggen geldboete overweegt het hof dat uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat de verdachte door de bewezenverklaarde handelingen aanzienlijk voordeel heeft genoten, zodat een geldboete, van na te noemen hoogte - ook in aanmerking genomen alle overige omstandigheden, waaronder de beperkte mate waarin verdachte inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie -, passend en geboden is.

Het hof heeft - voorzover van belang - zich daarbij rekenschap gegeven dat cumulatie van hoofdstraffen eerst voor feiten begaan na 27 januari 1995 mogelijk is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b (oud), 23, 24, 24c, 57, 140 (oud) en 328ter van het Wetboek van strafrecht en artikel 68 (oud) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijslevering omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte, in plaats van tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 (ZES) MAANDEN, tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN, bestaande uit administratieve, verzorgende, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden.

Bepaalt dat deze arbeid aangevangen moet worden binnen 3 (DRIE) MAANDEN nadat dit arrest onherroepelijk is geworden.

Bepaalt de termijn binnen welke deze arbeid na aanvang dient te worden verricht op 12 (TWAALF) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op het te verrichten aantal uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt de maatstaf op twee uren voor iedere in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de tijd van 4 (VIER) MAANDEN met bepaling dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (TWEE) JAREN.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een geldboete van € 200.000,-(TWEEHONDERDDUIZEND EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 1 (ÉÉN) JAAR.

Dit arrest is gewezen door de vierde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, tevens belast met berechting van economische delicten, waarin zitting hadden mrs. Wiewel, Verspyck Mijnssen en De Winter, in tegenwoordigheid van mr. Peters als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 april 2003.