Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2003:AF6696

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
02/1130
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende (boekhoud- en administratiekantoor) heeft te weinig omzetbelasting afgedragen, maar de verschuldigde omzet wel als schuld in zijn balans opgenomen. Hij heeft geen suppletie-aangifte gedaan. Er is sprake van voorwaardelijke opzet. Een boete van 50% is passend en geboden. Drukte op kantoor is geen verzachtende omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2003/9.2
V-N 2003/19.2.3
FutD 2003-0654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Vierde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

ter vervanging van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

een uitspraak van het Hoofd van de Belastingdienst P, de inspecteur.

1. Loop van het geding

Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 6 februari 2002.

Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de inspecteur, gedagtekend 18 januari 2002, betreffende de beschikking waarbij aan belanghebbende een boete is opgelegd wegens het niet voldoen van omzetbelasting over het tijdvak 1 januari tot en met 31 december 1999.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van ƒ 5.729. Tegelijkertijd is hem bij beschikking een boete van ƒ 2.864 (50% van de nageheven belasting) opgelegd wegens het niet betalen van omzetbelasting. Na bezwaar tegen de boete is deze bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de inspecteur en tot vermindering van de boete tot ƒ 1.432.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Van het verhandelde ter zitting van 12 november 2002 heeft de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Op 26 november 2002 heeft het Hof mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal op 9 december 2002 aangetekend aan partijen is verzonden. Bij brief van 18 december 2002, ter griffie ingekomen op 27 december 2002, heeft belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het verschuldigde griffierecht van € 163,50 is tijdig betaald.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Belanghebbende heeft in zijn jaarstukken 1999 op de eindbalans een omzetbelastingschuld opgenomen ad ƒ 5.729. Hij heeft deze omzetbelasting niet aangegeven en ook niet betaald. In verband hiermee heeft de inspecteur met dagtekening 27 oktober 2001 een naheffingsaanslag opgelegd. Tegelijkertijd heeft de inspecteur een boete opgelegd van ƒ 2.864, ofwel 50% van de nageheven belasting.

3. Geschil

In geschil is of het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat omzetbelasting niet is betaald.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Belanghebbende is van mening dat de boete moet worden teruggebracht tot 25% van de nageheven belasting. Hij stelt, in hoofdlijnen samengevat, dat het niet aangeven en betalen van de omzetbelasting is te wijten aan drukte op zijn kantoor, dat de inspecteur het gelijkheidsbeginsel schendt omdat hij enige jaren geleden bij het opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting aan belanghebbende een boete van niet meer dan 25% heeft opgelegd en dat de inspecteur ten onrechte rekening heeft gehouden met recidive.

5.2. De inspecteur motiveert zijn standpunt als volgt. Een boete van 50% is gerechtvaardigd omdat belanghebbende zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de niet te verwaarlozen kans dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven. Hij kwalificeert dit als voorwaardelijke opzet. Hierbij mag, aldus de inspecteur, niet uit het oog worden verloren dat belanghebbende een administratie- en belastingadviesbureau drijft en dus op de hoogte moet zijn van zijn wettelijke verplichtingen en de gevolgen van het niet nakomen daarvan.

5.3. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat hij de in zijn balans vermelde omzetbelastingschuld aan de fiscus diende te betalen. Het Hof acht voorts aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust was dat door die betaling achterwege te laten de reële kans bestond dat te weinig belasting zou worden geheven. Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat sprake is van voorwaardelijke opzet. Naar het oordeel van het hof is een boete van 50%, ofwel ƒ 2.864, in overeenstemming met de ernst van het vergrijp, tenzij sprake is van verzachtende omstandigheden.

5.4. Het Hof verwerpt belanghebbendes stelling dat de boete te hoog is omdat het niet aangeven en betalen van de omzetbelasting is te wijten aan drukte op zijn kantoor. Een dergelijke omstandigheid komt voor risico van belanghebbende. Het Hof overweegt hierbij nog dat de drukte kennelijk niet incidenteel is en dat het doen van een suppletieaangifte en de daarbij behorende betaling eenvoudige handelingen zijn die weinig tijd kosten. Dat geldt zeker voor iemand met een beroep als belanghebbende.

5.5. Bij de toepassing van het gelijkheidsbeginsel gaat het om een vergelijking met andere belastingplichtigen die zich in gelijke omstandigheden bevinden. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij standaard een boete van 50% oplegt als bij een balansschuld geen suppletieaangifte wordt gedaan en er geen sprake is van verzachtende omstandigheden. Het Hof verwerpt belanghebbendes beroep op genoemd beginsel nu niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur in vergelijkbare gevallen een lagere boete heeft opgelegd. Het Hof is voorts van oordeel dat belanghebbende aan het opleggen van een boete van 25% bij een eerdere naheffingsaanslag in de loonbelasting ook niet het vertrouwen kan ontlenen dat de inspecteur in dit geval eveneens met een boete van 25% zou volstaan.

5.6. Belanghebbende stelt nog dat de inspecteur rekening heeft gehouden met recidive. De inspecteur heeft gemotiveerd ontkend dat bij het opleggen van de boete rekening is gehouden met recidive als bedoeld in paragraaf 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: het Besluit). Hij heeft erop gewezen dat ingevolge het Besluit voorwaardelijke opzet in een geval als dit voldoende grond is voor het opleggen van een boete van 50%. Het Hof onderschrijft dit standpunt van de inspecteur. Daarbij merkt het Hof op dat bij recidive in geval van opzet of voorwaardelijke opzet blijkens het Besluit een boete pleegt te worden opgelegd van 100%. Weliswaar verwijst de inspecteur in zijn uitspraak op het bezwaarschrift - zoals hij aangeeft ter aanvulling op de motivering van de hoogte van de boete - naar eerdere jaren waarin belanghebbende omzetbelasting niet of niet tijdig zou hebben voldaan, maar daarmee is bij het bepalen van de hoogte van de boete kennelijk geen rekening gehouden, nu deze ook zonder rekening te houden met recidive voldoende is verklaard met de - naar 's Hofs oordeel juiste - kwalificatie van voorwaardelijke opzet. Het Hof acht niet aannemelijk dat bij het vaststellen van de boete rekening is gehouden met recidive in vorenbedoelde zin.

5.7. Het Hof acht op grond van het hiervoor overwogene de opgelegde boete ad ƒ 2.864 passend en geboden.

6. Proceskosten

Nu belanghebbende in het ongelijk wordt gesteld en zich overigens geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan, acht het Hof geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is ter vervanging van de mondelinge uitspraak vastgesteld op 20 maart 2003 door mr. Slijpen, in tegenwoordigheid van mr. Van de Merwe als griffier.

Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.