Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6697

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
02/778
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waterschapsomslag. Ambtenaar van een dienst waarin waterschappen samenwerken was bevoegd om aanslagen vast te stellen. Wijziging van toedeling van bevoegdheden tussen waterschappen die werkzaam zijn in hetzelfde gebied. Ten onrechte is uitspraak op bezwaar gedaan voordat WOZ-beschikking onherroepelijk vaststond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2003/809
FutD 2003-0656
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van de naamloze vennootschap X N.V. te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, verweerder.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 17 januari 2002, aangevuld bij brief van 5 maart 2002. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van verweerder, gedagtekend 11 december 2001, betreffende de aan belanghebbende opgelegde en op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de omslagen gebouwd en ongebouwd van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht te Hilversum (hierna: AGV) en het waterschap De Waterlanden te Middenbeemster (hierna: De Waterlanden) voor het jaar 2001.

Aan belanghebbende zijn twee aanslagen opgelegd in de omslag gebouwd van AGV en eveneens twee aanslagen in de omslag gebouwd van De Waterlanden. Voorts zijn 13 aanslagen opgelegd in de omslag ongebouwd van AGV en 12 aanslagen in de omslag ongebouwd van De Waterlanden. De aanslagen belopen blijkens de bij het aanslagbiljet gevoegde specificatie in totaal ƒ 866,96. Het te betalen bedrag is vastgesteld op ƒ 838. Na bezwaar tegen de aanslagen zijn deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van verweerder en primair tot vernietiging van de aanslagen en subsidiair uiteindelijk tot vernietiging van de aanslagen in de omslag ongebouwd welke betrekking hebben op de objecten met de kadastrale aanduiding A 0000, B 0000, C 0000, D 0000 en E 0000.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hij concludeert uiteindelijk - naar het Hof begrijpt - tot vernietiging van de bestreden uitspraak en van de aanslagen in de omslag ongebouwd welke betrekking hebben op de objecten met de kadastrale aanduiding A 0000, B 0000, C 0000 en D 0000, alsmede vermindering van de aanslagen in de omslag ongebouwd welke betrekking hebben op het object met de kadastrale aanduiding E 0000.

Belanghebbende heeft met toestemming van het Hof een conclusie van repliek ingediend. Verweerder heeft geen conclusie van dupliek ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 november 2002. Voor het ter zitting verhandelde verwijst het Hof naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal dat aan deze uitspraak is gehecht.

Na de zitting heeft verweerder bij brief van 12 december 2002 nadere inlichtingen verstrekt en daarbij nadere stukken ingezonden. De griffier heeft belanghebbende bij brief van 21 december 2002 in de gelegenheid gesteld op deze stukken te reageren. Belanghebbende heeft de griffier telefonisch medegedeeld hieraan geen behoefte te hebben. Partijen hebben vervolgens schriftelijk toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende is zakelijk genothebbende van een in de gemeente Q gelegen complex van gebouwen, bestaande uit kantoren, laboratoria, werkplaatsen, proeffabrieken en tanks met aanhorige grond, en onbebouwde grond (hierna: het complex). De op het aanslagbiljet vermelde objecten behoren tot het complex.

2.2. Het complex is gelegen in een gebied ten aanzien waarvan aan AGV bepaalde taken zijn opgedragen op het terrein van waterkeringszorg, waterkwantiteitsbeheer en vaarwegenbeheer. Deze taken worden uitgevoerd door de Stichting Dienst Waterbeheer en Riolering te Q (hierna: DWR). Het wegenbeheer in het gebied waarin het complex is gelegen is opgedragen aan De Waterlanden. Het hoogheemraadschap van Uitwaterende Sluizen in Hollands Noorderkwartier (hierna: USHN) had in het jaar 2001 geen taken in dit gebied.

2.3. Het aanslagbiljet is gedagtekend 16 juli 2001 en kennelijk verzonden door DWR. Op het biljet is vermeld dat de aanslagen zijn vastgesteld door verweerder. Belanghebbende heeft met dagtekening 22 augustus 2001 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Bij beschikking van 3 augustus 2001 heeft de gemeente Q ter uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde vastgesteld van de tot het complex behorende objecten a-weg 4 en b-weg 5 voor de jaren 2001 tot en met 2004. Belanghebbende heeft met dagtekening 28 augustus 2001 bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van het object a-weg 4.

3. Geschil

3.1. Uiteindelijk zijn tussen partijen de volgende punten nog in geschil:

a. zijn de aanslagen opgelegd door een daartoe bevoegde persoon? Belanghebbende voert in dit verband aan dat (een medewerker van) DWR niet bevoegd was tot het opleggen van de aanslagen en dat de verdeling van bevoegdheden tussen DWR en de Dienst Centrale Omslagheffing te Alkmaar (hierna: DCO) onduidelijk is.

b. heeft verweerder ten onrechte uitspraak gedaan op het bezwaar van belang-hebbende, voorzover dit betrekking heeft op het tot het complex behorende object a-weg 4? Belanghebbende beroept zich in dit verband op het bepaalde in artikel 131 van de Waterschapswet.

c. heeft verweerder het tot het complex behorende object met de kadastrale aanduiding E 0000 terecht voor een gedeelte groot 1.54.43 ha als onbebouwd aangemerkt? Belanghebbende stelt in de aanvulling op het beroepschrift dat een gedeelte groot 1.02.95 ha onbebouwd is. In zijn brief van 12 december 2002 stelt verweerder dat de onbebouwde oppervlakte 82.89 are beloopt.

3.2. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de omstandigheid, dat de objecten a-weg 4 en b-weg 5 in gebruik waren bij derden, verweerder niet behoefde te beletten om belanghebbende als zakelijk genothebbende van die objecten in de omslagheffing te betrekken.

3.3. Belanghebbende heeft ter zitting haar grief betreffende de afbakening van de objecten met de kadastrale aanduiding F 0000 en G 0000 laten vallen. Het Hof leidt hieruit af dat niet meer in geschil is dat verweerder de op het aanslagbiljet vermelde objecten, met uitzondering van de hierna onder 5.8 te noemen objecten, op de juiste wijze heeft afgebakend.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunt van partijen en de motivering daarvan verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Op het aanslagbiljet is vermeld dat de aanslagen zijn vastgesteld door de ambtenaar belast met de heffing van AGV. Bij besluit van 30 november 1999, bekendgemaakt op 22 december 1999 en in werking getreden op 1 januari 2000, heeft het dagelijks bestuur van AGV als zodanig aangewezen het hoofd van de afdeling Belastingen van de stafafdeling Financiën van DWR. Dit hoofd is bij besluit van het dagelijks bestuur van AGV van 30 november 1999 aangesteld als onbezoldigd ambtenaar van AGV. De op het aanslagbiljet vermelde aanslagen van AGV zijn dus vastgesteld door een daartoe aangewezen ambtenaar van dit water-schap. Hieruit volgt dat, gelet op het bepaalde in artikel 123, derde lid, aanhef en onder b, van de Waterschapswet, die aanslagen zijn vastgesteld door een daartoe bevoegde persoon. De omstandigheid dat het aanslagbiljet kennelijk is verzonden door DWR mist in dit verband betekenis.

5.2. De op het aanslagbiljet vermelde aanslagen van De Waterlanden zien op het wegenbeheer door dit waterschap in een gebied waarin het complex is gelegen. Bij gemeenschappelijk besluit van 13 en 17 oktober 2000, bekendgemaakt op 8 november 2000 en in werking getreden met ingang van 1 november 2000, hebben de dagelijkse besturen van AGV en De Waterlanden, voorzover hier van belang, besloten dat met betrekking tot de omslagheffing ter zake van dit wegenbeheer het dagelijks bestuur van AGV in de plaats treedt van het dagelijks bestuur van De Waterlanden. Bij voormeld besluit is voorts besloten dat met betrekking tot die omslagheffing de door het dagelijks bestuur van AGV op grond van artikel 123, derde lid, aanhef en onder b, van de Waterschapswet aangewezen ambtenaar belast met de heffing wordt aangewezen als de ambtenaar bedoeld in de zojuist genoemde wetsbepaling. Ook de op het aanslagbiljet vermelde aanslagen van De Waterlanden zijn dus vastgesteld door een daartoe bevoegde persoon.

5.3. Belanghebbende voert aan dat (een medewerker van) DCO wellicht eveneens bevoegd was tot het opleggen van de op het aanslagbiljet vermelde aanslagen en dat het niet mogelijk is dat die bevoegdheid berust bij (medewerkers van) meerdere publiekrechtelijke lichamen. Uit hetgeen partijen dienaangaande hebben gesteld blijkt dat DCO een samenwerkingsverband is van waterschappen, waarvan onder meer USHN en De Waterlanden deel uitmaken, maar niet mede AGV. Voorzover op grond van dit samenwerkingsverband de bevoegdheid tot het vaststellen van aanslagen zou zijn overgegaan op (een medewerker van) DCO kan dit dus van de op het aanslagbiljet vermelde aanslagen slechts betrekking hebben op aanslagen van De Waterlanden en niet mede op aanslagen van AGV.

5.4. Uit een tot de gedingstukken behorende brief van 8 mei 2002 met bijlagen, afkomstig van DCO, blijkt dat op grond van een besluit van 10 november 1995, gewijzigd bij besluit van 19 december 1997, voor de uitvoering van enige wettelijke bepaling betreffende de heffing van waterschapsomslagen het dagelijks bestuur van USHN in de plaats treedt van het dagelijks bestuur van De Waterlanden. Nadien is bij het onder 5.2 vermelde besluit van 13 en 17 oktober 2000 met ingang van 1 november 2000 een wijziging in de toedeling van bevoegdheden tot stand gebracht voor een specifieke taak van De Waterlanden in een nauw omschreven gedeelte van zijn gebied. Op grond van de beperkte strekking van laatstbedoeld besluit moet worden aangenomen dat daardoor in zoverre voormeld besluit van 10 november 1995 is achterhaald en daarmee met ingang van 1 november 2000 een bevoegdheid van het dagelijks bestuur van USHN is overgegaan op dat van AGV. Hieraan doet niet af dat het dagelijks bestuur van De Waterlanden bij besluit van 8 februari 2002 het wegenbeheer in het desbetreffende gedeelte van zijn gebied alsnog uitdrukkelijk van de werking van voormeld besluit van 10 november 1995 heeft uitgezonderd.

5.5. Op grond van het onder 5.1 tot en met 5.4 overwogene is ten aanzien van het eerste geschilpunt het gelijk aan verweerder.

5.6. Ter onderbouwing van haar bezwaar tegen de aanslagen voerde belanghebbende in het bezwaarschrift onder meer aan dat ten tijde van het opleggen van de aanslagen de gemeente Q nog niet alle desbetreffende beschikkingen ingevolge de Wet WOZ had vastgesteld. Nadat dit laatste alsnog was gebeurd heeft zij bij de gemeente Q bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde van het object a-weg 4. Die waarde was gelijk aan de waarde welke ten grondslag lag aan de door verweerder opgelegde aanslagen in de omslag gebouwd met betrekking tot die object. Naar het oordeel van het Hof doet zich hier het in artikel 131 van de Waterschapswet omschreven geval voor, dat bezwaar is gemaakt zowel tegen aanslagen in de omslagheffing als tegen een op de voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ gegeven beschikking welke ten grondslag heeft gelegen aan die aanslagen. De omstandigheid dat de beschikking pas na het vaststellen van de aanslagen is gegeven doet hieraan niet af, aangezien de daarbij vastgestelde waarde kennelijk wel aan de aanslagen ten grondslag is gelegd. Nu hier feiten en omstandigheden in het geding zijn die van belang zijn voor zowel de omslagheffing als de waardevaststelling op de voet van de Wet WOZ, mocht verweerder op grond van voormeld artikel 131 geen uitspraak doen op het bezwaar van belanghebbende zolang de waardebeschikking nog niet onherroepelijk vaststond. De bestreden uitspraak moet reeds hierom worden vernietigd.

5.7. Gelet op hetgeen verweerder dienaangaande heeft gesteld in zijn brief van 12 december 2002 acht het Hof aannemelijk dat de onbebouwde oppervlakte van het object met de kadastrale aanduiding E 0000 82.89 are beloopt. De beide met betrekking tot dit object opgelegde aanslagen in de omslag ongebouwd moeten dus worden verminderd tot aanslagen berekend naar een oppervlakte van 82.89 are.

5.8. Uit hetgeen verweerder dienaangaande in het verweerschrift heeft gesteld leidt het Hof af dat de op het aanslagbiljet vermelde objecten met de kadastrale aanduiding A 0000, B 0000, C 0000 en D 0000 ten onrechte als afzonderlijke ongebouwde onroerende zaken aangemerkt. De op die objecten betrekking hebbende aanslagen moeten dus worden vernietigd. Het betreft hier in totaal negen aanslagen: drie aanslagen betreffende het met A 0000 aangeduide object en twee aanslagen betreffende elk van de met B 0000, C 0000 en D 0000 aangeduide objecten.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van verweerder;

- vernietigt de aanslagen in de omslag ongebouwd welke betrekking hebben op de objecten met de kadastrale aanduiding A 0000, B 0000, C 0000 en D 0000;

- vermindert de aanslagen in de omslag ongebouwd welke betrekking hebben op het object met de kadastrale aanduiding E 0000 tot aanslagen berekend naar een oppervlakte van 82.89 are;

- verstaat dat verweerder opnieuw uitspraak doet op het bezwaar van belang- hebbende tegen de aanslagen in de omslag gebouwd welke betrekking hebben op het object a-weg 4 nadat de ten name van belanghebbende genomen beschikking, waarbij de waarde van die onroerende zaak voor het tijdvak 2001 tot en met 2004 is vastgesteld, onherroepelijk is komen vast te staan;

- handhaaft de overige aanslagen; en

- gelast verweerder het griffierecht ad € 218 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 28 maart 2003 door mr. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op dezelfde dag ter openbare zitting uitgesproken.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij dit beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) de dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van dit beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.